Op weg naar Jan de Groot
We waren vroeg wakker en konden op tijd vertrekken vanuit Inverness naar Golspie (109 km) We laten nu de steden achter en gaan de Highlands in. De NC500 , ook wel “Route 66” van Schotland genoemd is een adembenemende 800 km lange weg die van nature de ruige kusten van de Noordelijke Hoog-landen volgt en maakt het tot de ultieme roadtrip voor degene die de schoonheid van Schotland willen ervaren. En je kijkt echt je ogen uit. Onze eerste stop was bij Glenn Fairy Falls voor een wandeling in een natuurreservaat. Je loopt stroomopwaarts over een pad wat langs een klein riviertje loopt om uiteindelijk bij een waterval uit te komen. De vallei is goed bebost met beuken, eiken, lijsterbessen, essen varens en sleutelbloemen.

Naast de waterval loopt het pad omhoog en kruist dan een steile helling waar je een tweede waterval ziet. Dit laatste stuk hebben wij niet gelopen omdat het behoorlijk drassig was van de flinke regenbui de dag ervoor. Dus zijn wij dezelfde route terug gelopen. Heel bijzonder was dat we ergens halverwege de route een paal met een metalen collectebus zagen staan waar gevraagd werd om een donatie om de natuur in stand te houden.


‘s Avonds hebben we nog een wandeling door het dorpje en langs de kust gemaakt.
De volgende ochtend stonden we om kwart voor 10 bij Dunrobin Castle dat vlakbij lag voor een bezichtiging. Het is het grootste kasteel van van Schotland in de noordelijke hooglanden met 189 kamers. Ook is het een van de oudste continue bewoonde huizen van GB , daterend uit het begin van de jaren 1300, de thuisbasis van de graven en later de hertogen van Sutherland. Het kasteel en zijn tuinen hebben veel weg van een Frans kasteel en werd tijdens WO 1 (hier de Grote Oorlog genoemd) gebruikt als marinehospitaal en van 1965 tot 1972 gebruikt als jongensinternaat.

Aan hetgeen er tentoongesteld werd kon je zien dat de Sutherlands op goede voet stonden met de koninklijke familie. Wij hebben zo’n twee uur alles bewonderd en het was de moeite waard. We hadden geluk dat we als eerste naar binnen konden want toen we het kasteel verlieten stonden er de nodige bussen en auto’s.


We vervolgen onze route en stoppen onderweg nog een keer bij een gasleverancier omdat we een lege gasfles hebben; helaas kon hij ons niet helpen maar was hij wel zo vriendelijk om een collega te bellen waar we morgen een gasfles op kunnen halen.

Omdat het nog redelijk vroeg was zijn we naar de camping gereden in John O’Groats (Jan de Groot dus), dit is het meest noordoostelijke plaatsje op het vasteland van Engeland. Het plaatsje is vernoemd naar Jan de Groot, een Nederlander die in 1496 het veerrecht tussen het vasteland van Schotland en de Orkney-eilanden kreeg van de koning van Schotland. Het plaatsje zelf doet je denken aan Volendam of Urk met vooral veel souvenir winkels. Hoe Jan de Groot hier ooit terecht is gekomen vertelt de geschiedenis niett. Vanaf de camping kijk je op de eilanden en op dit moment zien we de zon langzaam zakken boven de eilanden. En wederom was het vooral genieten van de natuur.

We komen nu in het dunst bevolkte gebied van Noord-Schotland, waar de internet-verbindingen slecht zijn. Dat is ook de reden voor dit korte verhaaltje met wat minder foto’s. Er gaan waarschijnlijk een paar dagen in met radio-stilte, dus als je even niets van ons hoort: don't panic.
Van vrolijke Schotten en een koddig duo
Vanaf Balmedie waar we de nacht hebben doorgebracht is het maar een klein eindje rijden naar Newburgh, het strand dat bekend staat om een grote zeehonden-kolonie. Nu is de weg naar de grote parkeerplaats in de duinen, dichtbij een golfbaan, alleen geschikt voor personenauto’s (verboden voor auto’s breder dan 2 m) en na enkele omzwervingen vonden we een geschikte plek om de camper te parkeren. Naar de duinen en het strand was het een paar honderd meter lopen.

De kolonie zeehonden is volgens de informatie op het bord bij de duinen zo’n 400 exemplaren groot en een aantal daarvan liggen op een eiland in de rivier de Ythan met vrij uitzicht op de Noordzee. Je kunt er daardoor ook niet te dicht bij komen en ze alleen maar vanaf een afstand bewonderen. Juist daardoor komen ze altijd terug en worden ze niet verjaagd door al te enthousiaste mensen.

Op ons programma voor deze dag stond ook nog de Bullers of Buchan. Dit is een ingestorte zeegrot en behoort tot een van de meest indrukwekkende geologische kenmerken van de kustlijn van Aberdeenshire. Aangekomen bij de Bullers of Buchan kijk je naar de 30 meter diepe kloof waar je de golven door de natuurlijke boog ziet razen. Het kliflandschap is hier spectaculair met vele soorten zeevogels zoals drieteen-meeuwen en zeekoeten en heel veel bloemen.

