Met de camper naar .....

Van Elisabeth tot Eleanor Rigby

De weersvoorspelling voor vandaag 8 mei was motregen en regen aan het einde van de dag. Het was bewolkt maar droog toen we van de camping wegreden. Truus had er weer even geen zin in , maar na opnieuw instellen konden we koers zetten naar Gödöllö waar het (op Versailles na) grootste barokke kasteel staat van Europa, beroemd geworden als het buitenverblijf van Elisabeth van Beieren (beter bekend als Sissi) en Keizer Franz Josef.


Het is gebouwd rond 1730 door graaf Antal Grassalkovich, een trouwe aanhanger van Maria Theresa. Het weerspiegelt de aristocratische levensstijl van die tijd. De balzaal is in witgoud geschilderd.


De kamers zijn versierd met fresco’s. Keizererin Elisabeth kwam hier graag om te ontsnappen aan het benauwende hofleven en vooral haar schoonmoeder. Ze ontving hier de créme de la créme van de Europese royals en organiseerde feesten en jachtfestijnen.

Bij de Hongaren was ze erg geliefd. Na haar dood in 1898 kwam het hofleven tot een abrupt einde. Frans Jozef kwam zelden in het kasteel. Er is in de loop der jaren het nodige gerestaureerd maar helaas is er nog een flink gedeelte van het gebouw wat in verval is.

Maar het was de moeite waard om het kasteel te bezichtigen. Het paleispark is een 28 ha grote Engelse tuin die er enigszins verwaarloosd uit zag.
Na de koffie zijn we doorgereden en zagen we het vlakke landschap veranderen in groen glooiende heuvels met volop klaprozen in de bermen. Af en toe zagen we grazende herten.


De route ging naar Hollókö een klein werelderfgoeddorpje met 380 inwoners, uniek in Hongarije, dat bekend staat om zijn ruim honderd jaar oude huizen. In het hart van deze nederzetting staat de kerk met een houten toren waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1889.



Er gaat slechts één weg naar het dorp die je ook weer terug moet rijden. Eromheen liggen de prachtige witgekalkte paloc-boerderijen met veranda’s en dakspanen. Sommigen huisvesten ambachtelijke werkplaatsen.


Voor ons was het jammer dat het nog geen hoogseizoen is want dan dragen ze vaak hun beroemde Palóc volkskostuum. Rondom het dorpje liggen de groene heuvels en er heerst een oase van rust, een heel verschil met de drukke stad. We vervolgen onze weg naar het Lourdes van Hongarije: Mátraverebély- Szentkút. In dit plaatsje zou Maria in de kruin van een eik aan een stomme herdersjongen zijn verschenen en de jongen moest graven tot aan de wortel van de boom en het water drinken wat hij daar vond. Vanaf dat moment zou hij weer kunnen spreken. Sindsdien komen er veel pelgrims naar deze heilige plaats.


Wij kenden in elk geval het verhaal niet en waren desondanks ook nagenoeg de enige “pelgrims” die er rond liepen behalve het werkvolk dat met renovatiewerk bezig was. De bedoeling was om op de overnachtingsplek tot morgen te blijven staan om dan een wandeling te maken naar de kluizenaarsgrotten die je via het heiligdom kunt bereiken maar het is een relatief steile klim en dat gaat Janny niet lukken dus besluiten we door te rijden naar de camping in Eger en lassen we een extra rustdag in. De weg door de heuvels was een echte lappendeken met gaten, maar de omgeving was erg mooi en rond 17.15 arriveerden we op de camping. En op anderhalve druppel regen toen we net onderweg waren bleef het droog vandaag. Tot nu toe hebben we geboft met het weer..


Op deze Hemelvaartsdag hebben we heerlijk geluierd. Natuurlijk wel even wat huishoudelijke dingetjes gedaan zoals was wassen en met een vochtig doekje en dweil even door het huis want het was best stoffig. De campings die we tot nu toe gehad hebben waren sober qua sanitair ed maar erg schoon zowel binnen als buiten en de meeste hebben een wasmachine; je draait een wasje voor 2,50 per machine ( soms zit het gebruik bij de prijs in ) en daar hoef je het dus niet voor te laten. Onder een afdak hing de was lekker droog te wapperen en liggen wij weer onder frisse lakens. Heerlijk als je niets hoeft en met een mooi boek de dag buiten door kunt brengen. Morgen wandelen we naar de stad.

De zon scheen volop toen we tegen 10.00 naar de stad liepen. De stad Eger ligt de Hongaren na aan het hart omdat ze in de 17e eeuw de Turken voorgoed uit Hongarije verdreven. Symbool hiervoor is de “ Egri Bikaver” ( stierenbloedwijn), een rode wijn uit de regio. Een overblijfsel uit de Turkentijd is de 40 meter hoge minaret, waarop een kruis en een halve maan naast elkaar de vrede tussen beide landen symboliseren.


We lopen langs de kathedraalbasiliek die deels in de steigers staat en ook binnen is er een gedeelte afgeschermd. Gedurende onze wandeling telden we negen kerken op loopafstand.
Op het centrale Dobó-plein staat de Minorieten kerk die gezien wordt als de belangrijkste kerk van het land, gebouwd tussen 1767 en 1773.


Op het plein waren we getuigen van twee ruziënde mensen en ze schreeuwden zo hard dat het bijna een volksvermaak was gezien de reacties van omstanders. Het plein wordt omringd door monumentale huizen en veel restaurantjes en ademt een gezellige sfeer uit. De Wienercappuchino bij de Italiaanse ijssalon op dit terras was heerlijk. Daarna zijn we via de Dobóstraat, ( vernoemd naar de beroemdste zoon van de stad) waar vroeger veel Duitse kunstenaars woonden naar de hoger gelegen Burcht gelopen.


De burcht heeft een gotische zuilengalerij en de stadsmuren zien er wat wonderlijk uit, omdat de Turken de burcht regelmatig aanvielen en nadat de Turken verdreven waren ( in totaal hebben ze Eger 91 jaar bezet) breidden Italiaanse bouwmeesters het fort uit. Ze gebruikten daarvoor restanten van vernietigende kerken en zo kan het gebeuren dat je er ook boogvensters en ornamenten in de stadsmuren tegenkomt. In 1522 hielden István Dobó en zijn mannen 40 dagen stand tegen de Turkse aanval. Dappere vrouwen goten vanaf de kantelen kokende pek op de Turken. De overwinning van Dobó is een heldhaftige kroniek in de Hongaarse geschiedenis.
Vanaf de burcht heb je een prachtig uitzicht over de stad.


Na dit bezoek zoeken we een gezellig plekje op om te lunchen en dat was deze keer bij de Griek. Vervolgens lopen we naar het Beatlesmuseum. Ja , je leest het goed. De eigenaar van het museum ( zelf ook muzikant) is al meer dan 40 jaar fan en verzamelaar van alles wat met de Beatles te maken heeft. En je valt van de ene verbazing in de andere als je de hoeveelheid spullen ziet die hij heeft. We zagen zelfs onder de loep een haar liggen van John Lennon. Voor de Beatle liefhebber is dit echt een aanrader en voor het geld hoef je het niet te laten.
We hebben er met veel plezier rond gelopen. Einde van de middag waren we moe maar voldaan weer op de camping. Morgen verlaten we Eger en gaan we de natuur opzoeken.

