Met de camper naar .....

La Meuse à Vélo

We zijn weer op pad en gaan 2 weken fietsen langs de Maas in Frankrijk, Meuse in het Frans. Huub Stapel heeft er een mooie documentaire over gemaakt.
De Maas is een 925 km lange rivier die ontspringt bij het Plateau de Langres in Frankrijk en stroomt daarna België en Nederland in. Hij mondt via de Nederlandse rivierdelta de Noordzee in. De Maas is een typische regenrivier, die directer en sneller op neerslag reageert.
Op vrijdag 2 aug. arriveerden we na een ritje van 3,5 uur tegen 16.00 in Sedan op een mooie camperplaats aan de Maas, het was er nog erg rustig maar tegen de avond liep het aardig vol.


Sedan is een gemeente in departement Ardennes in de regio Grand Est en
vooral bekend om zijn kasteel, het grootste militaire fort in Europa.
We hebben nog een hele poos buiten gezeten maar tegen 20.00 begon het af te koelen.


De volgende ochtend (3 aug) was het bewolkt en 21 gr dus lekker fietsweer. Langs de Maas loopt een goed fietspad en het was redelijk rustig met fietsers. Je kon aan de koeien zien dat er veel regen is gevallen want ze stonden soms tot aan hun enkels in de modder.


In Nouvion-sur-Meuse zijn we gestopt om een terras op te zoeken maar het dorpje leek wel uitgestorven tot we ineens muziek hoorden en een kleine optocht van uitgedoste mensen zagen. Op het dorpsplein stond een grote disneyachtige kermis ( nog niet open) dus dan maar even iemand staande houden. Het enige wat Roland begreep uit het verhaal was dat er een of andere pop verbrandt moest worden. Netjes aan een groepje gevraagd of we foto’s van ze mochten maken en dat mocht maar dan moesten wij ook met ze op de foto.

Was wel grappig. Er was verder weinig te zien en we zijn terug gefietst naar het begin van het dorp waar we een café Chez La Petite Arthur met terras hadden gezien. Die bleek die dag voor het eerst open te zijn maar de uitbater wist nog niet hoe hij cappuccino moest zetten met zijn apparaat. Dus moesten we het doen met een lauwe espresso en chocolademelk. Gelukkig hadden we zelf brood en drinken meegenomen dus onderweg op een van de vele bankjes maar gepicknickt. Opvallend langs het fietspad waren de vele valeriaanplanten (heb ze in Nederland nog nooit gezien) en ook zagen we veel fladderende zwarte blauwtjes, vlinders die bij ons niet voorkomen.


Helaas is het niet gelukt om ze op de foto te krijgen dus dan maar even googelen. Het zandoogje, ook massaal aanwezig wilde wel op de foto.



Aan het einde van de middag zijn we de stad ingelopen en bijna alle huizen zijn geel/bruin van kleur. Helaas was het park gesloten en behalve het fort en de Saint Charleskerk waar drie jonge nonnen aan het bloemschikken waren rond het altaar was er weinig te beleven.


Dan maar weer een terras opzoeken. Ook hier geen cappuccino en ook geen radler, je zou nog uitdrogen zo 😂
Zondagmorgen werden we wakker van de regen maar gelukkig was het maar één bui. Voor we aan de tweede etappe beginnen eerst op de fiets naar de Intermarché want om half 1 ging de winkel dicht. Voor de zekerheid toch maar weer brood meegenomen voor onderweg want je komt tijdens het fietsen alleen maar langs kleine gehuchtjes. Nu ging de route de andere kant op . Je fietst hier in een gebied waar in WO I en II verschrikkelijk veel burgers en soldaten omgekomen zijn en in elk dorpje hoe klein ook staat een herdenkingsmonument . Ook kom je in de velden nog herkenningspunten tegen waar de Maginotlinie indertijd liep.


Halverwege zijn we gestopt bij een restaurant met een groot terras aan een meer en we hadden geluk want hier moest je blijkbaar reserveren maar er was nog een tafeltje met twee stoelen vrij waar we konden zitten. Hier hadden ze ook geen cappuccino maar wel een café Viennois en die was heerlijk. Daarna weer op de fiets en dezelfde route terug naar de camper maar dan zie je weer hele andere dingen zoals een mooie grote groene rups.


