Met de camper naar .....

Les jeux sont faits

De teerling is geworpen, de keuze is bepaald: we gaan naar Frankrijk in de zomer 2020. En deze keer bezoeken we die streken die we bijna altijd links (of rechts) hebben laten liggen en de steden die we tot op vandaag altijd nog gemeden hebben, maar er wel vaak langs (of door) hebben gereden. De grotere steden zijn Orléans, Tours, Beaune en Dijon; die passeerden we vaak op weg naar het diepere Zuiden, maar deze keer stoppen we daar dan ook echt. En omdat Sietske en Gijs met de kinderen deze keer  de Limousin hebben uitgekozen als vakantieregio gaan we een paar dagen bij hen “op bezoek” zodat zij samen onder andere in alle rust Oradour sur Glane kunnen bezoeken. Op de route naar deze 5 vaste punten liggen als een kralensnoer dorpen die onderdeel zijn van Les Plus Beaux Villages de France, de mooiste dorpen in Frankrijk. Deze organisatie laat sinds 1991 op basis van 30 criteria dorpen (maximaal 2000 inwoners) toe tot de lijst van Mooiste Dorpen in Frankrijk en inmiddels is de lijst gegroeid tot boven 150 dorpen. En nu we toch in Frankrijk zijn gaan we ook naar de streek van onze verre voorouders (Avesne voor Janny en Alsace voor Roland). Op de terugweg blijven we een dikke week hangen in het Groot Hertogdom Luxemburg, ook een gebied waar we normaliter alleen maar doorheen reden. Dit alles heeft tot de route geleid die je hieronder op de kaart ziet. Als je hier klikt opent deze route in een nieuw scherm en kun je tot op straat-niveau inzoomen; bovendien verschijnen dan alle bijzondere dorpjes, steden, bezienswaardigheden enzovoorts op de route.

Uit de lijst van de mooiste dorpjes wordt door de Franse TV-kijker sinds 2012 het meest gewaardeerde dorp van Frankrijk gekozen; dat is nog eens wat anders dan The Voice of Holland of Heel Holland Bakt. Als eerste viel die eer te beurt aan Saint-Cirq-Lapopie (Lot) (onderstaande foto van Simply Lapopie.) Dit dorpje is tevens ons meest zuidelijke puntje op onze route en voor ons een 'incontournable', iets dat je niet mag missen. 

Op 11, 12 of 13 augustus zoeken we een plekje vér van de grote stad om ‘s avonds naar vallende sterren te kunnen kijken. Op die dagen passeert de Aarde de baan van de komeet Swift-Tuttle die in zijn omwenteling om de zon van 133 jaar een spoor van gruis achterlaat. De steentjes vliegen dan onze dampkring in met een snelheid van bijna 250.000 km/u en staan bekend als de Perseïden. Het maximum (zo’n 85 meteoren per uur) ligt op 12 augustus 2020 om 20.00 uur maar omdat de zon dan nog niet onder is zul je daar weinig van zien. Na zonsondergang zul je op de drie genoemde dagen rond de 30 tot 50 meteoren per uur kunnen zien aan de Noord-Oostelijke hemel. Mocht het bewolkt zijn of je vindt geen donkere plek: troost je. Tot 12 dagen voor en na het maximum zijn incidenteel nog meteoren van deze zwerm te herkennen. Je hoeft er niet voor Frankrijk hoor, ook in Nederland kun je de Perseïden op die tijdstippen zien (als er niet al te veel horizon lichtvervuiling is in jouw buurt).

Tot slot nog een mededeling: Flickr, de site waar we onze aanvullende foto's op hebben gezet en dat tot voor kort nog onderdeel was van de Yahoo-groep heeft zich vorig jaar daar van los gemaakt en brengt nu een leuk bedrag in rekening als je meer dan 1000 foto's op hun site geplaatst hebt. Omdat wij daar vér over zitten (met zo'n dikke 8900 foto's op dit moment) hebben we alle foto's verplaatst naar onze eigen webruimte die we toch al hadden; voorlopig hoeven we ons geen zorgen te maken want er is nog ruimte voor zo'n 35.000 foto's. Ons Flickr-account is inmiddels opgeheven en de links hier rechts naar onze  fotoalbums zijn aangepast.

Brexit, terug naar huis......

Zondag stonden twee oude plaatsjes op het programma vooraleer we ons kamp in Dover zouden opmaken in afwachting van oversteek met de veerboot op maandagmorgen. Van Chiddingstone wordt gezegd dat het dorpje tot de mooiste van Kent behoort. Veel meer dan een rijtje van 10 vakwerk-huizen is het niet en het is er een drukte van belang. Blijkt er een of andere gebeurtenis te zijn in het kerkje en omdat er nauwelijks parkeerplaatsen zijn, staan de auto’s langs de weg (een berm is er ook niet).



Laverend tussen rijstrook en geparkeerde auto’s vinden we tenslotte ook een plekje voor de camper. Het dorp wordt al genoemd in 1072 en is in de 16e eeuw bekend geworden door Anne Boleyn, de tweede vrouw van Hendrik VIII, die uit Chiddingstone kwam en die later op bevel van de koning werd onthoofd. De familie viel daarna ook in ongenade en heeft in arren moede Chiddingstone (en het kasteel) verlaten. In de Tulip Tree Tea Room die wijd en zijd bekend staat om zijn gebak, hebben we een bakje koffie gedronken en daarna zijn we naar het kasteel gelopen. 

Dat is opengesteld voor het publiek maar wij konden ons inhouden om bij te dragen aan het onderhoud van het gebouw; heel veel bijzonders was het niet.



Via een aantal kleine weggetjes kwamen we weer op de provinciale weg en vervolgden wij onze route naar Rye in Oost Sussex. Rye, wat koren of raaigras(wat dat ook wezen mag) betekent in het Engels, staat bekend om zijn middeleeuwse straatjes (vooral Mermaid Street) met aanzienlijke koopmanswoningen. Ook hier viert de Engelse humor hoogtij in de benamingen, zoals : the House with the two frontdoors”, of nog leuker “the house opposite”, want elk huis ligt wel tegenover iets, nietwaar?



Ook wemelt het van de bordjes “private, no parking”, maar als je er al een auto neer zou zetten blokkeer je de hele straat daarmee, dus waarom het bordje er staat is ons een groot raadsel. De huizen stammen allemaal uit de 15e eeuw en zijn zo goed bewaard gebleven dat het lijkt of ze nog geen 60 jaar oud zijn in plaats van 600. Je loopt ook nog over kleine kasseien

Na en dik uur zijn we teruggelopen naar de camper om onze weg naar Dover te vervolgen.

Dat was helaas een mijl op zeven. Bij Ashford, zo’n  20 kilometer vóór Dover was de autosnelweg M20 geheel afgesloten en werden we omgeleid; de bordjes “diverted traffic” lieten ons echter rondjes draaien, nergens een aanduiding of een handwijzer naar Dover en de navigatie die ons elke keer weer naar de – afgesloten – M20 wilde leiden. In arren -moede dan maar naar Canterbury omdat vanaf daar de M2 naar Dover gaat. En zo kwamen via een omweg van ruim 20 km toch midden in Dover aan, op 5 autominuten van de terminal van de veerboot.

Omdat het al wat aan de late kant was besloten we om even langs de fish en chips te lopen en dat hadden we beter niet kunnen doen, het was echt niet te eten. De frites dik en niet gaar en de fish was vooral heel veel vet. Brrrrrrr..Na deze “maaltijd” nog door het centrum van Dover gewandeld om het e.e.a te laten zakken. We keken uit op het kasteel en vooral in de avond was dat een mooi gezicht.

We stonden maandagmorgen al vroeg op en kwamen ruim een uur te vroeg op de terminal aan; geen nood, we konden een uur eerder op de boot mee, zodat we halverwege de middag weer thuis waren.