Betoverend Boedapest

Voordat we van Esztergom naar de stadscamping van Boedapest gaan maken we een tussenstop in Szentendre. Het is een kleine stad van 23.000 inwoners bekend vanwege zijn handwerkslieden en kunstenaars. We parkeerden de camper op een parkeerplaats aan de rand van de oude binnenkern en moesten hoofdstedelijke prijzen betalen voor het parkeerticket: omgerekend € 15,00 voor 2,5 uur. Gelukkig waren we er vroeg (rond 10.00 uur) en was het nog niet echt druk, dat veranderde helaas al snel en een uur later werden het plaatsje overspoeld door toeristen die met bussen aan- en afgevoerd werden. Van de handwerkslieden en kunstenaars waren er ook niet veel meer over: het merendeel was souvenierswinkeltje, soms even afgewisseld met een handwerkerskraampje met sieraden, borduursels en leerbewerker.


Het deed ons echt denken aan Volendam: bijna alles kitsch en de echte visser is al lang gevlogen. Na wel een voortreffelijke lunch voor een habbekrats hielden we het voor gezien en reden we de laatste 30 km naar de Stadscamping Haller in Boedapest, een weg die uitdrukkelijk verboden was voor kar en paard.


Als uitvalsbasis voor een bezoek aan de stad is deze camping in het centrum echt een aanrader: gelegen op 100 m van de tram en op 600 m van de metro. Wel onder één van de startbanen van het vliegveld van Boedapest, maar die vliegen dan al zo hoog dat je daar geen last van hebt. Leuke bijkomstigheid: als je ouder bent dan 65 jaar (senior) mag je gratis met het openbaar vervoer. Voor de Hongaren gold dat al, maar Orbàn heeft die regel ook op alle EU-onderdanen moeten toepassen toen hij aanspraak maakte op Europese subsidies.

Na een rustige nacht stonden we de volgende morgen om half 10 op de tramhalte om op de Forvam Tér (Marktplein) uit te stappen. Daar vind je een overdekte markt die je best mag vergelijken met de oude Les Halles in Parijs: gebouwd in 1897, 150 meter lang en 100 meter breed, drie verdiepingen. In de kelder vindt je de supermarkt van de Aldi, op de begane grond de lokale slagers, bakkers, groentetelers, slijterijen etc en op de eerste verdieping de uitbaters van eettentjes en souvenierswinkeljes.


Daar liepen we tegen een Japanse aan die - zoals gebruikelijk - met haar smartphone op filmstand door de rijen liep. Plotseling draaide ze een standje binnen en de uitbaatster probeerde duidelijk te maken dat zulks toch niet de bedoeling was, maar de Japanse ging onverstoorbaar verder met filmen. Uiteindelijke hief de uitbaatster haar handen ten hemel en riep ‘ one Euro for a photo”. We gaven haar een duimpje en inmiddels was de Japanse haar standje al weer uit en kon ze er wel om lachen.

We vonden Boedapast verschrikkelijk schoon vergeleken bij onze eigen steden: nergens vind je een papiertje of een blikje op straat, heel af en toe kom je een uitgetrapte sigaret tegen. De brede boulevards deden ons denken aan de Parijse, inclusief de classicistische bebouwing. Zou Georges Haussmann, de stedebouwkundige van het Parijs van de 19e eeuw ook hier aan het werk zijn geweest?
We passeren de winkelgalerij Parisi Udvàr (hetgeen Parijse rechtbank betekent) maar waar nu een hotel in gevestigd is en op het Vörösmarty-plein staan we voor één van de oudste en beroemdste koffiehuizen in de stad, Gerbeaud Cukrászda.


Al meer dan anderhalve eeuw worden er koffie en heerlijke gebakjes geserveerd in een prachtig interieur met sprookjesachtige roodfluwelen zitjes. Het is slechts één van de beroemde koffiehuizen in Boedapest. Naast het serveren van koffie en gebak is er nog iets wat deze bars gemeen hebben: een mooi, weelderig interieur. De opkomst van de koffiehuizen vond vooral plaats in de tweede helft van de 19e eeuw. Een "kávéház" (koffiehuis) was toen een plaats waar kunstenaars, journalisten en rijke mensen elkaar ontmoetten om er allerhande onderwerpen te bespreken. Je zal meteen begrijpen waarom de koffiehuizen niet gedoogd werden door de communistische heersers die het land een groot deel van de 20e eeuw in een ijzeren greep hielden.


We slenterden voort, stopten even voor een Thaise lunch (’Padthai’) om daarna één van de meest bijzondere gebouwen van Boedapest te bezoeken: de Szent István Bazilika (Sint-Stefanusbasiliek). Hier vereren de Hongaren hun eerste christelijke koning. De bouw van deze kerk, de grootste van de stad, begon in 1851. József Hild zorgde voor het plan, maar het duurde meer dan een halve eeuw totdat de kerk klaar was. Waar je ook loopt in de stad, je hebt bijna van overal uitzicht op de 96 meter hoge koepel. In die koepel bevindt zich een uitkijkplatform op 65 meter hoogte vanwaar je een panoramisch uitzicht hebt over de stad. Om er te komen moet je meer dan 300 treden overwinnen, maar gelukkig is er ook een lift.


Het interieur is bijzonder mooi: weldadig, niet overdadig. Als je de basiliek binnenkomt via de massieve deur bij de hoofdingang (naast de toren), heb je een goed overzicht van het interieur. Boven het hoofdaltaar staat een beeld van de heilige koning. Links, in de Heilige Rechterhandkapel (Szent Jobb-kápolna), ligt een van de meest vereerde objecten van het land: de gemummificeerde onderarm van Szent István.


Drie bijzondere objecten van deze eerste dag willen we nog even benoemen. Het eerste is het Herdenkingsmonument voor Slachtoffers van de Duitse Bezetting dat in 2014 werd opgericht. Het is tamelijk controversieel. Officieel is het een herinnering aan de Duitse invasie van 19 maart 1944 en de daaropvolgende bezetting. Vergeet niet dat het Duitse nazi-regime en de Hongaarse regering in die tijd bondgenoten waren. Je herkent wellicht de aartsengel Gabriël, die Hongarije vertegenwoordigt, en door een Duitse adelaar werd aangevallen.

Aan de andere kant zijn er de altijd aanwezige bloemen en foto's van slachtoffers van de nazi's, geplaatst door mensen die hun vermoorde familieleden willen herdenken. Geef toe, het is een beetje vreemd: een monument dat officieel een inval en de daaropvolgende bezetting herdenkt in plaats van de slachtoffers.

Het tweede markante object is het Hongaarse Parlementsgebouw. Als je het Britse Parlement in Londen al eens zag, dan komt dat in Boedapest je beslist bekend voor. Het Hongaarse Parlement werd gebouwd tussen 1884 en 1902, naar een ontwerp van Imre Steindl dat sterk geïnspireerd was op het Britse voorbeeld. Het complex telt bijna 700 kamers waarvan de “Nationale Vergaderzaal” beschouwd wordt als de indrukwekkendste, maar de Koepelzaal en de grote Congreszaal moeten daarvoor weinig onderdoen. Opvallend aan de buitenzijde zijn de vele gevelspitsen die het gebouw een apart karakter bezorgen. Het gebouw behoort tot de fraaiste monumenten ter wereld en dat zegt natuurlijk al genoeg. Het is 268 meter lang, 118 meter breed en 27 meter hoog. De centrale koepel torent maar liefst 96 meter boven de stad uit. In totaal beslaat het Parlement ongeveer 1,8 hectare! Je kunt het alleen met een gids bezoeken en dat hebben we maar overgeslagen.


Het laatste bijzondere object van die dag was het kunstwerk van de schoenen op de kade van de Donau. Het is het gedenkteken ter nagedachtenis aan de Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de fascistische Arrow Cross-milities werden gedood. Het werd opgericht in 2005 en is het geesteskind van filmregisseur Can Togay en het werk van beeldhouwer Gyula Pauer. De Joden kregen de opdracht hun schoenen uit te trekken en werden aan de rand van het water neergeschoten, zodat ze in de rivier vielen. Deze installatie stelt hun achtergelaten schoenen voor, gegoten in ijzer, en brengt de wreedheden van die tijd terug naar de voorbijgangers. Je krijgt echt kippenvel als je er bij staat.