De rest van de middag lekker in de schaduw zitten lezen en naar de Olympische spelen zitten kijken.
De lucht was strakblauw toen we op maandagmorgen Sedan verlieten om 40 km verderop naar Stenay te rijden. De camperplaats ligt in een groene omgeving omringd door de Maas en vlakbij een kleine jachthaven. Het is 500 m vanaf het centrum dus na de middag een kleine stadswandeling gemaakt.
Als eerste zagen we de watermolen oorspronkelijk uit 1421 maar in de 18e eeuw verbouwd. Hij had verschillende raderen en werd gebruikt voor graan, het zagen van planken, olie en taan ( gemalen Eikenschors) De graanmolen functioneerde tot 1914. Nu herbergt hij luxe appartementen.


Ook hier lijkt het stadje ingeslapen want er is weinig verkeer en we zien ook nauwelijks mensen, wel heel veel leegstaande huizen. Onze wandeling loopt langs het grootste biermuseum in Europa (tussen de middag gesloten) Het is 2500 m2 met meer dan 300.000 bier gerelateerde voorwerpen. Het is in 1545 gebouwd als levensmiddelen magazijn voor het citadel. In 1879 werd het mouterij en in 1986 biermuseum.


Vlak in de buurt is een grote voormalige cavaleriekazerne (1750-1758) 144 meter lang met plaats voor 320 paarden op de begane grond en 400 bedden op de eerste verdieping, de zolder was opslag voor hooi.


In de Rue de Citadel bevindt zich ook het huis van de gouverneur (16 e eeuw). Na 1654 toen Stenay bij Frankrijk werd ingelijfd woonde hier de commandant van het leger. Tussen 1805 en 1978 zat er de gendarmerie en nu is het als administratiegebouw van het biermuseum in gebruik.


We komen onderweg ook nog een oude laag gelegen wasplaats ( bron) tegen Fontaine de Wé ( water in het Keltisch) Je ziet nog steeds de ondergrondse tunnel die toegang had tot het nabijgelegen klooster. Jammer dat het geheel in een erbarmelijke staat verkeert. Zittend op een bankje op het dorpsplein aanschouwen we voor het stadhuis nog een mooie grote kiosk 1894)



Het stadje heeft een aantal mooie bezienswaardigheden. De temperatuur was inmiddels gestegen naar 26 gr dus op zoek naar het enige terras dat we gezien hadden. Plaats genoeg maar wat schetst onze verbazing, een zeer onvriendelijke jongedame zei dat we er alleen maar mochten gaan zitten als we ook iets te eten bestelden. Dit hadden we nog nooit meegemaakt in Frankrijk. Dan maar terug naar ons eigen terras en daar was het ook goed toeven. We hebben tot 22.30 buiten gezeten want in de camper was het bloedheet. Maar met alle ramen open hebben we toch goed geslapen.
De laatste dag in Stenay zijn we naar Dun sur Meuse gefietst; het fietspad langs de Maas loopt in Frankrijk van Givet (de grensplaats met België) tot iets voorbij Sedan. Daarna moet je het richting de Bron van de Maas als fietser doen met kleine departementale wegen, dus géén vrijliggend fietspad meer. Maar net als in Hongarije vind je ook hier borden langs de weg die de automobilist er op wijzen dat de weg wordt gedeeld met fietsers en dat hij 1,5 m ruimte moet laten.


Het landschap is licht glooiend, maar helaas werden we na 10 km omgeleid; later begrepen we dat er een bruggetje ingestort was en de weg dus geheel geblokkeerd was (route barrée). Licht glooiend werd wat zwaarder glooiend en onze etappe werd 5 km langer, maar daarvoor in de plaats kregen we wel een enorme kerk uit de 11e eeuw voorgeschoteld en verderop wat zonnebloemenvelden.