Resumé:


In 6 weken Engeland, Schotland, Ierland en Wales hebben we in totaal bijna 5400 km afgelegd, hebben we op 7 campings en op 8 camperplaatsen gestaan, terwijl we daarnaast op 17 parkings overnacht hebben. Wat opvalt is hoe schoon het in Ierland is, ondanks dat je er bijna geen afvalbakken langs de straat vindt. In natuurparken zijn we op onze wandelingen veel bankjes tegen gekomen en waar je in Nederland daar dan steevast een prullenbak naast treft (met de rotzooi op de grond), ontbreekt die afvalbak in Ierland, maar zie je ook geen enkel bekertje, papiertje of leeg zakje op de grond liggen. De mensen houden hun land schoon en zelfs in de stad, in Kensale om precies te zijn, kwamen we een moeder tegen met haar twee kinderen die, gewapend met een grijpertje, de verdwaalde weggegooide sigarettenpeuk op raapten en in een vuilniszak deden.


Wat ook opvalt, is hoe “leeg” Ierland is: van de 5 miljoen inwoners op het eiland, dat ruim anderhalf keer zo groot is als Nederland, wonen er 1,5 miljoen in de grote steden (Dublin, Cork, Limmerick, Galway), waardoor het platteland naar verhouding nog tamelijk leeg is. Opvallend is daar het grote aantal schapen dat we onderweg hebben gezien en de vele hopen turf waarmee de inwoners hun huis warm stoken. De mensen zijn oprecht vriendelijk: het eerste wat je als begroeting, ook van bedienend personeel in een winkel hoort is “Hoe gaat het? “ Voor ons blijven de gastvrijheid en de pubs met live muziek en meezingende bezoekers voor altijd met Ierland verbonden.


Wij willen al onze volgers bedanken die virtueel met ons mee reisden en ook voor de leuke reactie’s via onze weblog en via de app.


Lieve groet Janny en Roland.

Van Bibury tot Salisbury

Gelukkig was het droog bij het opstaan en konden we zonder nat te worden alles opruimen, watertank vullen en toilet legen. Het was van korte duur want we waren nog geen 10 min. onderweg toen het begon te miezeren en dat deed het nog steeds toen we in Bibery aankwamen dus gewapend met regenjas en paraplu zijn we aan de wandel gegaan. Gelukkig konden we al heel snel de paraplu dichtmaken en kwam de zon tevoorschijn.


Bibury is een dorp in Gloucestershire met 627 inwoners. Het is gelegen aan de Coln, ongeveer 10,5 km ten noordoosten van Cirencester. Bibury ligt in de Cotswolds en wordt omschreven als het mooiste dorp in Engeland. Grote bekendheid geniet de Arlington Row: in deze honingkleurige 17de-eeuwse stenen huisjes met steil hellende daken woonden vroeger wevers. De doeken die zij maakten werden in de nabijgelegen Arlington Mill verwerkt tot vilt. Deze molen herbergt nu een streek- en landbouwmuseum en behoort sinds 23 januari 1952 tot werelderfgoed. De Arlington Row is afgebeeld in de Britse paspoorten en is nagebouwd in Mini-Europa in Brussel.

De rivier de Coln, die langs de hoofdstraat stroomt, zorgt voor de watervoorziening van een forellenkwekerij die jaarlijks ongeveer 10 miljoen regenboogforellen voortbrengt.
Het is tevens een geliefde locatie voor huwelijken in alle seizoenen.

Het is ook echt een prachtig idyllisch dorpje en we waren in elk geval weer voor de grote drukte daar want tegen de tijd dat wij terug liepen naar de camper waren er weer een aantal bussen met toeristen gearriveerd. (jahoor Inge ze waren er weer, met mondkapje en al ;-) )

Van Bibury naar Salisbury was het nog 95 km en hebben we nog één keer een bui gehad. Onderweg zagen we regelmatig de typische witte huisjes met rieten daken.

Rond de middag arriveerden we op de CP midden in de stad en zijn we op pad gegaan. Salisbury is een stad in het Engelse graafschap Wiltshire. De stad ligt aan de rivier de Avon en telt ongeveer 50.000 inwoners. Salisbury heeft een oud stadscentrum. De stad kent lichte industrie en is een belangrijk centrum van toerisme.
Wij bezochten de The Parish Church of St Thomas and St Edmund met zijn originele fresco’s. Deze parochiekerk werd gebouwd om degenen te dienen die aan de bouw van de grote kathedraal werkten in de jaren vanaf 1219. Hij was in de begin jaren deels van hout en na 1226 werd de kerk verbouwd en vervangen door steen. Bijzonder aan deze kerk is The Doom Painting. Doom in old Anglo-Saxon wil zeggen het laatste oordeel en dit is de grootste en best bewaarde in Europa, die op dit moment gerestaureerd wordt. In deze kerk vind je ook de grafsteen van Jane Eyre. (Niet het fictieve karakter maar de echte uit Salisbury)
Deze kerk is helaas een beetje een ondergeschoven kindje omdat de meeste toeristen alleen de kathedraal van Salisbury bezoeken maar zoals de inwoners zelf zeggen; Here is the quiet heart of the townsman’s town. Here is the place to end. En deze kerk is beslist de moeite van een bezoek waard.

De oude binnenstad oogt erg gezellig en gemoedelijk en er zijn legio gezellige terrassen waar je kunt genieten van eten of een drankje en ook wij hebben daar gretig gebruik van gemaakt omdat we volop wilden genieten van het mooie weer. We hadden al besloten om vandaag geen bezoek te gaan brengen aan Stonehenge wat net buiten de stad ligt. Het wordt dan haast werk en om dan zo’n 22,50 p.p te betalen voor een toegangsticket (excl. het openbaar vervoer om er te komen) om even naar die stenen te kunnen kijken vonden wij ietwat overdreven. Altijd een reden om nog eens terug te keren naar deze streek en Schotland staat ook nog op ons lijstje.
Bij het bureau voor Toerisme hebben we een plattegrond gehaald en kregen we meteen info van wat we beslist moesten gaan zien. Al wandelend door de stad kom je langs oude huizen met kleine tuintjes volop met bloeiende bloemen. We zien een 15e eeuwse Poultry Cross, dit blijkt een markeringspunt voor de markt te zijn.


We passeren het huis van Arundells, een monumentaal pand en de thuisbasis van Edward Heath, de voormalige premier van het Verenigd Koninkrijk, vanaf 1985 tot aan zijn dood in 2005. Via de North Gate lopen we naar de imposante kathedraal en heel even wanen we ons in de middeleeuwen toen we een wel heel bijzonder persoon zagen lopen.

De kathedraal van Salisbury, ( 1220 ) die 123 meter boven de stad die er omheen werd gebouwd uittorent, is bijzonder omdat hij in slechts 38 jaar werd gebouwd met gebruik van 60.000 ton steen, 2800 ton eikenhout en 420 ton lood. De torenspits is de hoogste van Groot Brittannië en weegt 6500 ton. Tevens heeft de kerk de grootste binnenplaats met kloostergangen en de koorbanken zijn de vroegst voltooide in het land. Daarom is de architectonische stijl vrijwel geheel van de vroege Engelse gotiek.
Bij binnenkomst in de kerk voel en zie je meteen de immense hoogte en grote van dit gebouw, het is overweldigend en we zijn blij dat we een plattegrond krijgen in het Nederlands. We zien de oudste nog werkende mechanische klok ter wereld uit 1386.


Natuurlijk bevinden zich hier ook talloze graven in de kerk van bekende (voor ons onbekende) personen. De eerste persoon die in deze kerk is begraven is William Longespeé (1226) halfbroer van koning Jan, en zijn adviseur tijdens de onderhandelingen over Magna Carta in 1215 waarover straks meer.