De tweede dag zijn we met de stadsbus naar het op de heuvels gelegen Buda gegaan (we hadden geen zin in honderden treden omhoog) en hebben als eerste de Matthiaskerk bezocht. Deze kerk draagt de naam van koning Matthias die in 1470 stierf. De zuidelijke toren van de kerk, de Matthiastoren, dateert uit die tijd en is 80 meter hoog. De belangrijkste werkzaamheden aan het gebouw begonnen al omstreeks 1255 onder de heerschappij van koning Béla IV. Vanaf 1541 hebben de Ottomanen de kerk omgebouwd tot een moskee en in 1686 kwamen de Habsburgers die op hun beurt grote schade veroorzaakten. De renovaties in het laatste kwart van de 19e eeuw werden in neogotische stijl voltrokken, maar die hebben niet lang standgehouden, want tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kerk opnieuw zeer zwaar beschadigd.


Het gebedshuis is nu prachtig verbouwd, met vooral aandacht voor het voormalige gotische gebouw. Opvallend zijn de kleurrijke geglazuurde dakpannen, een verwijzing naar de periode van koning Matthias. Een van de oudste delen van de huidige kerk is een reliëf uit de 14e eeuw waarop taferelen uit het leven van Maria afgebeeld worden. Je vindt het in het Maria-portaal, de grote ingang. Wees niet verbaasd als je ook de naam Nagyboldogasszony-templom (Onze-Lieve-Vrouwekerk) ziet opduiken, dat is de officiële naam. Voor de fans van koningin Elizabeth (Sissi: ) zij werd hier in 1867 tot koningin van Hongarije gekroond.


Na het bezoek aan de kerk hebben we in het Vissersbastion koffie gedronken en konden we genieten van het prachtige uitzicht over Pest, waarbij vooral het Parlamentsgebouw en de Dom prominent naar voren traden.

Daarna liepen we via het voormalige Koninklijk Paleis , waarvan een klein gedeelte nu als Presidentieel onderkomen in gebruik is, inclusief twee schildwachten, terug naar de Donau. Vlakbij de Dom zijn we neergestreken om te lunchen en kozen we voor een typisch Hongaars gerecht Magyar Lángos en het was heerlijk!


We wilden ook nog even een kijkje nemen in de beroemdste kroeg van Boedapest, Simple Kert, een oud pand, gedeeltelijk ruïne, die is omgebouwd tot hippe kroeg met trendy décor, maar helaas, na een wandeling van ruim een half uur kwamen we voor een gesloten deur.

Onderweg passeerden we ook nog de grootste synagoge van Europa. Ook hier kon je helaas alleen maar met een gids naar binnen en dat betekende voor ons een uur wachten en daar hadden we geen zin in, bovendien vonden we 25 euro per persoon entree aardig aan de prijs.


Daarna wat boodschappen gedaan en met de tram terug naar de camper.
Het waren twee prachtige dagen met mooi weer en we kunnen iedereen aanbevelen om Boedapest te bezoeken.
Morgen trekken we verder naar het buitenverblijf van Elizabeth en Karl Josef.

Camperen tussen de ezels

Donderdag 2 mei
Rond de klok van 9 uur waren we klaar om te vertrekken, we werden uitgezwaaid door de camping eigenaresse die we blij gemaakt hadden met een klein zakje stroopwafels en sleutelhanger met delftsblauwe klompjes. Vol trots liet ze een paar rode klompen zien die ze ooit van een Nederlandse gast gekregen had maar ze kon er echt niet op lopen zei ze. Na even te zijn gestopt bij de Lidll en een tankstation ( diesel kost hier ongeveer 1.60 euro) vertrokken we richting Tata een afstand van 85 km met een tussenstop in Pannonhalma waar een duizendjarige benedictijnse abdij staat die we wilden bezoeken.


Vanuit de verte kon je hem op een hoger gelegen heuvel zien liggen. Het klooster van de Benedictijnse Orde werd gesticht in 996 en speelde een belangrijke rol in de verspreiding van het christendom in middeleeuws Midden Europa. Tot op de dag van vandaag functioneert de gemeenschap van monniken hier nog steeds. Het complex bestaat uit een kloostercomplex, basiliek, onderwijsgebouwen, botanische en kruidentuinen. Wie meer over dit complex wil weten zal even moeten googelen wnt het heeft een lang geschiedenis. Vooral de bibliotheek was indrukwekkend en buiten had je een prachtig uitzicht over de omgeving.


Tegen twaalf uur vertrokken we voor de laatste 54 km waar we uiteindelijk ( dit wordt een vakantie van de lange adem😉) 2,5 uur over hebben gedaan. We kwamen op de snelweg in een file waar we zo’n 10 km ingezeten hebben, het ging van drie naar uiteindelijk 1 rijbaan en wat schetst onze verbazing er reed een kleine (formaat caddy) wegwerkersauto met drie mannen die een geel afzetlint aan het verwijderen waren van de weg. Je vraagt je werkelijk af waarom ze dat niet in de avond of vroege morgen kunnen doen. Wij hebben er in elk geval wel om moeten lachen zo komisch zag het eruit. Uiteindelijk arriveerden we om 14.30 op natuurcamping Farmunk, een 17 ha groot privegebied van jonge mensen die zelf graag kamperen in nomadische stijl. Het is gratis maar ze waarderen het als je iets van hun gerechten koopt. Het is een oase van rust en met een grote schommel in de treurwilg waan je, je weer even een kind.


De geiten, honden en ezel lopen gezellig met je mee en je hoort de hele dag de vogels fluiten, kikkers kwaken, de kleine bonte specht zat naast ons vrolijk te hakken in een boom en tegen de avond scheerden er gekleurde vogels over het meer, ze pikken de watervliegjes op en nestelen zich in de bomen.


Googelen vertelde dat het bijeneters zijn. Wij hebben heerlijk aan het water zitten genieten van deze rust. Na een goede nachtrust werden we wakker van de regen, die was gelukkig van korte duur zodat we later op de morgen konden gaan fietsen rond het Tatameer.

Tata (24.000 inwoners) staat bekend om zijn meren, bronnen en bezienswaardigheden. Het belangrijkste en oudste historische bouwwerk is de burcht met vier torens die door de Turken-oorlogen en later door de Habsburgse troepen werd verwoest. Het is nu een museum.


Wat opvalt zijn de gigantische grote en in alle kleuren irissen die overal staan. Ook tijdens het fietsen hoor je continu de vogels fluiten, jammer dat je dat in Nederland zo weinig meer hoort. Bij een lokaal eettentje langs de route gepauzeerd en als je dan 2 euro af moet rekenen voor een koffie en een latte wordt je toch helemaal blij.

Nadat we op deze 4e mei ons idyllisch plekje verlaten hadden liet ook de zon zich al snel weer zien. Onze bestemming was de aan de Donau gelegen stadscamping in Esztergom, een afstand van zo’n 75 km. Onderweg weer voor een paar dagen boodschappen gedaan en de keuze is reuze in de grote supermarkten. Ik heb bv nog nooit zoveel soorten en hoeveelheden toiletpapier in een winkel zien liggen.


We werden vriendelijk ontvangen op de camping, het is overal nog erg rustig en we staan hier met vier campers op een veld vol met madeliefjes, het is een prachtig gezicht, helaas zijn ze vandaag wel begonnen met het maaien maar wij hebben er in elk geval van kunnen genieten.