In Dun sur Meuse was het drukker omdat er een camping midden in het stadje ligt, maar ook hier met pijn en moeite een kleine uitspanning gevonden met twee tafeltjes en vier stoelen op het trottoir 0,50 cm van de rijbaan die alleen espresso, op de kaart had staan. Bij de lokale Intemarché – dat dan weer wel – wat boodschappen voor de avond gedaan en vol goede moed terug gefietst naar Stenay, waar we net op tijd waren om de wedstrijd van de Nederlandse hockeyers tegen Spanje in de Olympische halve finale te kunnen zien. Morgen trekken we verder naar Charny-sur-Meuse.

Als een haas er vandoor!

Vanaf Mauthausen zetten we koers naar Dingolfing, een plaats in de Duitse deelstaat Beieren gelegen aan de Isar. Halverwege de middag arriveerden we op de CP plaats op loopafstand van het centrum. De zon scheen dus konden we lekker buiten zitten en genieten van het constante gekwetter van de vogels.

De volgende morgen zaten we om 9.30 op de fiets voor een tocht langs de Isar.

Halverwege gestopt bij de enige Weinstube die er op onze route was, we zaten al even te wachten toen we een bord zagen staan met: Mitwochs Ruhetag, jammer dan! Dan moeten we het doen met onze flesjes water.

We hebben een poosje staan kijken naar een zwaan met twee nog kleine jonkies en moesten onderweg stoppen omdat er een heel stel ganzen op het fietspad liepen te paraderen en ook helemaal geen haast hadden.

Wie wel haast had was een haas die voor ons over het fietspad rende tot er een tegenliggende fietser aan kwam. Hij draaide gelijk om en kwam met een rotvaart onze kant op gerend om vlak voor ons de berm in te schieten. Het was een komisch gezicht. Tegen half 1 waren we terug in het centrum en hebben daar geluncht en geshopt.

Daarna weer lekker met een boek buiten gezeten.

De volgende morgen (30 mei ) werden we wakker van de regen, de bedoeling was om een paar honderd km te rijden en dan rond 14.00 ergens te stoppen. Maar het bleef regenen dus besloten we om dan maar naar huis te rijden want om ergens je camper te parkeren en vervolgens de rest van de dag binnen naar de regen te gaan zitten kijken zagen we ook niet zitten.

Het viel ons bij vertrek vanmorgen wel op dat het zo rustig op de weg was en dat er ook geen winkels open waren. Even op Google gekeken en het bleek sacramentsdag te zijn en daar hadden wij mazzel mee want er was dus geen vrachtverkeer op de weg en dat schiet dan wel lekker op. Tegen 17.00 stonden we weer veilig en wel met dank aan Roland thuis voor de deur. We kunnen terug kijken op 5 zonnige en mooie weken.

Een tranendal van regen

Zijn we op de heenreis in een dag door Oostenrijk gereden nu doen we er twee dagen over. We staan weer op met de zon en zijn om 9.00 startklaar en een half uur later rijden we Oostenrijk binnen, wat een verademing dat we geen hotsende en klotsende wegen hebben. We rijden 195 km en stoppen op een gratis CP met voorzieningen in Ardagger markt.

We lopen even het dorpje in maar daar valt weinig te beleven en lopen terug naar de camper en besluiten langs de Donau te gaan fietsen. Het is een prachtige route met weinig hoogteverschillen en we zijn beslist niet de enige die de Donau-radweg fietsen. De grijze duiven zijn volop aanwezig. Het is 26 gr. en we boffen weer. In Greis voegen we ons op het terras bij andere fietsers en we moeten weer even wennen aan de “ normale” prijzen voor een cappuchino en bv een stukje appfelstrüdel kost 5.20 wil je er slagroom of vanillesaus overheen dan komt er nog 2,50 bovenop. Dus tel uit je winst.

Maar goed, wij stappen na de koffie weer op de fiets en genieten van de mooie omgeving en fluitende vogels. Na een km of 40 arriveren we weer bij onze CP waar het inmiddels aardig druk is geworden met campers.

‘ s avonds knalt tot twee keer toe de stroom eruit en was het zoeken naar de oorzaak, dus is er voor Roland thuis weer werk aan de winkel. De camper heeft veel te lijden met al die slechte wegen, maar ja komt wel weer goed.