Vlakbij de 106 koorbanken (1236) staat het ‘katheder”, de zetel van de bisschop die toezicht houdt op de kerkgemeenschappen van het diocees van Salisbury, waartoe het merendeel van Wiltshire en Dorset behoort. Het hoogaltaar is het hart van de kathedraal.

Ter gelegenheid van het 750-jarig jubileum werd er in 2008 een gigantische doopvont (ontwerp William Pye) in de kerk geplaatst. Als je in het water kijkt zie je de weerspiegeling van de glas in lood ramen en de kerkbogen.


Nadat we een poos in de kerk rondgelopen hebben gaan we via de kloostergang naar het Kapittelhuis uit 1266. Dit werd gebruikt als vergaderplaats voor de deken en kapittel die op de zitplaatsen bij de muren in de zuilengangen zaten.
Nu bevindt zich hier het Magna Carta. De Magna Carta is het best bewaard gebleven exemplaar van de vier originele die uit juni 1215 dateren. Deze verzegelde documenten werden met een ganzenpen in het Latijn geschreven op behandelde dierenhuid (perkament) en werden door het hele land verspreid nadat de oorkonde aan koning Jan was opgedrongen door baronnen die het niet eens waren met de manier waarop hij Engeland regeerde.


Magna Carta benadrukte dat iedereen, zelfs de koning, het volk rechtvaardig moest behandelen en dat niemand boven de wet stond. De oorkonde bevatte clausules over uiteenlopende onderwerpen.
Koning Jan verwierp de Magna Carta nog in hetzelfde jaar en stierf kort daarna. De oorkonde werd heringevoerd in de naam van zijn negenjarige zoon Hendrik III, waarmee werd verzekerd dat het document bewaard bleef en door opvolgende vorsten hooggehouden.
De clausules over sociale rechtvaardigheid zijn vandaag de dag nog even relevant als in 1215. Hij was de inspiratie voor de Verklaring van de Rechten van de Mens van de V.N. en de grondwetten van vele andere democratische landen. Daarom werden de vier originele exemplaren van de Magna Carta in 2009 in het UNESCO Memory of the World Register opgenomen.
Onder toezicht kon het origineel bekeken worden en er mocht niet gefilmd of gefotografeerd worden. Hij bevindt zich onder kogelwerend glas nadat een of andere onverlaat ooit geprobeerd heeft om met een hamer het glas stuk te slaan en het document te stelen, wat dus niet gelukt is.


Nu hebben wij tijdens al onze reizen al heel veel kerken en kathedralen gezien maar deze heeft in elk geval een onuitwisbare indruk op ons achter gelaten.
Na deze bezichtiging hebben we nog verder door de stad geslenterd en o.a een winkel bezocht waar men de alom bekende fudge die je overal in Engeland tegen komt gemaakt werd. We hebben de verleiding kunnen weer staan om fudge te kopen gezien de hoeveelheid suiker die het bevat.


Deze stad heeft ons in elk geval verrast, het is in wat ons betreft een aanrader om eens te bezoeken als je in de buurt bent. Ondanks dat hij erg in trek is bij toeristen viel het qua drukte wel mee.
De belevenissen van vandaag en morgen worden geplaatst als we weer thuis zijn omdat we niet aan een stroompaal staan nu.

Inmiddels staan de aanvullende foto's op Flickr, Album Ierland 06.

Van onuitsprekelijk tot uitgesproken mooi

Dinsdag waren we, na een tankbeurt en een gasfles-wissel, ruim op tijd op de terminal om ons in te schepen voor de 3,5 uur durende overtocht over de Ierse Zee van Dublin naar Holyhead in Wales.  Onze veerboot vertrok pas om 14.50 uur volgens schema en omdat wij als eerste voor het hek stonden kwam onze camper ook helemaal op de voorplecht terecht en stond die vrolijk in de zeewind en in de zon, die af en toe scheen. Het is een bedrijvigheid van jewelste, als je het komen en gaan van al dat verkeer ziet op zo’n  ferry. Wij hebben ons 3,5 uur onledig gehouden met de krant en een boek.

Van Holyhead uit was het nog 35 km naar Bangor waar we zouden overnachten en dat ging via de plaats met de mooie Welsh-naam met als betekenis “De kerk van de Heilige Maria in de holte van de witte hazelaar in de buurt van een snelle draaikolk en de kerk van St. Tysilio van de rode grot.” De plaatsnaam is Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch en als je het Welsh niet machtig bent is het niet uit te spreken. Vroeger was een treinkaartje naar dit kleine plaatsje in Wales razend populair omdat de langste plaatsnaam van Europa volledig op het daardoor heel lange treinkaartje stond. Toen British Rail besloot om de naam in te korten tot Llanfair P.C. bleven de toeristen weg en sindsdien lijdt het station (en de plaats zelf) een kwijnend bestaan. Misschien uit protest hebben de inwoners de volledige plaatsnaam nog steeds aan het stationsgebouw laten hangen!

De camperplaats in Bangor was op een terrein met allemaal kantoorgebouwen en zonder verdere voorzieningen. Het heeft de hele nacht geregend en dat zou het ook voor de rest van de morgen blijven doen, zodat we weer vroeg op pad gingen. Jammer van het weer want daardoor hebben we weinig echt kunnen zien van het Snowdonian National Park, het park rond de hoogste berg van het Wales met zijn 1085 m. De donkere regenwolken ontnamen ons veelal het zicht.

Aan het begin van de middag arriveerden we in Knighton, bekend om zijn klokkentoren, maar meer nog omdat die als enige plaats op Offa’s Dyk ligt.

Offa was in de 8e eeuw de koning van Mercia (het latere Engeland) en liet, in navolging van de Romeinse keizer Hadrianus, een dijk bouwen tussen zijn rijk en dat van de Kelten (Wales dus) om die nare Kelten buiten de deur te houden. Het is een enorme aarden wal tussen Engeland en Wales die loopt van de monding van de rivier de Dee in het noorden tot de rivier de Wye in het zuiden (ongeveer 240 km lang). De dijk is onderbroken op plaatsen waar er al natuurlijke barrières zijn, hierdoor is de 'werkelijke' lengte slechts 130 km. Op sommige plaatsen is de dijk 20 m breed (inclusief de greppels die er langs lopen) en 2,5 m hoog. De Muur van Hadrianus ligt in het Noorden van Engeland om de Engelsen te behoeden voor invallen door de woeste Schotten. Zouden Hadrianus en Offa een voorgevoel gehad hebben van de aankomende Brexit?

Donderdag 15 augustus trokken we verder door het mooie Wales om uiteindelijk aan te komen op een boerencamping, even buiten Chedworth, een kleine plaatsje middenin de Cotswolds. De Cotswolds is een streek in Centraal-Engeland met veel heuvels en ligt voor het grootste deel in het graafschap Gloucestershire. Het is een coulissenlandschap en de talrijke kleine dorpjes kenmerken zich door de gebruikte kalksteen voor muren en daken. Er wordt sinds eeuwen kalksteen uit de steengroeven gewonnen. Ik wil het niet kenschetsen als kneuterigheid ten top, hoewel dat wel toepasselijk zou kunnen zijn.

‘s Middags zijn we op de fiets naar Chedworth zelf gefietst en hebben een kleine dorpswandeling gemaakt; het weer, een stralend zonnetje en 20 graden, nodigde daar ook echt toe uit. Hier zie je wel dat de huisjes heel erg gewild zijn en daardoor ook naar alle waarschijnlijkheid schreeuwend duur. Alleen al de geparkeerde auto’s geven daar blijk van: Porche’s, Rovers, BMW’s uit het bovensegment zijn geen uitzondering. De huisjes zijn wel allemaal beschermde monumenten, maar dat geldt niet voor de binnenkant; daar kan de eigenaar profiteren  van alle geneugten van deze tijd.