Na de lunch hebben we de wandelschoenen aan gedaan en zijn we de stad ingelopen. Esztergom ligt aan de Donau, de grensrivier met Slowakije en is één van de oudste steden van Hongarije. Sinds 1715 is het een bisschoppelijke hoofdstad en is de basiliek de grootste kerk van Hongarije. Hij werd naar het voorbeeld van de Sint Pieter in Rome tussen 1821 en 1856 gebouwd en heeft een lengte van 118 meter en is 72 meter hoog. Hij staat op een hoger gelegen gedeelte in de stad en we hebben heel wat trappen moeten beklimmen voor we boven waren ( en natuurlijk kwamen we er later achter dat er ook een andere weg naar boven liep, waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan 🙂 ) maar het was de moeite waard, de basiliek is prachtig.


Naast de basiliek staat het kasteel van Esztergom, meer dan vijf meter hoog met steile zijmuren. Het staat op de UNESCO Werelderfgoedlijst en er is een museum in gevestigd die de geschiedenis van Hongarije in de Middeleeuwen laat zien. Vanaf de muren van het kasteel heb je een prachtig uitzicht over de Donau. Wij hebben een terras opgezocht om onze dorst te lessen om daarna terug te wandelen naar de camping.


Morgen gaan we naar Boedapest en daar zullen we ook de aanvullemde foto's op onze foto-site zetten.

Truus is de weg kwijt

Zondagmorgen 28 april zijn we rond 9 uur vertrokken voor 2 lange etappes van ruim 500 km. We vertrekken bijna altijd op zondag als we door Duitsland moeten omdat er dan nagenoeg geen vrachtverkeer op de weg zit. Wel een flink oponthoud gehad bij Frankfurt wegens een ernstig ongeluk. Om half vijf kwamen we aan op de camperplaats in Neumarkt in der Oberpfalz, die op een speciaal stukje van het parkeerterrein van het ziekenhuis is gemaakt, zonder voorzieningen. We zijn even de stad in gelopen en het oude stadscentrum, dat in de Tweede Wereldoorlog volledig plat gebombardeerd is door de Geallieerden, is nadien in oude stijl volledig herbouwd. We hebben even de Duitse gastvrijheid geproefd op een Italiaans terras temidden van Polen en Oekrainers. In een klein kerkje werden we getrakteerd op een concert van jachthoorns. Het klonk als muziek in de oren.

De volgende dag vroeg op pad om Oostenrijk te doorkruisen; Bij Passau stuurde Truus (onze navigatie) ons net voor Passau van de snelweg af om ons vervolgens door de stad en langs de Donau verder te leiden. Op een gegeven moment de bergen in en toen we eenmaal boven waren toch maar even gestopt en Google Maps geraadpleegd. Vanaf dat moment hebben we Truus maar gelaten voor wat het was en zijn verder op de plaatsnaamborden naar Linz gereden en van daarop via de autosnelweg naar Wenen. Truus bleef ons bij elke afslag manen om van de snelweg af te gaan, terwijl in de voorkeuren toch echt snelwegen aangevinkt staat.
Rond 5 uur kwamen we aan op de camperplaats in Jahrnsdorf, vlakbij het drielandenpunt Oostenrijk - Slowakije - Hongarije. Daar toch maar even in de instellingen van Truus gekeken en uiteindelijk de oorzaak gevonden: vermijd Tolwegen stond aangevinkt. Nu zijn de Oostenrijkse autowegen tolvrij (behalve de Brennerpas e.d.) maar kennelijk vindt Truus dat als je een autobahn-vignet nodig hebt je dat als tol moet beschouwen. Oke, vermijd tolwegen uitgevinkt.
Helaas, de volgende dag stuurde Truus ons voor onze etappe van Jahrnsdorf naar Györ (65 km) op ongeveer 500 m voor de Hongaarse grens in Oostenrijk over de M1, de snelweg van Wenen naar Boedapest. Prompt een controle en omdat we maar voor 1 dag een autobahn-vignet hadden (het was immers de bedoeling om pas in Hongarije de autoweg op te duiken) konden we maar liefst even € 120,- aftikken voor een boete en dat was wel heel zuur.

Daarna verder gereden naar de camping in Györ, waar we ‘s middags niets meer deden: even wennen aan de warmte (stralend blauwe lucht en 25 gr ). Het is wel een heel internationaal gezelschap hier; er staan campers uit IJsland, Finland, Polen, België, Zwitserland, Slovenië, Italië, Duitsland, Hongarije en wij uit Nederland.

De volgende dag op de fiets naar Györ, een stad van 120.000 inwoners, waar we door de buitenwijken naar het centrum fietsen. We hebben daar een paar uur rondgeslenterd in de voetsporen van een stadswandeling die door de lokale VVV is uitgezet. Opmerkelijk is de Basiliek van Györ, gewijd aan Maria Hemelvaart. Één en al goud wat er blinkt!!

Daarnaast is de stad een echte Barokstad; veel gebouwen zijn in die stijl opgetrokken en het Raadhuis is daar een mooi voorbeeld van. Het was op deze 1e mei, een feestdag in Hongarije, uiterst rustig in de stad; weinig verkeer en de meeste Hongaren gaan dan naar buiten, de natuur in om te picknicken met de familie. De winkels waren niet geopend, de terrassen wel en daar hebben we gebruik van gemaakt. Halverwege de middag waren we terug op de camping. Morgen reizen we verder.

We gaan naar het land van Viktor Orbán


Onze lange reis gaat dit jaar naar het 'buitenbeentje' van de Europese Unie, Hongarije, het land van Viktor Orbán, die sinds 2010 de Minister-President van het land is. Natuurlijk gaan wij niet voor Viktor naar Hongarije, maar voor zijn rijke geschiedenis, prachtige natuur en naar het schijnt heel vriendelijke mensen. Denk je aan Hongarije, dan zie je de eindeloze poesta voor je, een graslandschap met een hoog grondwaterpeil. Het woord is afgeleid van puszta in het Hongaars, hetgeen leegte betekent. Het Hongaars is ook een buitenbeentje in het talenlandschap van Europa: het behoort tot de Fins-Oegrische talen en is Europa binnen gekomen van achter de Oeral. Het Fins en het Hongaars mag dan wel tot dezelfde talenfamilie behoren, voor een Fin klinkt het Hongaars net zo onbekend als het voor ons klinkt. Wij hebben maar één leenwoord dat uit het Hongaars stamt. Onze koets (in het Spaanse Coche, Duits Kutsche, Engels Coach) komt van het voertuig dat kennelijk als eerste in Kocs (spreek uit koets) in Hongarije werd ontwikkeld en in Hongarije nog veel rond rijdt..


We maken een groot rondje, onderverdeeld in 18 etappes, beginnend in Györ in het Noord-Oosten, om in het noordelijk heuvelland/karstgebergte te blijven tot aan Aggletek dat op zo'n 200 km in vogelvlucht ligt van het drielandenpunt Slowakije-Hongarije-Oekraïne. Ondertussen doen we de steden Esztergom, Boedapest en Eger aan, bezoeken we het kunstenaarsdorp Szentendre, wanen we ons in de 17e eeuw in het dorp Hollókö (Ravensteen), bezoeken we het buitenverblijf van Sissi en nemen we ook een kijkje in Szenkút (het Lourdes van Hongarije waar Maria aan een herdersjongetje is verschenen).

Hollókö (Ravensteen)

Van Aggeletk gaan we naar het zuiden, verlaten we de heuvels en komen op de Poesta aan, waar we een afspraak hebben met de grootste stoeterij van Hongarije en dan vooral met de Puszta-Koetsiers. Als het goed is maken we een tochtje in zo'n kar/koets.