Omdat we zo’n 35 km van Mauthausen stonden besloten we om voor we verder reisden daar een bezoek te brengen. Bij vertrek begon het al te regenen en dat bleef het gedurende de tijd dat we in Mauthausen waren ook doen, soms zachtjes en soms hemels schreiend. Het was nog vrij rustig toen we aankwamen, later op de morgen kwamen er heel veel bussen met middelbare scholieren.

Op 8 aug. 1938, vijf mnd na de “Anschluss” van Oostenrijk bij het Duitse Rijk arriveerden de eerste gevangenen vanuit Dachau in Mauthausen en de bestaande steengroeven waren hiervoor doorslaggevend voor deze locatie. Mauthausen en Gussen waren lang de enige kampen die onder “Lagerstufe III vielen, wat betekende het hardste strafregister binnen het nationaalsocialistische kampsysteem. Het sterftecijfer was hier het hoogste. Eind 1942 waren er 14.000 gevangenen in Mauthausen, Gusen en enkele nevenkampen. In 1945 waren dat er 84.000. In het voorjaar van 1945 werden veel nevenkampen opgeheven en vooral de Hongaarse Joden werden in regelrechte dodenmarsen naar Mauthausen gedreven.

Merendeel stierf al onderweg door de ontberingen. In totaal zijn er zo’n 190.000 mensen naar Mauthausen gedeporteerd. Je wordt er stil van als je daar rond loopt en je kunt je nauwelijks een voorstelling maken van de gruwelen die zich daar hebben afgespeeld en die we ook niet gaan benoemen. Het was ook te zien aan de gezichten en reacties van de jongelui.

Op 5 mei 1945 werd het kamp door de Amerikanen bevrijd en nadat Amerika het beheer overdroeg aan de Sovjet-Russische bezettingsmacht werd het tot 1947 gebruikt als verblijf voor soldaten. Op 20 juni 1947 droegen deze het over aan Oostenrijk met de verplichting er een gedenkplaats van te maken. Overal op het terrein staan kunstwerken van talloze landen. De meeste slachtoffers zijn herbegraven op het terrein van de gevangenbarakken en dat zijn er meer dan 14.000. Op de foto hieronder het Nederlandse Monument.

Net buiten het kamp bevindt zich een veld waar de asresten uitgestrooid zijn. In de voormalige ziekenboeg heeft men een “ Ruimte van namen” ingericht. Hier staan 18.000 namen in graniet geschreven van degene die de dood vonden in Mauthausen en nevenkampen van wiens naam bekend was. Dat wij ze nooit zullen vergeten!

Na een paar uur rijden wij terug over wat eens de dodenmarsweg was, 4 km lang vanaf het station met een stijgingshelling van 14% en besef je weer hoe zuinig we moeten zijn op onze vrijheid en dat we discriminatie /antisemitisme niet moeten tolereren.

De laatste foto's van 23 mei tot en met 28 mei 2024 staan op onze Fotosite

Een handwerk heeft soms een gouden bodem

Zoals gebruikelijk waren we weer op tijd klaar om te vertrekken. En voor de vierde keer namen we afscheid van het Nederlands echtpaar die we ook op deze camping weer tegen kwamen. De afstand naar Gyenesdiás, gelegen aan het Balatonmeer is 145 km en gelukkig was het grootste gedeelte over een goede weg. Het landschap werd heuvelachtiger maar ook heel veel graanvelden. We hebben de afgelopen tijd nauwelijks veeteelt gezien maar des te meer akkerbouw. Rijdend door de kleine dorpjes bleven we ons verbazen over de slechte staat van veel huizen.


Tegen 11.00 arriveerden we op de camping. Het was een kleine camping met voornamelijk Duitsers. We werden vriendelijk ontvangen door een oudere Duitse man die de honneurs waar nam voor de jongere eigenaar. Zoek maar een plekje, heb je vragen dan kom je maar naar me toe, heb je klachten dan ga maar naar de baas zei hij met een kwinkslag.
Het was inmiddels aardig warm dus stoelen in de schaduw, was in de wasmachine, voor het belachelijke bedrag van 1 euro en 1 euro voor de droger. Aan het einde van de middag zijn we naar het meer gelopen, het is overal nog vrij rustig want het seizoen begint pas einde van de maand maar we denken dat het in het hoogseizoen heel erg druk en vol is rondom het meer.