Over de tweede dag op de camping kan ik erg kort zijn. Het regende toen we die morgen wakker werden en dat is het blijven doen de rest van de dag.  De veerboot Dover-Calais voor aanstaande maandag is inmiddels besproken en we hebben ons verder bezig gehouden met TV kijken (de Binck-bank Tour met Venray als finishplaats) en andere nutteloze bezigheden. Een ware rustdag dus.


Morgen, als het weer hopelijk een beetje meezit, naar Bibury, Stonehenge en een overnachting op de camperplaats in Salesbury.

De aanvullende foto’s staan vanavond op Flickr in het Album Ierland 06.

Dublin als afsluiter van ons rondje Ierland

Zaterdag 10 augustus scheen het ook in Ierland zwarte zaterdag te zijn, maar wij vonden het meer natte zaterdag. Omdat het maar bleef regenen zijn we nadat we de boodschappen hadden gedaan doorgereden naar camping Carnac Valley Tourist Caravan in Dublin en hebben we de bezienswaardigheden van die dag gelaten voor wat het is. De camping was grotendeels vol geboekt maar we konden nog wel een plek krijgen op het grasveld voor het toiletgebouw zonder stroom en dat is prima voor ons. De rest van de dag hebben we wat zitten lezen en tv gekeken. Gelukkig waren de weersvoorspellingen voor zondag en maandag droog weer. In de eerste instantie zouden we naar het centrum fietsen (11 km) maar de bus stopt voor de camping dus besloten we om het ons gemakkelijk te maken en ons lekker te laten brengen. Nu is er in Dublin natuurlijk erg veel te zien en te beleven dus beperken we ons tot hetgeen wij de moeite waard of gewoon leuk vonden.

Dublin is een stad met een rijke historie en een van de drukst bezochte hoofdsteden van Europa. Op een kleine oppervlakte vindt je de resten van Vikingen, middeleeuwse kathedralen en kerken, Georgian pleinen en diverse musea. Maar bovenal spelen muziek, pubs, literatuur en theater een belangrijke rol in het aanzien van de sfeer in Dublin. En ja….wij waren er weer op zondag dus niet alles was open en in de belangrijkste kerken waren diensten zodat je daar later naar terug moet. 

Zo bezochten we de St.Patrick’s Cathedral, de nationale kathedraal van de protestantse kerk van Ierland die in de volksmond “People’s Cathedral” wordt genoemd.  Hij is gebouwd op een christelijke plaats met een bron waar St.Patrick in 450 bekeerlingen zou hebben gedoopt.

De kerk is de langste middeleeuwse kerk van Ierland  en het schip met bewerkte zuilen laat de enorme afmetingen zien. Boven de bogen in het noordelijk transept hangen vlaggen ter herinnering aan de Ierse mannen en vrouwen die zijn gestorven in het Britse leger. Het koor is versierd met zwaarden , banniers en helmen. Ze staan voor de verschillende ridders van St.Patrick die tot 1869 in deze kerk werden ingehuldigd. Beroemd is ook het koperen graf (in de vloer) van satiricus Jonathan Swift en zijn geliefde vriendin Esther Johnson (of Stella.)  Swift vooral bekend door zijn boek Gullivers reizen was tevens priester en werd in 1713 benoemd tot zijn dood in 1745 als deken van deze kerk. De vele glas in loodramen dateren uit  de late 1800 of begin 1900.

In de kerk bevindt zich ook een deur met een gat erin. (Door of Reconciliation) Twee 15 e eeuwse graven hadden ruzie wat eindigde in een patstelling waarbij graaf Ormond zich verschanste in de kapittelzaal en de deur op slot deed. Graaf Kildare maakte een gat in de deur en stelde voor om elkaar de hand te schudden. Tja…zo simpel kan het zijn.

Wandelend door de stad maakten we kennis met Molly Malone.   Molly Malone is de naam van een Iers lied en de hoofdpersoon is een koopvrouw die vissen en zeevruchten verkocht in de straten van Dublin. Het lied, dat als officieuze volkslied van Dublin beschouwd wordt, is opgevoerd door vele artiesten, zoals Johnny Logan, U2, en The Dubliners . Wij troffen Molly met haar handkar met vis en zeevruchten samen met haar broer (theater groep) en ze vertolkte haar rol met verve. Ze wilde wel even op de plaat vastgelegd worden voor het nageslacht. Het was een leuke, spontane en hilarische ontmoeting. Later in de middag zagen we het standbeeld van Molly (geplaatst in 1988, het jaar waarin Dublin 1000 jaar bestond) in Grafton Street, één van de belangrijkste straten van de stad. 

In het prachtige Nationale museum (wat al een bezienswaardigheid op zich is) hebben we o.a een aantal gouden voorwerpen  uit de Bronstijd bekeken. Je hebt wel een paar dagen nodig om hier alles te bekijken en op je in te laten werken. 

Natuurlijk hebben we ook op zijn tijd een relax moment gehad en op advies van onze dochter Sietske bezochten we in de super gezellige wijk Temple Bar  de pub The Quays waar live muziek te horen was. Er was een gezellige sfeer. Iedereen klets met iedereen of staat te zingen en te dansen. Overigens hebben we op heel veel plaatsen even stil gestaan bij live muziek. Geen wonder dat de Ieren zo vriendelijk en goedlachs zijn. 

De Temple Bar is in de jaren 90 van een verwaarloosde buurt omgetoverd tot het populairste uitgaansgebied  van Dublin. De renovatie was een Europees proefproject dat mede door vele buitenlandse investeerders een groot succes genoemd mag worden. Je vindt er meer dan 150 pubs, bars en restaurantjes en ook al ben je geen kroegtijger dan is het toch de moeite om in deze gezellige buurt te vertoeven. Je hoort altijd wel ergens live muziek. 

Ben je de drukte even moe, dan vind je midden in de stad de groene oase van St.Stephen’s Green. Een prachtig park uit de 17e eeuw met standbeelden van beroemde Ieren zoals o.a James Joyce  en de dichter W.B. Yeats.

In het centrum kwamen we ook een groep Nederlands jongens tegen waarvan er een uitgedost was in een groen kostuum met een bord Free Hugs en dan weet je al dat er een vrijgezellenfeest gevierd wordt. Vooral voor de mannen is Dublin hier een perfecte locatie voor. 

Al met al hebben we zo’n 10 km door de stad gewandeld.

Vanmorgen zaten we om half 10 weer in de bus en het was aanmerkelijk minder druk dan gisteren.
We zijn als eerste naar het Trinity College gelopen, gisteren waren we hier ook al maar hadden we geen zin om uren in de rij te gaan staan. We hebben tickets gekocht bij een stand waar studenten en ex-studenten reguliere rondleidingen geven en dit is interessanter dan alleen een ticket kopen om het Book of  Kells en de oude bibliotheek te bekijken. 

Wij hadden in elk geval een enthousiaste dame die theaterkunsten had gestudeerd en in haar vakantie rondleidingen gaf en ze bracht het erg leuk en met veel humor. We hadden ook het geluk dat er een bijeenkomst gaande was van degene die een herexamen hadden gehad en nu net de uitslag kregen. Er ging dus bij het noemen van elke naam een flink gejoel en applaus op.

Het collegegeld bedraagt 3000 euro per jaar en er kunnen slechts 1500 van de 17.000 studenten op de campus wonen, er is dus een groot tekort aan woonruimte in Dublin. Een aantal jaren geleden is er een soort van studentenhuis gebouwd maar daar wil geen enkele student wonen omdat de huurprijs 1000 euro per maand is.

Het Trinity College werd in 1592 door Koningin Elizabeth 1 gesticht, op de plek waar een Augustijner klooster stond en was oorspronkelijk protestants omdat men bang was dat jonge protestanten wellicht in de ban zouden komen van het katholicisme op andere Europese universiteiten. Dit heeft nog tot 1970 voort geduurd..

Sinds de oprichting heeft het indrukwekkende alumni voortgebracht zoals o.a nobelprijswinnaar Samuel Beckett , Jonathan Swift, Bram Stoker, Oscar Wilde en de eerste vrouwelijke presidente van Ierland. 