We steken vervolgens de vlakte over naar de steden Kecskemét en Szeged om dan via Pécs naar het Ballameer te gaan (Ballaton in het Hongaars). We eindigen onze rondreis in Sopron om daarna de grens met Oostenrijk weer over te steken.

Het buitenverblijf van Sissi en Keizer Franz Josef

A cool chap called Kelvin

Uitgezwaaid door onze gastvrouw van de B&B waar we mochten overnachten reden we tegen 9.00 weg uit Gretna Green. Af en toe viel er wat regen en de zon liet zich nog niet zien. Het was erg druk op de weg met dagjesmensen en het nadeel daarvan is dan dat je niet meteen ergens kunt stoppen waar je het mooi vindt. We kwamen langs een pittoresk stadje met een oude Romaanse brug waar we even koffie wilden drinken op de parkeerplaats en wandelen maar helaas stond de hele parkeerplaats vol met motoren die daar aan het pauzeren waren. Dan maar doorrijden en ergens op een parkeerstrook stoppen. Onze gastvrouw vertelde ons dat je in de omgeving van Halifax mooie wandelingen kunt maken dus hebben we daar in de buurt een camping gezocht en meteen via de telefoon gereserveerd .Net na de middag arriveerden we op de boerencamping Plane Trees Farm in Northowram. De gastheer zag ons blijkbaar al van ver aankomen want hij stond ons bij de smalle toegang al op te wachten.


Hij heeft vijf plaatsen en die zijn erg ruim bemeten met iedereen een eigen waterkraan en elektriciteit. Behalve douche’s zijn alle faciliteiten aanwezig. De zon liet zich weer zien dus zijn we lekker buiten gaan zitten. Na een poosje kwam er een Engelsman naar ons toe lopen die voor zijn caravan zat met zijn gin-tonic in de hand en stelde zich voor als Kelvin (57 en geoloog) Blijkbaar zat hij om een praatje verlegen want de rest van de middag heeft hij ons op smeuïge verhalen getrakteerd. Toen we op zijn naam reageerden met “Calvin” zoals in Calvin Klein, maakte hij de opmerking “neen, gelijk aan Kelvin, de natuurkundige, de ‘ontdekker’ van het absolute nulpunt (273? onder nul) ik ben dus de ‘cool chap’”. Op een gegeven moment begon het te regenen dus zijn we in de camper gaan zitten. Tegen een uur of 18.00 vond hij dat hij ons lang genoeg “ lastig” had gevallen en vertrok hij weer naar zijn caravan met uiteraard een zakje stroopwafels die hij kende uit Leiden waar hij een vriendin had wonen. De rest van de avond/nacht heeft het regelmatig geregend. Ons plan was om de dag erna met de bus naar Halifax te gaan maar gezien het wisselvallige weer en omdat we eigenlijk ook wel een dag gewoon niks wilden doen hebben we ons beperkt tot een wandeling in de omgeving; echt boeiend was dat niet want je liep nagenoeg constant op het voetpad naast het voorbij denderende verkeer.

Na de middag begon het weer te regenen en dat bleef het zo’n beetje de rest van de dag doen. Gezien het weer van de laatste dagen gaan we een paar dagen eerder naar huis richting de zon.

De volgende dag regende het onderweg af en toe. Onze stopplaats was Stamford op advies van Kelvin . Voor een nacht staan we op de parkeerplaats van de plaatselijke rugbyvereniging. We hebben de wandelschoenen aangedaan en zijn op verkenning gegaan.

Stamford is een klein stadje met Cotswold-achtige gebouwen van kalksteen. Het heeft een aantal middeleeuwse kerken waaronder de 16de-eeuwse St.Martin’s, helemaal in perpendicular-stijl (rechthoekig) met een opmerkelijk albasten monument voor lord Burghley en zijn familie.

William Cecil, 1e baron Burghley was achtereenvolgens secretaris van Edward VI en Maria I van Engeland en de belangrijkste adviseur van koningin Elisabeth I van Engeland. Hij speelde een belangrijke rol in de berechting in de berechting van koningin Maria I van Schotland. Hij liet Burghley House bouwen.


In het Stamford theater waar ook het toeristenbureau gevestigd was, zagen we een oude balzaal met bankjes langs de muur. (In films zie je daar dan de onaantrekkelijke “ muurbloempjes” op zitten)


Verder kwamen we langs een voormalig hospitaal dat eigenlijk nooit een hospitaal is geweest maar een armenhuis en een huis voor ouderen.


Na een paar uur zijn we terug gewandeld en we waren blij dat we het advies van Kelvin opgevolgd hadden. s Avonds was het een komen en gaan van auto’s want er was op het veld achter ons een voetbal en rugby training, er werden honden uitgelaten, kortom het leek of het halve dorp aanwezig was op het sportveld. Één vader kwam wel met een heel opmerkelijke auto zijn zoontje ophalen.


De volgende dag reden we tegen half 10 weg uit Stamford en we hadden besloten om een bezoek te brengen aan Canterbury want om nu vanaf een uur of 14.00 tot de volgende ochtend op een saaie parkeerplaats te gaan staan in Dover is ook niet echt aantrekkelijk.
Tegen 14.00 uur waren we op de camperplaats in Canterbury waar we op de heenweg ook hadden gestaan. Het ticket wat je toegang tot de slagboom gaf om het terrein op te komen was tevens een gratis busticket voor 6 personen om naar de stad te gaan. Op de heenweg kwamen we hier helaas te laat achter. Dus wandelschoenen weer aan en naar de bushalte, de bus vertrekt elke 8 min. En binnen 20 min. na aankomst waren we in de stad.

Canterbury heeft donkere tijden gekend in het verleden. Zo werd hier in 1170 in de kathedraal Thomas Becket vermoord en in 1942 werd de stad zwaar gebombardeerd door de Duitse V1. Wonderwel bleef de kathedraal, zetel van de bisschop van Canterbury en voornaamste kerk van Engeland , buiten schot. Het oude stadscentrum wordt grotendeels omsloten door de stadsmuur.
Acht eeuwen lang kwamen er door de West Gate ontelbare pelgrims de stad binnen en nog steeds vindt je er accommodaties en liefdadigheidsinstellingen die in de Middeleeuwen werden opgericht voor pelgrims.


Natuurlijk is de kathedraal het middelpunt van de stad waar toeristen massaal hier voor naar toe komen. Helaas stond een groot deel in de steigers omdat hij schoon gemaakt wordt. Wij bezochten hem al ooit in het verleden en vonden 38 euro toch wel aan de forse kant voor een bezoekje waar we al ooit geweest waren.

Wij zijn een poosje neergestreken op een terras om naar alle kleurrijke mensen te kijken die voorbij kwamen, zoals een oudere man die echt liep te paraderen door de winkelstraat. Heerlijk!


We zijn even de prachtige bibliotheek binnen gelopen al was de buitenkant veel mooier dan de gemoderniseerde binnenkant. Er zijn in de oude binnenstad nog veel prachtige huizen die de tand des tijds hebben weerstaan.


In de St Thomas kerk ( de enige katholieke kerk hier ) hebben we een paar kaarsjes aangemaakt voor degene die het op dit moment heel hard nodig hebben.


We kwamen ook langs een klein winkeltje waar heerlijk voedsel uitgestald lag; binnen vertelde de eigenaresse ons dat het japans fake-food was. Ze liet het ons voelen en ruiken en inderdaad: pure nep, maar wel heel knap gemaakt.


We hebben op ons dooie gemak door deze gezellige stad gewandeld en wat was het patatje lekker na zoveel weken. ;-)
Aan het einde van de middag weer met de bus terug. Morgen vroeg om 8.30 (Engelse tijd) maken we de oversteek dus dit is ons laatste verhaal van deze vakantie. De resterende foto’s zetten we thuis op de site want het internet gaat hier met een slakkengangetje.