Aan het klifpad wonen ook mensen in oude visserswoningen: klein, zodat ze makkelijk warm te stoken zijn in de winter.
We hebben met één stel bewoners staan praten die ons nog een aantal tips gaven voor onze tocht over de kustlijn van de Highlands. Hij vroeg of we al Schotse lekkernijen hadden gehad en op ons antwoord dat we de Haggis nog moesten proberen, raadde hij aan om die niet in de supermarkt te kopen, maar bij een lokale slager. Ook moesten we de typische ‘butteries’ niet over slaan. Butteries, ook wel bekend als Rowies, zijn ontstaan in het noordoosten van Schotland als alternatief broodje voor vissers om op zee te eten. Een buttery kan de tand des tijds beter doorstaan dan brood en zit boordevol vet dat voldoende hoog is om de visser op de been te houden. Als je nog nooit een buttery hebt geprobeerd, het is een beetje een kruising tussen een broodje en een croissant, want ze zijn gemaakt met laagjes deeg en een mengsel van boter, reuzel en zout waardoor ze een schilferige textuur krijgen. Sommigen zeggen dat ze een beetje op een geplette croissant lijken. Het klinkt niet bijzonder aantrekkelijk, maar ze schijnen echt heerlijk te zijn en aan een halve heb je meer dan genoeg aldus de man. We zullen zijn goede raad opvolgen.
We hebben aan het begin van de middag onze camper neergezet op de camperplaats bij de Glenbuchty Cottage, vlakbij Fraserburgh of Fraserborough zoals de Schotten zeggen. De eigenaar was een uitgesproken vrolijke gast die met heel veel humor eerst de bezienswaardigheden in de directe omgeving uit de doeken heeft gedaan, daarna de veilige fietsroute aangegeven naar het 3 km verderop gelegen Fraserburgh en tenslotte passeerde ook nog zijn kijk op het British Imperium de revue. Hij vond het onvoorstelbaar dat ze uit de Europese Unie waren getreden: de laatste jaren zie je dat de maakindustrie geheel is weggevallen, alle grote automerken hebben hun fabrieken in Engeland al gesloten of zijn daarmee bezig en het enige dat Engeland nog heeft is de financiële sector, maar die achtte hij, mede door de digitalisering, ook geen lang leven meer beschoren. Hij vertelt vol humor over de ooit grote visservloot van Fraserburgh die de langostines en schelvissen leverden voor de Portugezen en de Spanjaarden, maar dat waren de Brexiteers gemakshalve even vergeten. Net zoals ze vergeten zijn waren dat de eerste bewoners van Engeland 35.000 jaar geleden eigenlijk Spanjaarden waren, dus hoezo een immigranten-probleem in de 21e eeuw? En over het onderwijs van de jeugd qua taal had hij geen goed woord over dus niet alleen in Nederland is dat een probleem. En passant deelde hij ook nog even mee dat hij 8 jaar geleden was gestopt met roken en drinken en van het geld wat hij toen overhield zijn huis heeft gebouwd.

We zijn daarna op de fiets gestapt om even naar Fraserburgh te gaan veel viel er niet te zien, behalve de ‘typisch’ grijze granieten woningen en kerken, een vuurtoren en een inderdaad rijke visservloot met enorm grote vissersboten. Lang hebben we er niet over gedaan en na een bezoek aan de supermarkt terug naar de camperplaats hebben we onze stoelen gepakt en zijn op de kustlijn gaan zitten. Hier konden we kijken naar een kolonie zeehonden (stuk of 40) die zich in de zon baadden, gelegen op de talrijke rotsblokken in zee.



De volgende etappe van iets meer dan 100 km naar Inverness hebben we op drie punten onderbroken voor een bezienswaardigheid. Als eerste Bow Fiddle Rock, een bijzondere 15 meter hoge rotsformatie in de zee waar je de plooien van de aardkorst prachtig kunt zien; het pad er naar toe was bezaaid met de geel-oranje gaspeldoorn die nu zijn laatste bloempjes laat vallen.

Als tweede bezienswaardigheid hebben we Brodie Castle bezocht. Dit kon alleen met een gids en daar hebben we geen spijt van gehad! Deze van beroep tuinman kon prachtig en vol typisch Schotse humor vertellen over ‘zijn’ kasteel en de bewoners, wier ego, naar zijn mening, ontzagwekkend groot was. De oudste aantekeningen van de familie Brody stammen uit de 11e eeuw en sinds de 13e eeuw woonden ze aantoonbaar op deze plaats.

De laatste ‘27th laird’ (de Schotse variant op de Engelse Lord) heeft het kasteel met de landerijen overgedragen aan de National Trust for Scotland omdat het onderhoud en vooral het behoud van het kasteel financieel niet meer te dragen was. Zou de familie het hebben behouden, dan zou het langzaam vervallen, zoals met veel oude kastelen in Schotland het geval is. De rijke inventaris (inclusief een aantal schilderijen van Ned. schilders) van het kasteel is onveranderd gebleven sinds 1824 en je waant je dus echt even 200 jaar terug in de tijd. We hebben een dik uur in het kasteel rond gewandeld en weten nu veel over de grootheidswaanzin en ego’s van de Brodies, die dan toch maar mede daardoor dit stulpje tot stand hebben gebracht.

Vlak vòòr Inverness hebben we even halt gehouden bij de Culloden Battlefield, waar op 16 april 1746 de laatste veldslag op Engelse/Schotse bodem plaatsvond tussen de 5000 Schotten onder aanvoering van Charles Stuart en de 7500 Engelsen onder aanvoering van de Hertog van Cumberland. Op één dag verloren 1600 Schotten het leven en de Hertog kreeg de bijnaam “the Butcher” omdat hij vervolgens alle vluchtelingen die hij maar te pakken kon krijgen liet onthoofden. Jaarlijks vindt hier op 16 april door de Schotten nog steeds een herdenking van deze slag plaats.


De volgende morgen hebben we, na een goede nachtrust, even Inverness verkend. De wandeling er naar toe liep via een prachtig park langs rivier de Ness. Ons viel het grote aantal honden op die de mensen hier hebben. Er hangen overal opruimzakjes en vuilnisbakken alleen voor hondenpoep. Schotten zijn zowiezo erg met het milieu bezig en het is dan ook erg schoon overal. En ja, de stadswandeling was kort. Tja, het is weliswaar de Hoofdstad van de Highlands, maar veel meer dan de Victoria-Market de katholieke St.Andrews kathedraal en het kasteel wat ivm renovatie gesloten was viel er weinig te zien.