De ingang van de Oude Bibliotheek is gebouwd tussen 1712 en 1732 en heeft een ruimte die 64 meter lang is, met twee rijen authentieke eiken boekenkasten met meer dan 200.000 boeken, marmeren borstbeelden van geleerden en de oudste harp van Ierland.

De boeken zijn zo gerangschikt dat de dikste boeken onder liggen en de studenten hebben inzage in deze boeken. Ze mogen de ruimte niet verlaten en moeten handschoenen dragen om een boek in te mogen kijken. Maar ja, je moet het boek dus wel gevonden krijgen: niet de titel of de auteur is het belangrijkste uitgangspunt, maar het gewicht. Het is in elk geval een indrukwekkend gezicht als je hier rondkijkt.

In een ruimte voor de bibliotheek bevindt zich het Book of Kells, een manuscript rond het jaar 800 gemaakt door de monniken van het eiland Iona in Schotland; het bevat de eerste vier evangeliën in het Latijn en is rijkelijk geïllustreerd met miniaturen. Volgens onze gids staat hij vol met fouten omdat indertijd jonge monniken tussen de 13 en 16 jaar dit manuscript overgeschreven hebben en hun latijn was niet zo bijster goed. Om de paar maanden worden er twee nieuwe pagina’s tentoongesteld dus je moet heel vaak terug komen en heel oud worden wil je het hele boek zien. 

Op het terrein staat ook een kapel (1798) en dit is de enige kapel in Ierland die door alle gezindten wordt gebruikt. Studenten mogen hier tot 5 jaar na hun afstuderen trouwen. (ik heb nog een half jaar de tijd om iemand te zoeken, dus ik moet opschieten aldus onze gids.!! ) En zo wist onze gids nog heel wat verhalen en te vertellen over deze gebouwen. Ook haar hebben we als dank weer een zakje met stroopwafels gegeven (wij moeten er tenslotte ook vanaf) en ze wist meteen wat het waren want de studenten die in Nederland zijn geweest zijn er dol op vertelde ze ons. Kortom wij hebben een paar aangename uren gehad bij het Trinity College.

De rest van de dag hebben we een ander gedeelte van de stad verkend met o.a  de Garden of Remembrance. Dit is een kleine  herdenkingstuin, aangelegd ter ere van iedereen die zijn leven liet in de strijd voor de Ierse vrijheid.. De tuin opende zijn poorten op de 50e verjaardag van de Paasopstand in 1966. Op de plek waar de tuin zich bevindt werden in 1916 verschillende leiders vastgehouden voordat ze naar de Kilmainham Gaol (gevangenis) werden gebracht. De vijver in de tuin heeft de vorm van een kruis en het mozaïk op de bodem symboliseert de vrede. Centraal staat het beeld “The Children of Lir”  (de mythe van de kinderen van koning Lir die veranderden in zwanen. De koning gaf het bevel dat geen enkele zwaan meer gedood mocht worden en die wet geldt heden ten dagen nog steeds)

Bovenstaande zijn een klein aantal van de bezienswaardigheden die we gezien hebben de afgelopen dagen in Dublin. We hebben  afgesloten met natuurlijk de bekende fish and chips die je minstens een keer gegeten moet hebben als je in Dublin bent. Dublin is in elk geval beslist de moeite waard om te bezoeken.

Morgenmiddag maken we de oversteek naar Engeland en zit onze rondreis door het mooie, vriendelijke en gastvrije Ierland erop. Wij zullen er met plezier aan terug denken.

De aanvullende foto's staan vanavond laat, maandag 12 augustus, in een nieuw Album Ierland 06 op Flickr.


Over Heksen, Bier en Kunst

Vanuit New Ross zijn we naar Wexford gereden, naar het Irish National Heritage Park. Hier is de geschiedenis nagebouwd van de bewoning van Ierland vanaf de eerste beschaafde bewoning na de laatste ijstijd, ongeveer 5000 jaar v. Chr, tot aan de middeleeuwen. Het park is aangelegd op een drooggelegd moerasgebied bij Ferrycarrig, iets ten noorden van Wexford. Het is heel mooi opgezet en je krijgt een heel goed idee van de levensomstandigheden in de oudheid.


Van jagers/verzamelaars via de eerste boeren en de intrede van het christendom kom je tenslotte bij de Anglo-Normandiers uit die in de 11e eeuw Ierland overheersten. Voor elke periode was een onderkomen nagebouwd, waar je daadwerkelijk in kunt. Overal rook je de kampvuurtjes, die door het personeel waren aangestoken (en ondertussen was je al de bordjes “no smoking after this point” bij de ingang al lang gepasseerd). Het is ook bijzonder geschikt voor jonge en oudere kinderen. De jongere kun je loslaten in een feëenbos en met de oudere kinderen kun je op jacht naar goud in een stromend riviertje. Aan dat laatste hebben wij ook meegedaan en dit was de oogst:


In zo’n 3 uur hebben we 6000 jaar aan ons voorbij zien gaan toen we besloten om door te rijden naar Graiguenamanagh (in het Iers An Graig an Manach) waar we op de parkeerplaats van de plaatselijke scouting de camper hebben neergezet. Het kleine dorpje valt op door de zeer smalle straatjes en één pand, bestierd door een Pakistaan waarvan de gevel heel letterlijk vol gehangen was met bloemen.


Oorspronkelijk lag het in de bedoeling om de volgende dag een fietstocht te maken van bijna 40 km langs het riviertje dat door het dorpje stroomt, maar omdat de route eigenlijk alleen maar heen en terug is over hetzelfde paadje en er verder niet meer te zien zou zijn dan water, vergeven van de wespen, en groene heuvels besloten we om dat voor gezien te houden en naar onze volgende halteplaats door te rijden: een camping aan de rand van Kilkenny.

Kilkenny waarvan gezegd wordt dat van alle steden in het binnenland van Ierland de mooiste is, is een oude stad die goed bewaard is gebleven. Hij is populair onder de jongeren en dan met name in het weekend wanneer menig vrijgezellen-feest wordt gevierd. Wij vallen met onze neus in de boter want van 8 augustus tot 18 augustus is er het jaarlijkse Art-festival. Nadat wij ons geïnstalleerd hadden en de was gedaan was (met de wasmachine en droger) zijn we op de fiets naar Kilkenny gereden. Bij het plaatselijke Toeristenbureau hebben we een stadsplattegrond gehaald met een toelichting op een kleine stadswandeling van bijna 5 kilometer, hoofdzakelijk over de Medieval Mile, het oudste gedeelte van de stad.


Af en toe moet je een klein steegje in om naar een bijzonder object te kunnen. In 1582 was er een Taveerne die je alleen kon bereiken door een Gat in de Muur. De Taveerne is er nog steeds, nu als Pub met de toepasselijke naam “Hole in the Wall”. We hebben ons even aan de bar genesteld om wat te drinken en we troffen daar een Nederlandse jongen uit Kerkdriel die al backpackend aan zijn laatste vakantiedagen bezig was en min of meer verbaasd was om Nederlanders tegen te komen. Van de vier barkrukken (die daar blijkbaar al decennia lang staan) en drie bezet was de pub eigenlijk vol. Tafeltjes en stoeltjes stonden buiten, binnen was daar geen plaats meer voor. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat zo’n kroegje in Nederland rendabel te houden is, maar in Ierland hebben ze dat in ieder geval al bijna 450 jaar lang vol gehouden.