Het balatonmeer is het grootste zoetwater meer van Midden-en West Europa. De lengte is 77 km en op zijn breedst 14 km. Het meer is niet diep, 3 tot 13 m en is dan ook snel opgewarmd zodat het in de zomer zelfs 25-26 gr. kan zijn. Het trekt jaarlijks 4 miljoen badgasten en meer dan de helft daarvan zijn buitenlanders. In de winter vriest het meer snel dicht en worden er diverse ijssporten beoefend zoals o.a ijszeilen en schaatsen. Er liggen zo’n 50 plaatsen aan of dicht bij de oever, veel ervan bestaan uit twee delen nl het dorp en de badplaats. Er worden nog volop grote appartementen gebouwd zagen we.


De volgende morgen staat de zon al hoog aan de hemel als we wakker worden en na het ontbijt stappen we op de fiets voor een tocht langs het meer. Er is een mooi fietspad aangelegd en de route is erg mooi. We stoppen onderweg even om te kijken naar het treintje dat zich al van verre laat horen dat hij in aantocht is. Veel spoorwegovergangen zijn hier nog onbewaakt. En wat schetst onze verbazing: we zien het Nederlandse echtpaar aan komen fietsen. Ze stoppen en zij blijken in een naburig plaatsje op de camping te staan. Dit is toch wel heel frappant!

We gaan weer elk onze eigen weg en na 20 km komen wij aan in het plaatsje Szigliget. Van veraf zie je al de burcht uit de 13e eeuw liggen op een heuvel liggen dus dan weet je dat je met de fiets omhoog moet. Tussen de wijngaarden op de heuvels zie je de mooie witgekalkte vroegere wijnpershuizen liggen. De bedoeling was om hier te gaan lunchen maar de weg naar het centrum van het dorpje liep behoorlijk steil naar boven en te voet naar boven zonder stok was in dit geval ook geen optie. Gelukkig hadden we beneden naast het fietspad ook een eettentje gezien dus rechtsomkeer en wie kwamen we tegen….juist ja! Ook zij wilden boven een hapje gaan eten, we hebben ze succes gewenst maar even later zijn ze ook omgedraaid en gezellig bij ons aangeschoven bij het eettentje.


Na de lunch hebben we voor de zoveelste keer elkaar goede reis gewenst en zijn wij terug gefietst want we wilden ook nog naar het plaatsje Keszthely en dat lag aan de andere kant van onze camping.Hier staat het fraaie barokke Festetics kasteel met mooie tuinen. In het begin van de 18e eeuw kwam de adellijke familie Festetics in het bezit van Keszthely waar ze dit kasteel lieten bouwen. Graaf György (1755-1819)was zeer vooruitstrevend en stichtte in 1797 de eerste Hogere Landbouwschool in Europa.


Hierna hebben we een terras opgezocht om even bij te komen van alle indrukken en de mooie fietstocht. Ondanks de hitte van 26 gr. was het fijn dat er steeds een lekker windje waaide. Tegen 17.00 uur waren we terug op de camping.


De maand mei nadert zijn einde en dus ook onze rondreis door Hongarije dus werd het tijd om langzaam richting Nederland te vertrekken. Na getankt te hebben en bij de Tesco voor een paar dagen voorraad te hebben ingeslagen, ging het richting Sárvás zo’n 75 km verder richting de Oostenrijkse grens. Op de camping aangekomen werden we helaas voor de voeten gelopen door heel veel paarden want er bleek op het naastgelegen terrein een groot evenement te zijn waardoor de camping vol zat met paardenliefhebbers. Dus helaas dat feestje ging voor ons niet door. Dan maar door naar Sopron. De lucht begon te betrekken dus even de weersverwachtingen bekeken en de komende week wordt er veel regen met onweer verwacht.