Dus na de koffie op een van de weinige terrassen en wat boodschappen zijn we terug gelopen naar de camping waar we de rest van de dag hebben zitten genieten van het heerlijke weer. Het was 24 gr en dat is ongekend warm voor deze streek. Eind van de middag was er een flinke onweersbui.
Vanaf morgen gaan we de Highlands onveilig maken en is het bijna twee weken niets anders dan natuur wat de klok slaat!
Een Koninklijk Bezoek upside down
Het was aan de frisse kant toen we vanuit Edinburg vertrokken richting Braemar, een route van ongeveer 120 km maar met een aantal tussenstops. Wat ons de afgelopen dagen op viel was dat de Engelsen/Schotten er ondanks de frisse wind gekleed gaan alsof het 25-30 graden is. Of wij zijn “watjes” dat kan natuurlijk ook. Maar goed, na 45 km autoweg was dit voorlopig de laatste want vanaf nu zijn het secundaire wegen. Onze eerste stop was in Branklyn om de botanische tuin te bezoeken en daar hadden we ook meteen ons eerste benauwde momentje want de navigatie stuurde ons een omhooglopend en doodlopend straatje in. Ineens stonden we voor de ingang van de tuin maar helaas, we mochten daar niet parkeren. Omdraaien ging ook niet want er stonden aan weerszijde auto’s geparkeerd (van bewoners) dus dan maar achteruit naar beneden, dat was nog te doen maar het probleem was de haakse bocht achteruit de weg op en we zaten dus aan de verkeerde kant van de weg. Dus Janny de camper uit en dan denk je dat je goed kijkt maar er kwam toch een auto de bocht om en die was sneller bij ons dan wij erg in hadden. Gelukkig had hij ruimte genoeg om met een boog om ons heen te rijden maar het is wel even schrikken. Er wordt echt wel rekening gehouden met buitenlanders en de Schotten rijden anticiperend. Een paar honderd meter verder was een parkeerplaats dus ‘probleem opgelost’. Omdat we lid zijn van het National Trust for Scotland hoefden we geen entree te betalen. Het loont echt om hier voor je op vakantie gaat, lid van te worden want na een paar keer heb je dat bedrag er al uit.

Ook nu hebben we weer met bewondering genoten van alle bloeiende bloemen en planten en inmiddels scheen ook de zon weer.

Onze volgende stop was in Scone een km of 15 verderop. Hier ligt een kasteel met wederom tuinen.
Je zou kunnen zeggen dat Scone de geschiedenis van Schotland is. Nadat de Romeinen zich uiteindelijk achter de Muur van Hadrianus hadden terug getrokken werd Scone een belangrijk centrum van een Pictisch koninkrijk. Rond 830 werd Kenneth MacAlpine de eerste echte koning van Schotland er gekroond zittend op een steen, de Stone of Destiny. Deze steen werd in de loop der eeuwen zo belangrijk in de Schotse traditie, en zo nauw verbonden met de macht van de Schotse koningen, dat de Engelse koning Edward I hem in de 13e eeuw veroverde tijdens zijn talrijke pogingen om de Schotten te onderwerpen, en hem meenam naar Londen. Daar werd het geplaatst onder de officiële kroningsstoel in Westminster Abbey, zodat elke volgende koning of koningin werd gekroond terwijl ze op de Steen zaten.

Op eerste kerstdag 1950 stal een groep Schotse studenten de steen van onder de stoel en droeg hem terug naar Schotland. Het tumult over de diefstal - of de terugkeer van de steen naar zijn rechtmatige plaats als je wilt - was zodanig dat de regering er uiteindelijk mee instemde de steen permanent en legaal terug te geven aan Schotland. De originele steen wordt bewaard in Edinburgh Castle, en verlaat Edinburgh alleen als er weer een nieuwe kroning plaatsvindt zoals dit jaar bij Koning Charles III. Een exacte replica staat op Moot Hill, waar de echte Stone of Destiny zo lang heeft gestaan.
Misschien. Er is een intrigerende kanttekening bij het verhaal van de Stone of Destiny. Aanhoudende geruchten suggereren dat de Steen die Edward I veroverde niet de originele was, en dat toen de Schotten wisten dat de Engelsen zouden komen, ze de echte Stone of Destinty verborgen en vervingen door een valse Steen. Misschien is de replica in Scone wel de enige echte! Wat hiervan waar is zullen we nooit weten, maar ook ik acht de Schotten daar zeker toe in staat. Dus toch maar even een foto maken waar Janny op de steen zit.


Voor we naar onze eindbestemming Braemar rijden doen we eerst weer voor een dag of 4 de boodschappen en gooien we de tank weer vol want je weet nooit waar je het volgende tankstation tegen komt.



We vroegen of hij Queen Elisabeth weleens had ontmoet en hij zei dat de hele familie regelmatig in het dorp kwam maar dat dit voor de bewoners heel normaal was. Leuk om die verhalen te horen maar ook dat ze enthousiast zijn over de route die wij rijden. Terug bij de camper lekker in de zon gezeten met een wijntje en biertje en meteen tickets geboekt om Balmoral Castle te bezoeken want als je zo dicht in de buurt bent wil je het natuurlijk ook zien.
De volgende morgen scheen de zon volop toen we opstonden en het beloofde weer een mooie dag te worden. Voor 10.00 uur (opening tuinen en kasteel) stonden we aan de poort van het kasteel.

Prins Albert en koningin Victoria besloten in 1848 na een bezoek aan dit landgoed hier een huis te huren. Dat beviel zo goed dat ze het huis kochten en Prins Albert begon toen met het plannen van een nieuw huis op 100 meter afstand van het oude 16e-eeuwse huis. Victoria legde de eerste steen op 28 sept. 1853 en drie jaar later was het voltooid. Samen met Sandringham House in Nordfolk Engeland is dit privé-bezit van de koninklijke familie en maakt geen deel uit van het koninklijke erfgoed.


Via weer een mooie landelijke route reden wij naar het natuurgebied Burn O’Vat voor een wandeling. Ongeveer 16.000 jaar geleden was het gebied bedekt met gletsjerijs. Toen de ijskap begon te smelten door opwarming kwam er een vloedgolf aan rotsen en keien met het smeltwater mee. Men vermoedt dat een rots, afkomstig van de smeltwaterstroom, vast kwam te zitten in een kleine holte op de rivierbedding waardoor er kleine stroompjes in een spiraalvormige beweging omheen stroomde. Deze zorgde ervoor dat het bed onder de rots erodeerde waardoor er een kuil ontstond. De kuil staat plaatselijk bekend als ‘The Vat ‘en is 18 m breed en 13 m hoog.


Amazing Edinborough
Edinburgh , de hoofdstad van Schotland, is verreweg de meest bezochte (en vaak meest geliefde) Schotse stad, en met reden. De oude ‘New Town’ en de nóg oudere ‘Old Town’ barsten van de historische bezienswaardigheden, musea, leuke winkels, restaurants en pubs. In deze stad vind je écht voor ieder wat wils. Maar vooral ook heel veel winkels waar de schotse klederdracht met toebehoren te koop is, je vraagt je af of ze er van kunnen bestaan zoveel winkels zijn er.