En als je denkt dat die pub wel de oudste in Kilkenny zal zijn, mispoes! In de 13e eeuw leefde Alice Kyteler (1263 – na 1325) in Kilkenny die een herberg bestierde. Alice was driemaal getrouwd maar werd in 1323 beschuldigd van het vermoorden van haar eerste man en later ook van hekserij. Voordat ze echter daarvoor veroordeeld kon worden, had ze wijselijk het hazenpad gekozen en men neemt aan dat ze naar Engeland is gevlucht of misschien wel naar Vlaanderen, het land waar haar vader en moeder vandaan kwamen. Haar dienstmeid werd ook beschuldigd van hekserij en is op de brandstapel ter dood gebracht op 3 november 1324. Het verhaal is bijzonder goed gedocumenteerd omdat dit het allereerste proces wegens hekserij in Ierland was. De herberg van Kyteler bestaat nog steeds en heet nu Kytelers Inn. Daar wordt sinds 1710 Kytelers Ale uit de tap geschonken en het bier is sindsdien onveranderd gebleven (zegt men).


Halverwege de stadswandeling kom je aan bij Saint Canice’s Cathedral, gelegen op een heuvel van waaruit je een uitzicht hebt over het middeleeuwse stadscentrum. De kathedraal wordt geflankeerd door een nog veel oudere ronde toren, die je eigenlijk alleen in Ierland ziet (er is er nog één op het eiland Man en er zijn er twee in Schotland, de overige staan allemaal in Ierland).


Over de functie van deze ronde torens, allemaal stammend uit de 9e tot de 12e eeuw, was veel onduidelijkheid. De Engelsen dachten dat het wellicht uitkijktorens waren, om daarmee beter voorbereid te zijn op aanvallen van de Vikingen. Deze theorie werd pas in de 20e eeuw, na de onafhankelijkheid van Ierland (1921) onderuit gehaald. In het Iers heet zo’n toren ‘cloigtheach’ hetgeen klokkentoren betekent, maar ja, dat wisten de Engelsen niet die 650 jaar lang Ierland bezet hielden en helemaal niets op hadden met het Gaelic.

Dwalend langs de stalletjes van de kunstenaars, vanwege het Art Festival, zijn we aan het eind van de middag weer naar de fietsen gelopen. Omdat het morgen vooral zal regenen hebben we de overdekte activiteiten zoals het bezoek aan Kilkenny Castle en het Museum uitgesteld. Kunnen we dat morgen in alle rust doen.
De volgende dag ziet er erg triest uit: grijs en regen met buien die onophoudelijk overtrekken. Rond half tien klaarde het heel even op en daar hebben we gebruik van gemaakt om per fiets naar Kilkenny te gaan. We kwamen daar droog aan voor ons bezoek aan Kilkenny Castle.


Kilkenny Castle is gebouwd rond 1190 en is van ongeveer 1350 tot 1935 bewoond geweest door één familie: de machtige familie Butler. In 1935 werd het kasteel wegens de hoge onderhoudskosten door de laatste erfgenamen van het geslacht Butler voor de prijs van 50 Ierse ponden aan de staat verkocht.
Het kasteel heeft met zijn ronde torens en meters dikke muren ondanks de vele verbouwingen zijn middeleeuwse karakter behouden. De neogotische veranderingen uit de victoriaanse tijd zijn de opmerkelijkste en ook de indrukwekkendste wijzigingen. Het kasteel trekt talloze bezoekers maar op een regenachtige dag als deze valt dat gelukkig heel erg mee. Stonden de touringcar-bussen gisteren nog in slagorde opgesteld om hun reizigers op te halen dan wel af te leveren, vandaag zijn de bus parkeerplaatsen nagenoeg leeg en hoeven we niet in de rij aan te sluiten om ons kaartje (jawel, voor senioren – 60 plus – met korting zoals bijna overal in Ierland) te halen. We dwalen bijna 2 uur door het kasteel en zien de een na de andere kamer, ingericht volgens de 18e of 19e eeuw.


Hoogtepunten zijn onmiskenbaar de grote bibliotheek, de formele eetkamer met een gedekte tafel en houten lambrizering, maar de mooiste zaal is de Long Gallery, die rond 1820 is verbouwd om de kunstcollectie van de familie te kunnen laten pronken. Daar vind je ook een schilderij van Willem III (onze stadhouder en hun Koning) met zijn vrouw koningin Mary (overigens volle neef en nicht van elkaar en gehuwd op 15-jarige leeftijd, wat in die tijd niet ongebruikelijk was bij de hoge adel). Aan het eind hebben we in de Victoriaanse Keuken met de fornuizen en ovens nog opgesteld, onze lunch genoten.


Daarna hebben we een bezoekje gebracht aan het Medieval Museum, ondergebracht in de St. Mary Kerk die al sinds het midden van de vorige eeuw niet meer als zodanig in gebruik is. Dit museum gaat eigenlijk maar over één ding: de begraafcultuur in Ierland, door de eeuwen heen, maar toch kwamen we ook daar weer onze Stadhouder Willem III tegen met een door hem handgeschreven brief aan het stadsbestuur waarin hij Kilkenny weer onder protestant beheer plaatst, 2 weken na de Slag bij de Boyne.


Tot slot zijn we nog even terug gekeerd naar de Pub “A Hole in the Wall” of, beter gezegd, naar de ruimte boven de pub waar een schilder zat die meedeed aan het Art Festival en waar Janny gisteren een leuk gesprek heeft gehad met de vrouw van de schilder /artiest John O’Donoghue die weg is van de schilderijen van o.a Vincent van Gogh en ook in genealogie. Voor we op vakantie gingen had Janny wat zakjes gemaakt met kleine stroopwafels om eventueel cadeau te geven. We gingen terug om haar de typisch Nederlandse stroopwafels te geven en opnieuw leidde dit tot een aangenaam gesprek met de schilder en diens vrouw over Ierland en natuurlijk Nederland dat zij volgend jaar hopen te bezoeken.


Op de fiets terug kregen we één regenbui over ons heen dus helemaal droog hebben we het niet gehouden. Morgen gaan we naar de Wicklow Mountains en hopen we dat we de tuinen van Powerscourt House kunnen bezoeken zonder al te nat te worden; de verwachtingen zijn niet gunstig, maar in Ierland regent het bijna nooit een hele dag.

De aanvullende foto's staan vanavond laat op Flickr, Album Ierland 05.






De Grote Uittocht uit Ierland

Op korte afstand van Cork ligt het havenstadje Cobh op het Great Island, een van de drie grote eilanden in de haven van Cork. Cobh ligt tegen een heuvel met de mooie St.Coleman’s Cathedral.

De stad heeft door de geschiedenis heen al verschillende namen gehad. De eerste was Cove, naar de Cove of Cork ofwel de inham van Cork. In 1849 kreeg de stad na het bezoek van Queen Victoria de naam Queenstown. Toen Ierland in 1922 onafhankelijk werd kreeg de stad haar oorspronkelijke naam terug, maar dan in het Iers geschreven: Cobh; de uitspraak is als Cove.

De geschiedenis van Cobh heeft alles te maken met de grote emigratie van Ieren die vanuit deze haven vertrokken, in totaal zo’n 1,5 miljoen tegen 10 miljoen over geheel Ierland. Daarnaast is Cobh als laatste vertrekhaven van de Titanic bekend.

Nadat we in de haven op de camperplaats geparkeerd hadden zijn we het stadje in gelopen en een van de eerste bezienswaardigheden die we zagen was een standbeeld van Annie Moore en haar twee broers. 

Zij was de eerste emigrant ooit in Ellis Island toen het officieel geopend werd op 1 jan. 1892.  20 december en op 15 jarige leeftijd zeilden Annie en haar jongere broers vanaf  Cork Queenstown op de SS Nevada op het tussendek en kwamen 12 dagen later aan. Het standbeeld, waarvan een evenbeeld staat op Ellis Island, staat symbool voor alle Ieren die dezelfde weg hebben afgelegd.

Vervolgens hebben we een bezoek gebracht aan de Titanic Experience. We kregen allebei een toegangskaart in de vorm van een passagiersticket met naam. 