We willen alle volgers bedanken voor jullie reactie’s en tot de volgende reis.

Limited Skye

We vertrekken weer op tijd en doen eerst even een paar boodschappen bij de Spar en achteraf was dat maar goed ook want bij het achteruit rijden op de parkeerplaats zagen we het laatste deel van de knalpijp liggen dat er afgevallen was, was dit onder het rijden gebeurd dan hadden we niet kunnen stoppen of omkeren. Het was een mooie route naar het eiland Skye maar meteen viel ons ook de grote drukte op qua toeristen. Heel veel touringcars reden af en aan.
Skye is het grootste eiland van de Binnen-Hebriden en wordt door velen gezien als het meest fascinerende eiland van Europa. Met zijn authentieke, ruwe en onbedorven heuvelachtige landschappen met kilometers kustlijn is het een Walhalla voor natuurfotografie.


In Slichagan vonden we een mooie natuurcamping met alle faciliteiten inclusief de schapen die er vrij rond lopen op het terrein.

s Middags hebben we een wandeling gemaakt en er passeerde ons een bestelbusje met jeugd die hun ondergoed (bh, slip, sokken) aan de buitenkant van het raam hadden opgehangen zodat het onderweg kon drogen. Hilarisch gewoon. Na de wandeling zijn we de whiskey bar binnen gelopen waar zo’n 400 verschillende whiskey’s te koop waren. Een glas Glenfiddich kostte slechts 17,50 euro. Wij hebben het maar bij een normaal drankje gehouden.


De rest van de middag hebben we vanuit onze stoel lekker in de zon zitten genieten van de prachtige omgeving. En Roland heeft het laatste deel van de uitlaat weer vast gemaakt aan de knalpijp
Moesten we in het begin nog lachen toen we mensen met muskietennetten over hun hoofd zagen lopen, nu verging het lachen ons heel snel want zo gauw je buiten kwam werd je belaagd door weer van die irritante beestjes. We hadden gelukkig ‘s morgens in de winkel Midgelotion gekocht en dat heb je in deze tijd ook echt wel nodig hier.

De volgende morgen waren we al vroeg op pad omdat we een wandeling wilden maken naar The Old Man of Storr en wil je in de buurt kunnen parkeren dan zul je op tijd moeten gaan. In Portree zagen we langs de kust mooie gekleurde huisjes liggen. Het doet mediteraan aan.

The Storr is een rotsachtige heuvel, gevormd door een aardverschuiving op het schiereiland Trottenmish van het eiland Skye. De steile wand contrasteert met de zachte glooiingen van het landschap. Er zijn leuke legende’s over deze rotsformatie en wie er meer van wil weten moet maar even een bezoekje brengen aan Google.


Helaas begon het te miezeren en was er laaghangende bewolking. Bij aankomst konden we The Old Man nog net zien maar toen we naar boven liepen en het harder begon te regenen verdween hij helemaal in de nevel. Wij besloten om onze wandeling af te breken omdat we nog een steil stuk naar boven moesten en dan met die regen ook weer naar beneden zagen we niet zitten. Later hoorden we van het stel uit Horst die we twee keer eerder al getroffen hadden en die wel helemaal naar boven zijn gelopen dat de afdaling een verschrikking was geweest. Dus blij dat we omgedraaid zijn. Helaas kregen we het extra slot van de zijdeur niet meer open dus even lichtelijke paniek want door de extra beveiligingen op de portierdeuren moeten we via die deur instappen. Gelukkig kon Roland wel bij de gereedschapskist en kreeg hij hem open (al is hij nu stuk) Door al die slechte wegen lijdt de camper best veel. Wij vervolgden onze weg naar Quiraing. Om hier te kunnen komen rij je over een slingerende weg met flinke stukken niet al te best wegdek langs groene heuvellandschappen en valleien.


Helaas boven aan gekomen was het weer nevelig dus ook hier viel er weinig te wandelen en daarom werd de afdaling weer snel ingezet. Het was overigens behoorlijk druk met toeristen op de top. Gelukkig was de weg naar beneden stukken beter dan de heenweg. Weliswaar grotendeels ook een Single Lane Track maar met een beter wegdek en voldoende ruimte voor passage’s. Gelukkig was het inmiddels wel alweer droog en konden we genieten van de prachtige omgeving.
In Dunvegan zijn we gestopt voor een bezoek aan het kasteel en zijn tuinen. Een op en top toeristische attractie, bussen reden af en aan.
Het kasteel is grotendeels 19e-eeuws victoriaans en is de zetel van clan MacLeod en gaat terug tot in de dertiende eeuw. In het kasteel mochten geen foto’s gemaakt worden maar lang leven het internet! Na het kasteel hebben we door de tuinen gewandeld en vooral de ommuurde tuin was erg mooi. Die kasteelheren vroeger woonden nog niet zo slecht. Jammer dat ze het zo druk hadden met vechten.


Van Dunvegan Castle reden we naar Fairy Pools, dat bekend staat als een van de meest betoverende plekken op Skye. We hebben de camper op de parkeerplaats achter gelaten en zijn aan de wandeling naar de watervallen begonnen. Erg hard stroomden ze niet omdat het ook hier al 2 maanden lang mooi weer is en weinig heeft geregend maar het moet gezegd de omgeving is prachtig en zou nog mooier zijn als er geen hordes toeristen zouden zijn maar ja…tenslotte zijn we zelf ook toeristen. De Japanners zijn massaal aanwezig op Skye en hebben het weer druk met poseren en selfie’s.
Eind van de middag waren we weer terug op de camping en hadden we het rondje Skye erop zitten. Het was de moeite waard al was het wel wat beperkt door de mist en laaghangende bewolking!

Onze volgende etappe bracht ons als eerste naar Eilean Donan Castle. En ook hier was het erg druk. De ligging van het kasteel is spectaculair op een eiland in het water en de ruige heuvels op de achtergrond. Het is ook een van de meest gefotografeerde kastelen van Schotland. Het is daarom ook niet gek dat het kasteel met enige regelmaat het decor is geweest voor films, zoals o.a Highlander, James Bond en Sherlock Holmes.


Hier kwamen we voor de derde keer het stel uit Horst (buurtgemeente) weer tegen en hebben we weer even gezellig staan kletsen alvorens we ieder ons weegs gingen. Wij bezochten het kasteel om daarna door te rijden naar Fort Augustus waar we op een mooie CP ons plekje voor de nacht vonden. De wandelschoenen gingen weer aan, want natuurlijk moest Loch Ness bezocht worden. Tot onze verbazing was het erg rustig aan het meer maar stonden de toeristen zich te vergapen bij de drie sluizen in het Caledonian Canal waar de boten doorheen moesten van en naar het Loch. Het monster hebben we niet gezien en na een poosje bij het meer hebben we een terras opgezocht om te kijken naar al die toeristen die massaal het in en uitgaan van de boten in de sluizen stonden te fotograferen.


Terug op de CP hebben we nog vrij lang buiten in de zon kunnen zitten.
De dag erna miezerde het toen we om 7.30 vertrokken. De reden van dit vroege vertrek was dat we naar het Glenfinnan Viaduct wilde waar twee keer per dag de stoomtrein “ The Jacobite” over het viaduct rijdt. En wil je een parkeerplaats hebben dan moet je minstens 1,5 uur van tevoren daar zijn. Dit viaduct is tussen 1897 en 1898 gebouwd en is 380 meter lang en bestaat uit 21 overspanningen, die tot 30 meter hoog reiken, wat een baanbrekende technische prestatie was in die tijd want het was een van de eerste grote betonbruggen. De spoorlijn was vroeger belangrijk voor de lokale visindustrie. Ook op dit viaduct zijn weer veel filmscènes opgenomen zoals enkele Harry Potter films waarin de Zweinsteinexpres een belangrijke rol speelt. Gewapend met paraplu en de irritante vliegjes negerend zagen we de oude stoomtrein over het viaduct rijden. Een mooi gezicht dat moet gezegd worden. Het mooiste uitzicht heb je als je de klim naar boven maakt, maar gezien het weer kozen wij toch maar weer voor veiligheid.