We hadden de dag tevoren voor een bezoek aan Edinburgh Castle al online kaartjes geboekt voor half twee ‘s middags, dus we hadden nog een paar uur om een gedeelte van de stadswandeling te doen. Na 10 minuten bereikten we de Grassmarket, een historisch plein met een markant verleden. Het plein dateert oorspronkelijk uit de 14e eeuw, maar heeft zijn lugubere bekendheid vooral gekregen in de 17e en 18e eeuw toen hier de executies van de ter dood veroordeelden plaatsvonden. Sommige uitbaters spelen daar handig op in: zo zagen we een pub met de naam “The last Drop” een verwijzing naar de laatste druppel in de fles, maar ook de laatste gang door het klapluik onder de galg.

De bekendste, overigens maar ten dele geslaagde executie is die van Half-Hangit Maggie wil je die geschiedenis weten dan raden wij je aan om die op het internet op de zoeken. Tegenwoordig is de Grassmarket vooral bekend om zijn vele levendige pubs en restaurants met zitjes buiten.
Vanuit de Grassmarket steken we het pleintje over, gaan we de Cowgatehead op en komen we aan bij de de ingang van Greyfriars Kirkyard. Mary, Queen of Scots, gaf in 1562 toestemming om deze vroegere kloostertuin te gebruiken als begraafplaats. Hier liggen enkele bekende Schotten begraven, waaronder de vader van Sir Walter Scott, James Craig, de ontwerper van de New Town van Edinburgh en daarnaast nog andere spraakmakende monumenten zoals Martyr’s Monument, het monument van Sir George Mackenzie en het Duncan Ban MacIntyre’s Memorial. Met name het graf van Mackenzie leidt tot talloze spookverhalen over de 'Poltergeist' die nog steeds rondwaart rond zijn voormalige graf. Niet bang? Het kerkhof wordt daarom 's nachts bezocht door tal van spooktours.
Maar het bekendste graf is dat van Greyfriars Bobby, een loyale terriër die 14 jaar lang de wacht hield bij het graf van zijn baasje John Gray. Aan de hoofdingang van de begraafplaats is Bobby’s grafsteen te zien op de plek, waar zijn vermeende begraafplaats is te vinden. Het graf van het baasje John Gray bevindt zich dertig meter ten noorden van de ingang.

Als je vanaf Greyfriars Kirkyard terugloopt de Victoriastreet in om bij de Lawnmarket te komen zie je echt dat Edinburgh op verschillende niveaus is gebouwd: er loopt een straat voor de huizen langs maar het lijkt ook wel of er een straat over de daken loopt….. en dat is ook zo!

We zijn nog een klein stukje de Lawnmarket op gelopen tot aan de St. Giles Cathedral, eigenlijk de 'High Kirk', de belangrijkste gebedsplaats van de Kerk van Schotland in Edinburgh. Het gotische gebouw dateert uit de 14 de eeuw, maar werd zwaar gerestaureerd in de Victoriaanse periode. De opvallende kroonvormige spitstoren is een prominent herkenningspunt in de skyline van de stad. In de ‘kirk’ werden huwelijken en begrafenissen van tal van bekende Schotten gehouden. Ze is ook bekend om haar link met John Knox, die hier preekte en die je kunt vergelijken met Calvijn voor de Lage Landen. De 49 m hoge toren met zijn opmerkelijke, open ‘kroon’ is vermoedelijk het oudste nog bewaarde deel van de kerk. In het monumentale (en voor Schotse begrippen weinig sobere) interieur zijn de weelderig bewerkte koorbanken opvallend; ze zijn natuurlijk in de Schotse Kerk niet meer in gebruik en daarom verplaatst naar een voorheen in gebruik zijnde zij-altaar.

Omdat het middaguur inmiddels had geslagen zijn we langzaam terug gelopen om te gaan lunchen en op tijd bij Edinburh Castle te kunnen zijn. Edinburgh Castle, triomfantelijk gelegen op een 135 m hoge basaltrots als restant van een uitgedoofde vulkaan, is een ‘must’ voor elke toerist. Niet alleen vanwege zijn ligging en uitzichten, ook om zijn gebouwen en historische associaties.

Door de eeuwen heen heeft dit centrale bolwerk een belangrijke rol gespeeld in heel wat oorlogen, waaronder de Schotse Onafhankelijkheidsoorlogen en de Jacobitische Opstand van 1745. Het is de meest belegerde plek van Groot-Brittannië, en een van de vaakst aangevallen plekken ter wereld! Het kasteel dat je vandaag de dag ziet, dateert voor het grootste deel van na de Lange Belegering uit de 16 de eeuw, toen een groot deel van de vorige structuur verwoest werd, uitgezonderd de St Margaret’s Chapel (vroege 12 e eeuw), het oudste nog bestaande gebouw van Edinburgh.

We hebben even in de rij gestaan om de Schotse kroonjuwelen bewonderen en (sinds 1997) ook de befaamde ‘Stone of Destiny’, de steen waar sinds mensenheugenis de Schotse (later Britse) koningen op worden gekroond en onlangs dus ook Koning Charles. Sinds 1861 wordt er dagelijks om 13.00 uur een schot gelost uit een Half Moon Battery boven de ingang.

Deze Royal Mile wordt omzoomd door tal van voor het oude Edinburgh zeer karakteristieke 16e- en 17e-eeuwse woonkazernes, die voor een belangrijk deel rond een intiem binnenplein (‘close’ of ‘court’) zijn opgetrokken. Je moet af en toe echt zo’n smalle doorgang doorlopen om te zien welk eens moois daar achter verscholen ligt.

Halverwege de Royal Mile zijn we teruggekeerd naar Hanover Street waar we op de bus terug naar de camping stapten.
Woensdag 7 juni namen we rond tienen opnieuw de bus naar het centrum van Edinburgh om het resterende deel van de Royal Mile af te leggen. Vanaf de bushalte daar naar toe passeerden we het enorme monument voor Walter Scott. De immens populaire schrijver zit in marmer met zijn hond Maida onder een baldakijn. De 60 m hoge neogotische spits kan via 287 treden beklommen worden maar daar hebben we toch maar wijselijk van afgezien.
Op de grens van het oude Edinburgh en Canongate staat Het John Knox House; dit historische huis, gebouwd vanaf 1490, toont enkele interessante architecturale en decoratieve kenmerken. Hoewel het geassocieerd wordt met John Knox, een bekend protestants hervormer, woonde Knox eigenlijk in een huis op Warriston Close. Waarschijnlijk zou hij hier slechts enkele maanden verbleven hebben, tijdens het beleg van Edinburgh Castle, hoewel hij hier misschien wel gestorven is. Tegenwoordig is het ingericht als museum.