Roland was voor even John Flynn 42 jaar, een man met vrouw en zes kinderen die al een aantal jaren in Pittsburg U.S.A werkte in de metaalindustrie en in maart terug ging naar Ierland om zijn jongste zus te helpen op de boerderij. Onverwacht moest hij een maand later na een brief van zijn vrouw terug naar Amerika en hij kon alleen nog een derdeklas ticket boeken op de Titanic.  Janny kreeg het ticket van  Elisabeth Doyle 24 jaar die in 1911 tijdelijk naar Ierland terug ging om haar vader te verplegen. Om geld uit te sparen reisde ze derde klas i.p.v  2e klas zoals op de heenreis en dat heeft haar waarschijnlijk het leven gekost omdat bijna alle passagiers die derde klas reisden op de Titanic zijn omgekomen.

Op deze manier blijven de mensen die omgekomen zijn in herinneringen voort leven; heel bijzonder en het maakt het verhaal ook levendiger. Wel moet je het verhaal van de alom bekende Titanic film even vergeten want dat strookt grotendeels niet met de echte feiten. We kregen middels een gids een z.g rondleiding op de Titanic en die was enigszins teleurstellend. Er was een tweede en derde-klas kamer te zien zoals die er indertijd  uit zag en dat was het wel zo’n beetje afgezien van het verhaal dat afwisselend door de gids en de ‘kapitein” op een scherm werd verteld. Op de foto een tweede klas kajuit.

Wat ons nog wel is bijgebleven dat op de Titanic de passagiers derde klasse niet zelf hun voedsel voor onderweg hoefden mee te nemen, maar dat ze drie maaltijden per dag kregen, bereid door de keukens op het schip; de Titanic was het eerste schip waarop dit niet meer hoefde. Tot slot: een kaartje 2e klasse kostte 12 pond (omgerekend naar huidige waarde € 750,-) en een derde klas kaartje was 8 pond (€ 500,-)

Hierna hebben we een kleine klim gemaakt om de prachtige kerk te bekijken. Van daaruit heb je ook een prachtig uitzicht op de omgeving.

St. Colman's Cathedral is een architectonisch neogotisch meesterwerk en een belangrijk religieus bouwwerk dat hoog boven de straten van Cobh uitsteekt. Dit indrukwekkende monument dateert uit 1868 en de constructie ervan heeft ongeveer 47 jaar geduurd. Het heeft een Carrillon met 49 klokken en is de grootste in Ierland en het Verenigd Koninkrijk.

Omdat we toch wat meer wilden weten over de geschiedenis van Ierland en de emigratie zijn we naar het Cobh Heritage Centre gegaan. Hier scheepten we in als Danyell Gookin op het schip: The Flying Heart in 1620 en als Fr.Frank Browne op de Titanic in 1912.

In 1791 zeilde de “Queen” uit Cork haven. Ze was het eerste schip met 159 gevangenen die verscheept werden naar Australië. (daarvoor gingen ze naar Canada) Tussen 1791 en 1853 werden 30.000 mannen en 9.000 vrouwen verscheept als veroordeelden uit Ierland naar Australië. Hun misdrijven bestonden uit diefstal tot moord en de overheid  beschouwden verscheping  als een ideaal middel van het verwijderen van criminelen uit overbevolkte gevangenissen en deze te plaatsen in een land waar arbeiders nodig waren.

Sinds 1700 zijn er 9-10 miljoen Ieren geëmigreerd. Deze uittocht was het gevolg van armoede, misoogsten, het gebrek aan kansen, het systeem van het land en de grote hongersnood als gevolg van de mislukte en wijdverspreide aardappeloogst. Emigratie werd als enige kans gezien om te overleven.
In perspectief gezien, in 1840 had Ierland  8,5 miljoen inwoners en nu 4,8 miljoen.

Verder was er de geschiedenis te zien van o.a de Titanic en de Lusitania die op 7 mei 1915 op weg naar New York  met 1959 mensen aan boord door een torpedo van een Duitse U-boot tot zinken werd gebracht. 761 mensen werden gered.
Het was een boeiende dag en we zijn weer heel wat wijzer geworden over Ierland en zijn inwoners.


Vanmorgen, 6 augustus, was onze eerste stop in Waterford. Deze stad werd in 853 gesticht door de Vikingen en later uitgebouwd door de Anglo-Normandiërs en is de oudste stad van Ierland.

Het was en is een belangrijke havenstad en het hart van Waterford wordt gevormd door zijn wereldberoemde kristal fabrieken die sinds 1783 hier gevestigd zijn. Elke dag wordt er twee ton gesmolten kristal omgevormd tot de prachtigste creatie’s.



We hebben een stadswandeling gemaakt van 5 km en kwamen o.a langs het enorme stenen fort Reginald’s Tower vernoemd naar Ragnaal, de stichter van de stad. De onneembare, 3 m dikke muren schijnen de eerste te zijn in Ierland waarbij gebruikt is gemaakt van mortel: een primitieve specie van bloed, kalksteen, bont en modder.

Verder zagen we heel veel prachtige muurschilderingen die de grauwe huizen wat meer kleur geven.

Onze volgende en laatste stop van deze dag was New Ross waar we een kijkje hebben genomen op een waarheidsgetrouwe reproductie van het Dunbrody Famine Ship, een emigranten schip uit 1845.  En ook hier kregen we weer een ‘passenger ticket’ en gingen we terug in de tijd. Behalve de gids waren er ook figuranten aan boord die hun verhaal vertelden over hoe het er op zo’n schip aan toe ging.

Op het hoogtepunt van de hongersnood in 1847  waren er 313 passagiers aan boord en er waren vier eersteklas kajuiten, maar de prijs hiervoor was erg hoog dus de meeste zaten tweedeklas met een gezamenlijke ruimte en moesten de bedden gedeeld worden met soms wel 10 personen. 

Er heerste altijd volledige duisternis en er was 1 emmer voor iedereen om je behoefte te doen. Wassen kon ook niet dus je kunt je voorstellen hoe het na een tocht van 50 dagen daar geroken moet hebben. Koken moesten ze op het dek op een vuurkorf en ze kregen elke dag een half pond rijst, meel of haver en elke week 3,5 pond scheepsbeschuit want bij storm of slecht weer kon er op het dek niet gekookt worden. Het is dan ook begrijpelijk dat niet iedereen de reis overleefden en ze noemden deze schepen ook wel “doodskistschepen”.

Je kunt het je bijna niet voorstellen wat voor een ellende die mensen mee hebben moeten maken.

Na de indrukwekkende bezichtiging hebben we het bezoekerscentrum nog bezocht waar we heel veel bekende Amerikanen zagen die Ierse roots hebben zoals b.v  de Kennedy’s, Grace Kelly, Walt Disney,  Henry Ford (jawel, die van de auto’s) etc. etc.

Morgen bezoeken we het Irish Nationale Heritage park. De overige foto's van vandaag staan in het album Ierland 05 op Flickr.



Van Kerk te Koop tot Pride Parade

               

Slechts 40 km hebben we ons verplaatst om op onze volgende plek te komen. We waren dus al vroeg op de camping in Blarney en gezien het weer (regen) hebben we maar eerst  de was gedaan. Net na de middag hebben we de wandelschoenen aangedaan om naar de 3 km verderop gelegen Barney Castle met zijn 60 ha grote tuinen te lopen. Halverwege hebben we even moeten schuilen want de regen viel er met bakken uit. De regen ging over in miezeren dus toch maar besloten om verder te lopen.  