Omdat het bleef regenen besloten we wat verder te rijden dan de bedoeling was. Onze tocht ging door Glencoe Valley en was werkelijk schitterend. De diepe vallei en hoge bergen van Glencloe die zich in het adembenemende Lochaber Geopark in de Hooglanden bevinden, zijn eeuwen geleden uitgesleten door ijzige gletsjers en vulkanische ontploffingen.
We zijn gestopt in het dorpje Glencoe waar we na de lunch het streekmuseum bezochten. Roland moest nogal eens bukken om door de deur te kunnen, wat aangeeft dat de mensen in vroegere tijden veel kleiner waren. Het museum is een van de weinige nog bewaarde huizen uit het verleden. Niet echt heel bijzonder, maar leuk om even doorheen te lopen.


De weg door Glencoe leidt je door het hart van een oude vulkaan en is een van de mooiste gebieden in Schotland vonden wij. Wij hebben de avond en nacht doorgebracht op zo’n betoverende plek. Helaas ging de miezer over in regen en van de regen in stortregen maar dat heeft ook zijn charme want daardoor zag je meerdere watervalletjes van grote hoogte naar beneden kletteren. Of vanuit het niets komt er een laaghangende wolk voorbij drijven. Een magisch plekje.


Tot onze verbazing zagen we tegen 21.00 een bruidspaar met fotograaf aan komen lopen die daar in de stromende regen foto’s kwamen maken en ze hadden er nog lol in ook.
Het heeft de hele avond en nacht flink hard geregend en vanmorgen miezerde het weer. Dus dan maar kilometers maken met tussenstops op plaatsen waar we het mooi vonden. En je verveelt je geen moment, watervallen, steeds andere landschappen, het blijft prachtig. Rond de middag begon de zon weer te schijnen en zijn we gestopt in Geilston voor een bezoek aan een klassieke tuin gelegen aan de oevers van de Clyde. De ommuurde tuin dateert uit 1797 en wordt gedomineerd door een gigantische Wellingtonia-boom. De tuinen liggen helaas wat afgelegen en dat was misschien de reden dat wij de enige bezoekers waren.


Via de snelweg zijn we daarna naar de laatste plaats die we in Schotland bezoeken gereden nl. Gretna Green ofwel het Las Vegas van Schotland. Jaarlijks komen er zo’n 10.000 paartjes uit de hele wereld om hier te trouwen. De oorsprong van dit voor aanstaande bruidsparen zeer geliefde stadje ligt in het feit dat de Marriage Act uit 1754 die in Wales en Engeland werd ingevoerd, betekende dat je niet zonder toestemming van je ouders kon trouwen als je jonger was dan 21. Vandaag is die leeftijd verlaagd naar 18 jaar maar in Schotland kon (en kun) je legaal trouwen als je 16 bent. En omdat Gretna Green het eerste dorpje is over de grens, kennen veel jonge Engelse en Welshe stellen het goed.
Buiten dit feit viert de commercie er natuurlijk hoogtij. Wij troffen er ook twee bruidsparen aan al waren ze beide de leeftijd van 16 al ver gepasseerd. Het was leuk om er even rond te lopen.

We staan nu pal tegen het huis van vriendelijke schotten die een B&B runnen en 5 camperplaatsen hebben. Er wonen vier generaties waarvan overgrootmoeder van 101 genoeglijk op een bankje zat te genieten. Na een praatje met haar en haar dochter hebben we ze stroopwafels gegeven met een paar Delfts blauwe klompjes en daar waren ze erg mee in hun sas. En zo sluiten wij vier heerlijke weken in Schotland af en kijken we terug op een fantastisch mooi land met super vriendelijke en behulpzame mensen. Het was elke dag genieten.
Morgen rijden we Engeland weer in en zien we wel waar we stranden; de bedoeling was Liverpool maar helaas is daar morgen en de volgende dagen geen camperplek meer vrij.
We kunnen niet alles foto’s plaatsen want het internet is super traag dus die houden jullie tegoed.

Tha talamh torrach gu tuath

Donderdag 15 juni vervolgen we de Northern Coast 500 en was het de bedoeling om Dunnet Head te bezoeken. Dunnet Head is het meest noordelijke punt van het vasteland van Groot-Brittannië en van daaruit schijn je de prachtige zee kliffen te kunnen zien, evenals papegaaiduikers, alken, zeekoeten, stormvogels, drie-teen meeuwen, aalscholvers. Maar helaas, een paar kilometer voordat we deze uitstulping van de kust zouden bereiken werden we tegengehouden door wegwerkers. De weg was verderop afgesloten en we moesten bij hen omdraaien waar dat nog kon; de weg was inmiddels al Single Lane Track geworden: één rijstrook voor verkeer héén en terug met af en toe een passeer strook waarop je een camper onmogelijk kunt keren. Wij moeten het dus doen met dit voorproefje.


Ook onze volgend doel, Puffin Cove, zo’n 50 km verderop, moesten we noodgedwongen van ons lijstje schrappen: de parkeerplaats waar we eventueel ook de nacht op door zouden kunnen brengen was eveneens afgesloten! Daarop besloten we door te rijden naar Durness, de halteplaats van de volgende dag, waardoor we deze dag twee etappes uit ons routeboekje hebben afgelegd.
Het ruige, kale en vaak verlaten landschap dat we tot nu toe hebben gezien maakt bij Bettyhill in North West Sutherland plaats voor groene, heuvelachtige landschappen vol slingerende wegen. Vanaf hier zie je ook meer schapen op en langs de weg (ja je leest het goed, ook op de weg) en Schotse Hooglanders, waarnaast de weg ook veelal overgaat op een single track weg met passeer stroken om de paar 100 meter. Bettyhill zelf is niet zo’n heel bijzonder plaatsje en daar zijn we niet gestopt.
In Durness hebben we twee nachten op Camping Sango Sands gestaan waar we de was konden doen. Toen we de camper op de ons aangewezen plek hadden neergezet leek het wel of we midden in het programma “We zijn er bijna….”van Omroep Max terecht waren gekomen. We telden zo maar even 20 Nederlandse campers en caravans. Het bleek een groepsreis van de ACSI te zijn.
We hadden een prachtig uitzicht vanaf onze stek op de klif; het zeewater is ondanks de zomerse temperaturen al een paar weken echter behoorlijk koud, dus een frisse duik hebben we niet genomen. Janny zag ‘s morgens vroeg een dolfijn uit het water springen, maar dacht eerst dat het verbeelding was, totdat we op strand een informatiebord tegen kwamen waarop stond dat je hier dolfijnen zou kunnen zien.
Tegen zonsondergang keren papegaaiduikers terug naar de kliffen en vanaf de camping was er een route van ongeveer 3 km. Dus wandelschoenen aan maar al snel zijn we omgedraaid want het smalle pad liep vlak langs de klifrand en dat is niet prettig als je hoogtevrees hebt.