Een stukje verder zien we enigszins verscholen achter straatgevels de White Horse Close, een fotogeniek hofje met 17e-eeuwse huizen. De gelijknamige herberg, waar de postkoets naar Londen vertrok, is verdwenen, maar het in 1965 gerestaureerde complex ademt desondanks de sfeer van intieme historiciteit. We zijn wel benieuwd hoe vaak dit hofje als decor heeft gediend voor een historische film. In elk geval zagen we in het museum dat er voor de film/serie Outlander op diverse plaatsen in Edinburgh gefilmd is.

Aan het end van Canongate komen we bij Holyrood House, de residentie van het engelse vorstenhuis in Schotland. Als je daar binnen wilt moet je je tevoren aanmelden en na het betalen van een bijdrage van £ 20,- mag je naar binnen. Gelet op de memorabilia in The Palace Shop, tevens aanmeldcentrum, hebben we deze beker aan ons voorbij laten gaan.

Op ons gemak zijn we weer terug gelopen naar het oude centrum waar we nog een bezoek hebben gebracht aan de National Gallery waar we tot onze verbazing een zaal met Nederlandse schilders zoals o.a Rembrandt, Frans Hals, Jan Steen hebben bekeken. Daarna vonden we het welletjes en zijn we terug gewandeld naar de bus.
Edingburgh heeft ons op een positieve manier verrast, we hebben er twee dagen heerlijk rond gestruind en genoten van alles.
Morgen trekken we verder.
Een dorpsfeestje met allure
We zijn speciaal naar Markinch gekomen om te gaan kijken naar de jaarlijkse Highland Games in dit plaatsje. Highland Games maken onderdeel uit van het Schotse erfgoed. Was het vroeger een manier voor de koning en de clan-oudsten om de sterkste uit hun midden te kunnen kiezen, nu is het de laatste 200 jaar tot een eendaags evenement geworden, waarin sport, spel, muziek en dans een voorname rol spelen; het festival-terrein wordt letterlijk omzoomd door eettentjes, plekken waar mensen hun handwerk ten toon spreiden (en proberen te verkopen) en nog veel meer. En wat wij niet verwacht hadden, ze verkopen er geen alcohol.

Hoewel de officiële opening om 14.30 uur gepland stond, begonnen de wedstrijden in de Highland Dance al om 10.00 uur met de allerkleinsten (de leeftijd vanaf 4 jaar!) dus tegen 9.45 waren wij op het terrein tegenover de camping om maar niets te missen. Roland is nog snel terug gelopen om stoelen te halen want een hele dag staan is ook niet je van het.

Oorspronkelijk waren de Highland Dances oorlogsdansen en hoewel het waarschijnlijk dateert uit een veel eerdere periode, was het eerste gedocumenteerde bewijs van deze oorlogsdansen bij het tweede huwelijk van de Schotse koning Alexander III met zijn Franse bruid Yolande de Dreux in Jedburgh in 1285, zo meldt de kroniekschrijver, die ook niet onvermeld liet dat deze dansen werden uitgevoerd op "de jammerende muziek van doedelzakken".

Als je een paar uur naar deze het dansen hebt gekeken, maar vooral de bijbehorende doedelzakmuziek hebt aangehoord, kun je je voorstellen dat de Duitse soldaten in WO II in de woestijn van Noord-Afrika in november 1942 echt knettergek werden van die Schotten die onophoudelijk hun doedelzakmuziek ten gehore brachten; mede daardoor verloren ze de Tweede Slag bij El Alamein van de Britten.

Vanaf het middaguur werden de sport-onderdelen op het centrale veld afgewikkeld: hardlopen, wielrennen en de krachtsport-elementen stenen kogels gooien, hamer werpen, waight over bar (een 22 pond zwaar gewicht achterwaarts over de balk gooien) en een gewicht van 24 pond werpen, waar Markinch, zo meldt het programmaboekje, de wereldrecordhouder is met een afstand van ruim 95 voet (30 meter).

Natuurlijk ontbrak het meest spectaculaire onderdeel, caber toss (paalwerpen) niet.

De geheel werd tegen de avond afgesloten met een Grote Finale van alle deelnemende doedelzak-korpsen en de prijsuitreikingen.

Een al wat oudere mevrouw constateerde jammerlijk dat het vroeger toch een stuk massaler was: toen stond het hele veld vol met doedelzak-korpsen. Maar ook in Schotland lijkt het lastig te zijn om de jeugd bij het verenigingsleven te betrekken, hoewel ……..

Wij sloten onze eerste vakantieweek in elk geval af met zonnig weer, dus hoor je ons niet mopperen en volgens een Schot is het de komende twee weken ook nog droog weer.
Maandag 5 juni waren we om 10.00 uur al weer onderweg naar Edinburgh en maakten we een tussenstop in Culross. Historisch Culross is een van de meest pittoreske steden van Schotland. Er wordt aangenomen dat Culross werd gesticht door St. Serf in de 5e eeuw na Christus. Als je door deze charmante stad dwaalt, ga je zo dicht mogelijk terug in de tijd naar de 16e eeuw. Witgekalkte gebouwen met rode tegels zijn goed bewaard gebleven, zoals het Town House, waar heksen werden berecht en vastgehouden in afwachting van hun executie.

Niet voor niets is Culross al vele malen het decor geweest van historische speelfilms: Outlander, The 39 steps, Kidnapped en Captain America The First Avenger.
Het nabijgelegen okerkleurige Culross Palace, gebouwd door de rijke kolenhandelaar George Bruce in de late 16e eeuw, is in feite geen paleis maar een groots en . indrukwekkend huis. Bruce bracht het met zijn handel in steenkool en zout tot grote welvaart en het door hem gebouwde huis in 1575 kun je bezichtigen omdat het wordt beheerd door de National Trust for Scotland. Leden hebben vrij entree.

We hebben de kleine kamers en verbindingsgangen verkend met prachtige beschilderde plafonds, grenen lambrisering, antieke meubels en curiosa. De tuin in drie verdiepingen is beplant met grassen, kruiden en groenten uit die periode.


Na een kleine versnapering in Bessie’s Bar maakten we een wandeling door een geplaveid steegje dat bekend staat als Back Causeway, compleet met een verhoogd middenpad dat vroeger door edelen werd gebruikt om hen te scheiden van het plebs, de `gewone mensen`.