 

Van over de hele wereld komen bezoekers naar dit vervallen kasteel om de legendarische Blarney Stone of Eloquence  te zien. Het kussen van de steen is een eeuwenoude traditie; je schijnt er wonderbaarlijk welbespraakt van te worden. De steen bevindt zich hoog in de muur van het kasteel, onder de kantelen, en om hem te kussen moet je ver achterover hangen terwijl iemand je voeten vasthoudt. Wij vinden dat we al welbespraakt genoeg zijn  ;-) en hebben die vier verdiepingen die je omhoog moet klimmen (met een wachttijd van ongeveer 45 min) aan ons voorbij laten gaan. Bovendien het idee dat je op je rug achterover moet gaan liggen terwijl iemand je voeten vasthoudt om een steen te kussen waar Jan en Alleman al aan heeft zitten lebberen vonden wij al helemaal niks. ( één koortslip die maar niet over wil gaan is al voldoende voor dit moment). De foto is van internet geplukt zodat jullie een idee krijgen.



Van het kasteel zelf is alleen de toren over, die in 1446 door Dermot McCarthy is gebouwd. Het is een typische 15de-eeuwse burcht. Naast het kasteel ligt Badgers Cave, bedoeld als nood uitgang van het kasteel is deze ondergrondse uitgang 35 meter lang en slechts1.20 hoog. De vluchters moesten dus wel op handen en voeten de tunnel door, maar het is ze gelukt ten tijde van Cromwell die bijna alle Engelse middeleeuwse verdedigingswerken (hoofdzakelijk kastelen) heeft vernietigd.


.

Wij hebben vooral rond gelopen in de prachtige tuinen en uiteindelijk maar een klein gedeelte kunnen zien maar het was de moeite waard. Tot september zijn er ook diverse sculpturen te zien in een gedeelte van de tuin.




Op zondag 4 augustus scheen de zon in weerwil van de weersverwachting voor deze dag. Dus namen wij het besluit om met de fiets naar Cork te rijden, een tochtje van slechts 11 km maar wel eentje met een venijnig heuveltje er in. Om 10 uur ‘s morgens parkeerden we onze fietsen midden in het oude centrum en begonnen wij aan onze stadswandeling van 8 km waarbij die van de Take-a-Trip website als leidraad diende. Helaas, de eerste stop, een bezoek aan de Peter and Pail’s Cathedral moesten we uitstellen tot na de middag want de mis van 10 uur was net begonnen. En onze volgende stop was op zondag gesloten: The English Market. Het heeft niets met Engeland van doen, maar is een markt waar de traditionale Ierse gerechten zoals drisheen (een soort bloedworst) en pigs trotters (varkenspoten) te koop worden aangeboden.  Helaas dus, ook al dat ‘lekkers’ gaat aan onze neus voorbij.


De wandeling voert ons verder langs de bijzonderheden van de oude stad maar ook hier gold, helaas. De Corkenaren zijn bijzonder trots op hun stad, die ze liefdevol de ‘tweede hoofdstad’ van Ierland noemen. De stad ligt aan beide oevers van de rivier de Lee, is erg heuvelachtig maar dan heb je wel zo ongeveer alles gezegd. De stad komt grijs over, oogt wel heel rustig en de mensen zijn niet gehaast. De Highlights van de stad bestaan voornamelijk uit kerken en heel diep verscholen soms een kleine verrassing. Zoals de Murals in de Multon Lane, een heel klein doodlopend steegje tussen twee pubs in waar de vaten bier dan ook, naast de zakken vuilnis staan opgesteld. Anthony Ruby heeft de muurschilderingen gemaakt, gewijd aan de vrede en alle mensen, ‘behalve George Bush’ zo schreef hij er boven!



We passeren op Cork Parade het Nationaal Monument, dat de opstanden van 1789, 1803, 1848 en 1867 herdenkt. Het monument is op zich niet indrukwekkend,maar past misschien daarom wel uitstekend in het straatbeeld. Naast het monument waren mensen bezig met het ophangen van regenboogvlaggen en er stond een groot podium met het opschrift “Cork Pride”.  Aan een van de medewerkers vroegen we wanneer de Pride Parade begon. Het antwoord was om 2 uur ‘s middags, maar hij zei erbij dat ze in Cork helaas geen grachten hebben zoals in Amsterdam. We namen ons voor om rond die tijd hier weer terug te zijn.

Ook Cork heeft te lijden gehad van de verwoestingsdrang van Cromwell en de geloofsovertuiging met dito vervolging van de Anglicaan Hendrik VII. Er stond in Cork een grote abdij, gebouwd aan het eind van de 13e eeuw. Het heette de Red Abbey, vanwege de rode zandsteen die gebruikt werd voor de bouw van de abdij. Na het verbod op kloosters en de verjaging door de Engelsen van de monniken werd het klooster in gebruik genomen als suikerraffinaderij, maar het brandde in 1799 geheel af. Het enige dat nog resteert is de toren.


Via de Anglicaanse Saint FinBarre’s Cathedral, waar een gouden engel op de koepel staat waarvan de plaatselijke overlevering zegt dat die bij de aanvang van de apocalyps op zijn bugel blaast lopen we het Universiteitsterrein op. De route van de stadswandeling gaat door het universiteitspark naar het Fritzgerald Park aan de oevers van de Lee waar we de meest noordwestelijke uitgang moeten hebben om naar ons volgende doel te lopen: de oude gevangenis van Cork. Het zit niet mee vandaag: de zuidelijke ingang is open en na een 20 minuten naar het andere eind gelopen te hebben, komen we er daar achter dat de noordwestelijke poort met een groot hangslot is gesloten. Hetzelfde gold voor de andere uitgangen en dus moesten we dezelfde weg terug om via een omweg dan toch uiteindelijk via een aardige klim bij de gevangenis – de Cork City Goal – uit te komen. 

Met zijn mix van gotische en classistische architectuur lijkt hij meer op een kasteel dan een gevangenis. Maar laat je niet misleiden: binnen deze muren heeft in de laatste jaren van zijn bestaan een aantal van de meest geharde veteranen van de gewapende strijd tegen de Engelsen ingesloten gezeten. Nou ja ingesloten, op een koude nacht in 1923 knoopten maar liefst 42 gevangenen kleren en lakens aan elkaar en slopen ze over de muren naar  buiten, de nacht in!


De toegang tot het gevang is een kaartje met het opschrift “Gevangen nr 258312, veroordeeld tot een gevangenisstrafen een boete”. In de gevangenis krijg je een beeld van de leefomstandigheden aldaar in de 19e en 20e eeuw. Niet alleen geeft het een blik in de cellen, maar ook in de toegepaste lijfstraffen en ook de voltrokken executies (door ophanging en ook dat ging soms fout, zoals bij de allereerste executie in 1824, toen de galg zijn werk niet deed). 

Tegenwoordig klagen wij over de lage strafmaat; dat zullen ze in begin 1800 niet hebben gedaan. Zo is Mary-Ann Twohig veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens het stelen van een stofkap en enkele keukenbenodigdheden. Ondanks dat ze hoogzwanger was, werd ze naar de Goal overgebracht, waar ze tijdens haar gevangenschap is bevallen van een zoontje.

Ook konden we zelf ervaren, door in een cel te gaan staan met de deur gesloten wat voor een gevoel het moet geven om in zo’n kleine ruimte te moeten verblijven. Het was een boeiende rondgang en bezichtiging.

Wij daalden na het bezoek aan de gevangenis af, terug naar het oude centrum en kwamen onderweg een groot bord tegen de gevel van een kerk aan waarop stond : kerk te koop, wij waren daar zeer verbaasd over. 

Na de lunch zijn we richting het startpunt gelopen om getuige te kunnen zijn van de Cork Pride, de LGTB+ parade. Lang niet zo uitbundig en extreem als die van Amsterdam; een tamelijk gekuiste versie, laten we maar zeggen.


Onderweg op de fiets terug hebben we de eerste echte serieuze bui over ons heen gekregen en om 16.00 kwamen we druipend en wel weer op de camping. Gelukkig was het een paar uur later weer droog en zagen we de zon weer schijnen.

Morgen een heel klein stukje verder, naar Cobh, de haven(stad) van Cork waar we het Titanic Museum gaan bezoeken.

De aanvullende foto's staan op Flickr, Album Ierland 05.