Zaterdag 17 juni , nu langs de Westkust van de Highlands naar het Zuiden. We waren al vroeg op pad om de grote drukte voor te zijn zodat je minder last van tegenliggers hebt en omdat onze overnachtingsplaats 130 km verderop lag en dan hoofdzakelijk via enkelsporige wegen; we hebben onze tegenliggers geteld: het was er gemiddeld één per twee kilometer, dus dat valt mee. En omdat iedereen hier erg anticiperend rijdt (je zult wel moeten) wordt er ruim te voren gestopt bij een passeer strook en geef je met lichtsignalen aan dat de ander mag doorrijden. Er zullen dan ook heel weinig ongelukken gebeuren op deze wegen en al helemaal als je bedenkt dat de maximum snelheid die je kunt rijden 50 km/u is (de toegestane snelheid is 97 km/u, 60 mijl per uur). Dan doe je toch al snel 3 uur over 130 km, maar niet getreurd: het uitzicht onderweg is fenomenaal en op een helling na van 25% kun je daar rustig van genieten.


Er zijn weinig bossen op de heuvels in de Highlands, de meeste heuvels zijn bedekt met heideplanten of met gras. Door de veelvuldige regenval blijven die heuvels ook groen en de Schotten zelf gebruiken daar de uitdrukking ‘Tha talamh torrach gu tuath’voor: waar het gras altijd groen is.
Bewonderenswaardig vinden wij de dappere mensen die op deze route op fietsvakantie zijn want er zit letterlijk geen vlak stuk in deze route. En het zijn beslist ook geen flauwe heuveltjes.

We zijn op Assynth Viewpoint en Drumbeg Viewpoint gestopt; dat is een tweede nadeel van die enkelsporige wegen zonder parkeerhavens: je kunt niet even stoppen om koffie te drinken, een boterham eten of foto’s te maken. Dat laatste probeert Janny dus maar onder het rijden te doen.


Uiteindelijk kwamen we aan op onze overnachtingsplek aan het Loch Assynth. Daar hebben we een wandeling gemaakt (voor hen die het willen weten het “Leitir Easaidh all-abilities” pad) langs twee meren. Onderweg viel ons het aantal meren dat we zagen al op; nu staat Finland bekend als het land van de duizend meren, maar volgens ons doet Schotland er echt niet voor onder. ‘s Avonds kregen we gezelschap van een paar duizend dondervliegjes, waarvan er enkele honderden de camper wisten binnen te dringen. De muggen-stekker bood hier uitkomst en de volgende morgen konden we ze allemaal bij elkaar vegen en naar buiten transporteren maar irritant waren ze wel.


Zondagmorgen ook vroeg weer op weg ( want we durfden amper de deur open te maken ivm al die vliegjes) om verder naar het zuiden af te zakken. We zagen onderweg een kudde grazende herten. Gelukkig was er een parkeerplaats vlakbij zodat we even terug konden lopen om te filmen en foto's te maken.


We zijn even gestopt bij Knockan Crag National Nature Reserve, dat bekend staat om zijn geologie. De wandeling hebben we na een 10 minuten afgebroken omdat langs een steile afgrond nu eenmaal niet Rolands favoriete bezigheid is. En het moet wel leuk blijven!


Via Gruinad Bay dat bekend staat om zijn roze strand en Ullapool, de stad waar Cruiseschepen aanmeren om hun gasten ook even aan de Highlands te laten snuffelen, maar waar wij de plaatselijke supermarkt even bezochten, kwamen we uiteindelijk aan bij Inverewe Gardens. Deze tuinen zijn al in de 19e eeuw aangelegd met soorten van over de hele wereld. Het is een paradijs van ongewone, zeldzame en wonderschone planten van Zuid-Afrika tot Canada, van Chili tot Noorwegen, maar ook van Schotse planten , gecreëerd in een ooit dorre wildernis. Het onderhoud kost 1 miljoen pond per jaar en vergt veel werk. We hebben er heerlijk gewandeld en genoten van alle bloemen en planten waarvan er een groot aantal ons niet bekend waren.

We staan nu op de camperplaats in het havenstadje Gailoch, van waaruit je op walvis-spotten kunt gaan naar de Hebriden. Sinds onze walvis-expeditie in Andenes in Noorwegen slaan we deze tochten over.

Het is vooral aan de westkant ontzettend druk met toeristen en dan vooral senioren (net als wij) en dan moet het hoogseizoen nog beginnen. En vooral heel veel Nederlanders. Je krijgt hier overigens bijna overal korting als je senior bent. Wat verder opvalt is het grote aantal honden dat mee op vakantie gaat en heel vaak twee of meer. Schotland is overigens erg hond vriendelijk want ze mogen bijna overal naar binnen, overal staan waterbakken en hangen er zakjes om de ontlasting op te ruimen, ze mogen zelfs mee de boot op bij een excursie zagen we. Of je de hond daar een plezier mee doet is natuurlijk een andere vraag.

Ze zijn hier ook heel erg met het milieu bezig. Langs de kade hier bv hebben de bewoners en met donatie´s een lange strook van pakweg 2 meter breed kleine tuintjes gemaakt met bloembakken en gezellige zitjes. Het nodigt mensen uit om te gaan zitten en een praatje te maken en het trekt insecten. Er hangt zelfs een grijper om eventueel afval op te ruimen. Zou mooi zijn als dat in Nederland ook zou kunnen.


Na een rustige nacht werden we wakker met regen en hebben we in verband met het weer besloten onze route te wijzigen. De bedoeling was om via Bealach na Bà (‘pas van het vee’), de hoogste pas van het Verenigd Koninkrijk, verder af te zakken maar het regende en de wolken bedekten al de toppen van de ons omliggende heuvels. Dat betekende dat ook deze pas volledig in de wolken gehuld zou zijn en om dan een helling van 26% stijging op te rijden is geen pretje. Bovendien, van een fenomenaal uitzicht dat je vanaf dat punt zou hebben is dan zeker geen sprake meer.

We zijn na een km of 10 even gestopt bij Victora Falls, zo genoemd naar Koningin Victoria die hier in 1877 op bezoek was. Het water dat langs de watervallen naar beneden tuimelt, komt van Beinn Eighe, het indrukwekkende grootste deel van de berg ten zuiden van Loch Maree. En zoals dat bij ons wel vaker het geval is liepen wij het moeilijkste en langste pad naar boven , het stond dan ook niet aangegeven.


Daarna maakten we (een km of 5 verderop) een wandeling door het Beinn Eighe National Nature Reserve. Dit natuurreservaat is het eerste reservaat dat in Engeland werd vastgesteld. Van een afstand zien de bleke puinhellingen op de berghelling eruit als kale sneeuwvelden, maar als je dichterbij komt, zul je versteld staan van de diversiteit aan dieren in het wild die in dit reservaat gedijen. Er zijn drie routes uitgezet van 8 uur, 4 uur en 1 uur. Die laatste klimt van 200 m hoogte naar 750 m en gaat grotendeels door het bos, dus die hebben we genomen. In de eerste 650 m van de klim ga je die 550 m omhoog, dus dat is echt klimmen; gelukkig hebben ze veel natuurlijke trapjes gemaakt met rotsblokken, dus het pikhouweel en touw konden in de camper blijven (grapje). Bij Victoria Falls kwamen we een stel Nederlanders tegen die nog aan hun wandeling moesten beginnen en toen we hen zeiden dat het maar een klein stukje lopen was, maakte hij die opmerking. Datzelfde stel kwamen we nu weer tegen en ze bleken uit Horst te komen; eigenlijk heel gek dat je midden in Schotland mensen uit je eigen regio tegen komt.


Vervolgens hebben we de 50 km afgelegd naar Lochcarron waar we, na een klein steil klimmetje, nu op een camping staan die een Schot van zijn achtertuin heeft gemaakt. Hij is een heel vriendelijk en spraakzaam baasje. Het weer is inmiddels gewoon Schots geworden dus de regen plenst. Maar na drie weken prachtig weer mogen we beslist niet klagen. (als het morgen dan maar weer droog is!! )