Via het Mercat Cross op het marktpleintje klommen we verder naar de flink hoger gelegen Cisterciziëner Abdij. Daar aangekomen bleek de Abdij gesloten voor het publiek omdat onderzoek uitwees dat er gevaar van vallend gesteente bestond. De Abdijkerk was wel open en in deze kerk, nu een onderdeel van de protestante kerk van Schotland (me haar sobere inrichting), ligt Bruce met zijn vrouw en 8 kinderen begraven.

Na een flinke afdaling kwamen we weer bij de camper uit en reden we verder naar Edinburgh waar we met heel veel moeite en omzwervingen door nauwe straatjes (omdat Roland een klein foutje had gemaakt bij het intoetsen van de coördinaten) de supermarkt bereikten voor de nodige boodschappen.
Halverwege de middag arriveerden we op de camping aan de rand van Edinburgh; de stadsbus zal ons morgen in 30 minuten naar het centrum van Edinburgh brengen.
Spot a Dutch plate
Vanaf Hawick is maar een kattensprong naar Melrose waar je een oude Abdij kunt vinden en een kleine tuin, Priorwood Gardens die door de National Trust for Scotland wordt onderhouden. Melrose Abbey werd in 1136 gesticht maar de laatste monnik stierf in 1590 en omdat Schotland inmiddels grotendeels protestant was geworden raakt de Abdij steeds verder in verval. Er wordt beweerd dat het hart van Robert the Bruce (1274-1329), Koning der Schotten, in de Abdij begraven ligt; de rest van zijn lichaam zou in de Benedictijner Abdij van Dumfermline begraven liggen. Of het waar is konden we niet onderzoeken want de toestand van de Abdij is nu zo slecht dat het geheel met hekwerk is omgeven om te voorkomen dat je door vallend gesteente zou worden geraakt.

Na een bezoekje aan de naastgelegen Priorwood Gardens zijn we op een terras neergestreken om te genieten van een koffie met Salted Peanut Chocolat. De zon scheen weer volop dus tot nu toe zijn de Goden ons gunstig gezind.

Onze volgende halte was Abbortsford House, het woonhuis van Sir Walter Scott, Engels schrijver, dichter en geschiedkundige. Zijn bekendste werken zijn wel Ivanhoe, The Heart of Mid-Lothian en The Lady of the Lake. Ivanhoe is volledig verfilmd in een TV-serie met Roger Moore en wij kunnen het ons nog als de dag van gisteren herinneren: elke zaterdag, ‘s avonds een aflevering op de TV.

Walter Scott kocht in 1811 het huis Abbortford en verbouwde het geheel naar zijn smaak. Hij woonde er tot aan zijn dood in 1832 en het mooie is dat het pand sindsdien onaangeroerd is gebleven. De kamers en de inrichting zijn onaangetast gebleven en geven je een intiem inzicht in de persoonlijkheid van deze grote schrijver. Zo liggen er nog de persoonlijke collecties van Scott die ongebruikelijke items bevatten zoals de wapens van Rob Roy, een Schotse bandiet die de lieveling van het gewone volk werd en een kogel in een zak havermout, meegevoerd van het slachtveld in Culloden, de laatste slag tussen de Engelsen en de Schotten. Toen de laatste nazaat van Scott in 2004 stierf is het beheer van het landgoed overgedragen aan een stichting.
Wij werden bij onze aankomst hartelijk ontvangen door een Schotse suppoost die, toen hij hoorde dat wij uit Nederland kwamen, redelijk verbaasd was; wij waren de eersten dit jaar en Nederlanders kwamen nooit zo vroeg al naar Schotland. De kinderen doen hier in het voorjaar een spelletje wie de meeste Nederlandse kentekens kan spotten: “Spot a Dutch plate” is nog steeds populair. Hij vertelde honderduit over het gebouw en de inventaris en kregen uiteindelijk een audiogids mee (in het Engels want jullie spreken toch dat toch allemaal), waarna we aan onze anderhalf uur durende rondleiding begonnen.

De directe omgeving van het huis was echter nog mooier: metershoge rododendrons en een waterval aan geuren komen je daar tegemoet. Jammer dat je de geuren niet op de gevoelige plaat kunt vastleggen. Na afloop liep de suppoost met ons mee naar buiten en hij bleef maar praten.

We trokken door naar Peebles, een kleine stad waar we de nacht op een parkeerplaats aan het riviertje de Tweed midden in het centrum doorbrachten, omdat de camperplaats wegens werkzaamheden gesloten was; er kwam op een gegeven moment een Schot van Nederlands/Duitse ouders, zo bleek later, een praatje maken. Zijn vrouw, zo vertelde hij, was van Pools/Ierse ouders dus een aardig gemengd bedrijf daar thuis.

Ze zijn erg vriendelijk en niet om een praatje verlegen hier. We hebben in het nabij gelegen park gewandeld en daarna in het stadje waabij het tijd werd voor Roland zijn eerste Guinnes en Janny een 0,0 biertje.

Zaterdag 3 juni waren we al weer vroeg op pad en stonden we net iets voor 10 uur in de morgen op de stoep van Darwyck Botanic Garden, een vijfsterren-tuin in de heuvels van de Scottish Borders van 65 hectare groot (130 voetbalvelden). Je vind er planten vanuit de hele wereld, mogelijk door het bijzondere microklimaat op deze plek: droge, warme zomers en koude besneeuwde winters. Daarnaast vind je er een grote collectie bomen, inheems, waarvan sommige dateren vanaf 1680, maar ook van verre: zo kwamen we een Sequoia Giganteum tegen die toch al wel een meter of 40 hoog was. Zelfs de blauwe klaproos uit de Himalaya gedijt goed in deze tuin.


Al een aantal keren hebben we gezien dat ze het gras hier bewust niet meer maaien, om het insectenleven te bevorderen, wel maken ze wandelstroken door het gras. En dat ziet er best mooi uit. We hebben er zo’n twee uur genoten van al het moois en dat was de korte wandeling.

Over kleine smalle wegen waar je af en toe flink moet remmen voor fietsers die over de rijweg op pad zijn (oppassen geblazen!) zijn we langzaam naar Rosslyn Chapel gereden. Deze kapel, gebouwd in 1446-1486 in opdracht van de Sinclair-familie als een privé kapelletje, heeft als door een wonder de beeldenstorm, die ook in Schotland in de 16e eeuw heeft huisgehouden grotendeels overleefd.

Weliswaar is het altaar verwijderd en zijn alle beelden op hun sokkels vernield, maar de prachtige gebeeldhouwde pilaren, kapittels, bogen en nog veel meer zijn ongeschonden gebleven. De kapel is door Cromwell, die toch vele kerken en kloosters buiten Engeland heeft vernietigd, gespaard gebleven, waarschijnlijk omdat hij het voor zijn leger als paardenstal heeft gebruikt. De kapel is sinds het eind van de vorige eeuw weer als katholiek gebedshuis in gebruik na daartoe door de bisschop van Edinburgh opnieuw te zijn gewijd.
De hoeveelheid beeldhouwwerken is werkelijk indrukwekkend. Het verhaal gaat dat de meester-beeldhouwer in de 15e eeuw, nadat hij één pilaar van de Maria-kapelletje af had naar het buitenland reisde om daar nieuwe inspiratie op te doen. Zijn leerling echter kreeg een droom en hij maakte de tweede pilaar, veel uitbundiger en mooier dan die van zijn meester. Toen de meester echter terugkwam, ontstak die in woede en doodde zijn leerling. De andere beeldhouwers hebben daarop beide, de meester en zijn leerling, in steen vereeuwigd in één van de bogen. Het was erg indrukwekkend om te zien en beslist de moeite van een bezoek waard.

Na dit bezoek werd het tijd om wat boodschappen te doen en naar de camping in Markinch te gaan en ook hier werden we weer vriendelijk ontvangen. We hebben meteen de was gedaan zodat alles weer schoon is. Daarna lekker in de zon gezeten. Morgen gaan we naar de Highland Games die naast de camping op een festival-terrein plaats zullen vinden. We werden door de camping-eigenaresse al gewaarschuwd dat we al vroeg gewekt zullen worden door pipe-players, maar wij zorgen wel dat we er als de kippen bij zijn morgenvroeg dus de wekker wordt vanavond gezet.
De aanvullende foto's staan op Foto's 2023 Schotland

Op een mooie Pinksterdag
Op een mooie Pinksterdag vertrokken we om 9.15, uitgezwaaid door de buurtjes richting Calais waar we de oversteek maken naar Dover. Het was lekker rustig op de weg omdat er op zondag geen vrachtwagens rijden en om 14.30 waren we in Calais. Ruim op tijd dus. We hadden gehoopt dat we een uur eerder konden vertrekken maar die Ferry ging niet.

Met een vertraging van 20 min vertrokken we om 16.10 ( Ned.tijd) en om 16.40 Engelse tijd waren we in Dover. Het was nog 30 min. rijden naar onze eerste overnachtingsplaats in Canterbury. De zon scheen nog volop dus we hebben nog een poosje buiten gezeten.
De volgende dag zijn we eerst naar een supermarkt geweest (en daar zijn de prijzen aanmerkelijk lager dan bij ons) en daarna was het kilometers maken. Helaas misten we op een gegeven moment de afslag van de Dartford Crossing, de brug over de Theems en moesten we verder Londen in om de tunnel te nemen. Daarbij kwamen we wel in de milieuzone terecht en dat was nou net niet de bedoeling met onze diesel uit 2005. Even snel van de snelweg af doe je ook niet als je ver in de stad bent aangekomen dus dan maar gewoon door; zo kom je ook Londen wel uit. Gelukkig hadden we onze camper al wel geregistreerd voor de Milieuzone bij het stadsbestuur van Londen zodat we voor dat ommetje ‘maar’ £ 12,50 kwijt zijn.
Uiteindelijk kwamen we tegen 16.00 aan in het plaatsje Boroughbridge waar we op een ruime CP plaats met veel groen overnachten. Stoelen naar buiten en nog even genieten van de zon. Omdat we gezien hadden dat er een afhaal Thai in het plaatsje zat besloten we daar na een wandelingetje in de omgeving maar meteen wat eten te gaan halen. Gemak dient de mens?. Nog 150 km rijden en dan zijn we in Schotland.

De volgende dag was het nog fris en de lucht nog grijs toen we vertrokken, maar gaandeweg kwam de zon toch te voorschijn. Eerst nog een stukje autoweg, maar daarna was het genieten. We reden door een explosie van kleuren: witte en roze sleedoorn-struiken, velden vol met geel koolzaad, boterbloemen, margrieten en klaprozen en langs de kant van de weg een bijzondere bremsoort (Ulex Europaeus) met oranje-gele bloemen, die wij bij ons niet kennen. Ook hebben we onderweg ons eerste ree gespot die midden tussen het koolzaad de boel goed in de gaten hield. Helaas passeerden we ook een jong ree-kalfje, 2 dassen, een jonge vos en een egel, die dood gereden op en aan de weg lagen; aan de snelheid van de auto’s zal het niet gelegen hebben, want ze houden zich hier goed aan de maximale snelheid.
Omdat je als bijrijder door het links rijden aan de middenstreep zit (en dus aan de ‘verkeerde’ kant) is het lastig om foto’s te maken van de omgeving.

Rond de middag kwamen we in het Romeinse stadje Haltwhistle aan, waar we een stadswandeling hebben gemaakt. Dit stadje is het geografisch centrum van Groot-Brittannië zoals je ook kunt zien op een plaquette, midden op het marktplein. Al wandelend komen we bij het Haltwhistle Railway Station, gebouwd in 1838, en je waant je onmiddellijk terug in de tijd omdat er sindsdien nauwelijks iets is veranderd.

Over de voetgangersbrug lopen we naar de Old Tyne Bridge van waar we het Alston Arched Viaduct zien liggen. De South Tyne stroomt hier onder door naar een stuw waar je in de herfst volop zalm ziet springen over de stuw.

Na de stadswandeling zijn we naar onze camperplaats gereden aan de Calw Field Lakes en op loopafstand van de Muur van Hadrianus. Een prachtige plek waar we twee dagen voor heel weinig geld mogen staan.

Op deze plek nemen veel wandelaars die de 117 km lange wandeling langs de Muur van Hadrianus lopen een rustpauze omdat je er water kunt nemen, naar de WC kunt gaan en er picknickbankjes staat. Ook staat er gedurende de dag een handige onderneemster koffie, thee, fris en ijs te verkopen. Ondanks dat de wind wel wat fris was hebben we bij 21? lekker buiten kunnen zitten. Vanaf 10 uur ‘s avonds stonden we alleen en konden we genieten van de absolute duisternis met een fonkelende sterrenhemel. De volgende dag zijn we een stuk langs de Muur gelopen. Het is klimmen en dalen maar we hadden alle tijd en het uitzicht is op sommige punten fenomenaal.

De romeinse keizer Hadrianus gaf in de tweede eeuw na Christus de opdracht voor de bouw van een verdedigingswerk in Brittania. Tussen 122 en 130 na Christus werd de 117 km lange muur gebouwd om de Romeinen te beschermen tegen aanvallen van de Picten (de voorlopers van de Schotten). De Muur werd tot 383 door de Romeinen gebruikt; toen werd de verdediging van de Muur opgeheven omdat Rome zelf door de Gothen werd aangevallen. Opvallend is dat er naast de Muur van Hadrianus in het Noorden ook een Dijk van Offa is in het Westen, dat Wales beschermd tegen invallen van de Engelsen (of andersom) en voor de rest is Engeland beschermd door water Wie het weet mag het zeggen..

Die middag kwam er een Dordtse jonge vrouw aangewandeld met haar hond die drie dagen tevoren in Carlisle was gestart; ze heeft een tijdje gezellig bij ons gezeten en toen we haar vroegen of ze nog iets nodig had, kwam het antwoord: koffie!! Ze had filter en filterzakjes van huis uit meegenomen maar was het belangrijkste vergeten. Nu hebben wij geen gemalen koffie bij ons, maar wel koffiesticks en die voldeden natuurlijk ook. Vol goede moed en met een lekkere appel trok ze verder, beladen met een grote rugzak, op weg naar de volgende camping.

Donderdag 1 juni doken we verder Schotland in om te stoppen in Hawick, de plaats die bekend staat als het centrum van de kasjmier brei-industrie. Het stadje zelf heeft op dit moment niet veel te bieden: het leek wel of heel Schotland hier aan de weg, de pleinen en bruggen werkzaam was. De camperplaats was helaas bezet door de lokale kermis die hier neergestreken was en die ze volop aan het opbouwen waren. Tegenover het kermisterrein vonden we nog een mooi vrij plaatsje waar we konden staan en van daaruit zijn we onze wandeling begonnen door Hawick. Als eerste lopen we het Wilson Lodge and Park in, een 43 hectare groot park dat aan de rivier Teviot ligt. Het is een typisch Brits park met ommuurde tuinen, watervallen, monumenten en natuurlijk een oud Herenhuis, oorspronkelijk gebouwd in 1290 maar heeft sindsdien vele transformaties ondergaan.

In de Wilson Lodge is nu een Museum gevestigd dat gaat over de rijke geschiedenis van Hawick. We kwamen daar zelfs een paar Delfts Blauwe tegeltjes tegen! Ook zagen we een portret van James Paris Lee, bekend als de uitvinder van de Lee Enfield, een geweer dat zijn diensten in de 1e en de 2e Wereldoorlog heeft bewezen. Ons leger heeft dat wapen ook in gebruik gehad tijdens de Politionele Acties in Indonesië van 1946-1949.

We zijn na onze parkwandeling ook nog even door o.a de High Street geslenterd, de hoofdstraat van Hawick, die voor ons de aanblik had van een sterk verlopen winkelstraat. Opvallend is het aantal winkeltjes in tweede hands goederen, zowel kleding als meubels e.d.

Toen we eind van de middag bij de camper terugkwamen troffen we een papiertje achter de ruitenwissers aan: géén parkeerplaats voor campers en het was te laat om nog te gaan rijden, bovendien zouden we face-timen met onze kleindochter Juna die vandaag 5 jaar geworden is.Dus staan we nu 30 meter verderop naast een kermisexploitant die er geen enkel bezwaar tegen had dat wij hier deze nacht blijven staan. Morgen maar op tijd vertrekken.
Schotland, bol van natuur, cultuur en traditie
Voor onze langere reis met de camper hebben we dit jaar gekozen voor Schotland. Je weet wel, het land van Robert the Bruce (1274-1329) dat eeuwen daarvoor door de Romeinen al gescheiden werd van Engeland door de Muur van Keizer Hadianus (76-138), omdat hij de barbaarse Picten buiten de deur wilde houden. Om er te komen vanaf Calais doorkruisen we wel bijna 1000 km het Engeland van Charles, tenzij we de ferry IJmuiden-Newcastle gaan nemen (14 uur op een boot, inclusief kajuit want die vaart alleen ‘s nachts). Ik vind het niet erg om de langere weg te kiezen: je went makkelijker, vooral rustiger aan het links rijden op een snelweg dan in het drukke provinciale verkeer.

Van oudsher wordt in Schotland Gaelisch gesproken, een taal die werd overgebracht door Keltische stammen uit Ierland. Hoewel deze taal een tijd verboden is geweest (na de Highland Clearances – de periode in de achttiende eeuw waarin alle gebruiken van de Schotten verboden werden door de Engelsen), bloeit het gebruik ervan tegenwoordig weer op. Onder andere door het gebruik ervan in muzikaal erfgoed, folklore en cultuur, maar ook door de populaire televisieserie Outlander. Op veel plaatsnaamborden in Schotland kun je naast de Engelse plaatsnaam dan ook de Schots-Gaelische plaatsnaam zien. Er zijn ook typisch Schotse woorden die dagelijks gebruikt worden, zoals “wee” voor het woord klein, en “bonnie” voor het woord mooi. We zullen in ieder geval geen enkele poging doen om er ook maar iets van te begrijpen, want in Ierland bakten we van het Gaelic ook al niets.
Het nationale dier van Schotland is de eenhoorn en dat brengt de verbondenheid van de Schotten met mythes en legendes tot uitdrukking. Er zijn verhalen over mythische wezens, zoals Kelpies (waterpaarden met bovennatuurlijke krachten), Selkies (vrouwen die in een zeehond konden veranderen en weer terug) en over geesten die in kastelen of in bepaalde gebieden ronddolen. Nessie, het beroemde monster van Loch Ness, zullen we zeker niet tegen komen, maar wel The Old Man of Storr en de Fairy Pools op het eiland Skye.






Wil je alvast onze route zien? dat kan hier