We waren net gearriveerd op de CP toen het noodweer los barstte. Dan maar met een boek de tijd door zien te komen. Gelukkig was het tegen 15.00 weer droog en gewapend met paraplu zijn we naar de oude binnenstad gelopen. Via de voormalige stadspoort, de Elokapu wat voorste poort betekent loop je de prachtige binnenstad binnen. De toren van de stadspoort zie je boven alle huizen uitsteken en is 61 m hoog, hier was vroeger bovenin het wachtlokaal van de torenwachters die vanuit vier windrichtingen de omgeving konden observeren.


Bij het naastgelegen raadhuis stonden we net te kijken naar een bruidspaar ( we zouden er meerdere zien deze middag) toen we werden overvallen door weer een flinke hoosbui. We konden schuilen onder de parasol van een groot restaurant maar zijn daar maar naar binnen gegaan. Kop goulashsoep zou wel smaken en tenslotte is dat een nationaal gerecht.
Na de bui liet de zon zich weer zien en hebben we de wandeling afgemaakt. Op het Fó tér, het grote plein staat in het midden een grote Drievuldigheidszuil uit 1701.

Rondom dit plein staan prachtige monumentale huizen. Ook bevind zich hier de oude apotheek die nu als museum is ingericht maar helaas vandaag (25 mei) gesloten was dus daar gaan we morgen voor terug. Het voormalige blauwe huis behoorde ooit aan de adellijke Esterhézy familie. We slenteren op ons gemak door de straatjes en het valt op dat het erg rustig is hier. We komen uit op het Maria Kút ( tja, ik kan er ook niks aan doen) Op dit plein loopt het plaveisel in een stervorm naar het midden, waar een Mariazuil in laat barok staat, ook aan dit plein ligt het Ursulinen-klooster en kerk (1864)


Van daaruit lopen we via de Uj utca ( Nieuwsteeg) door de oudste steeg van Sopron. Tot in de 15 e eeuw heette het de Jodensteeg en woonden joodse en christelijke families er naast elkaar in grote verdraagzaamheid. In 1526 veranderde dit en werden de joden van overheidswege uit de stad verdreven. Er is nooit een verklaring gevonden waarom er in deze ene straat twee synagoges stonden.

Uiteindelijk komen we weer terug op het grote plein en het was een verrassende wandeling, er is teveel te zien om te benoemen. Op ons gemak lopen we terug naar onze camper waar we nog tot na 20.00 lekker buiten gezeten hebben.


Vanmorgen (26 mei) scheen onverwacht toch de zon en nadat we onze plaats gemarkeerd hadden met een reserveringsbord zijn we naar Fertöd (vroeger heette het Esterházy) gereden waar het voormalige kasteel staat van deze vorstenfamilie. (wie kent niet de graaf van Esterházy uit de Sissi film).


Het wordt ook wel het Hongaarse Versailles genoemd en dateert uit de tweede helft van de 18e eeuw, toen Miklós Esterházy een van de machtigste mannen van het Habsburgse rijk was. De familie bezat in Oostenrijk en Hongarije meer dan 100 paleizen en kastelen. Het trekt veel bezoekers. Wij waren om 10.00 uur de eerste gasten en dat was wel prettig omdat er net na ons een buslading met jongeren werden gedropt die een lesje geschiedenis gingen krijgen daar. Het paleis telt 126 vertrekken en de meest opvallende en mooiste zaal was de grote pronkzaal waar Jozef Haydn 30 jaar als kapelmeester concerten gaf. Hier moesten we toch even denken aan "een handwerk heeft soms een gouden bodem”!


Het slot dat tijdens WO II veel schade opliep is voor een deel gerestaureerd maar men is er nog volop aan bezig. Wij begonnen met een klim van 101 ( en dat weet je dus niet als je eraan begint) treden naar boven naar de Belvedère waar je een mooi uitzicht had over de tuinen.


Gelukkig was er boven een inleidend filmpje zodat we even konden zitten. Een grappige bijkomstigheid was dat we een app kregen dat onze 5 jarige kleindochter net geslaagd was voor haar zwemdiploma B. Nou als dat geen prestatie is.😃


Wij hebben op ons dooie gemak alles bekeken en zijn daarna in het tegenoverliggend gebouwd gaan lunchen. Vreemd genoeg hadden ze geen broodjes of zoiets op de menukaart dus werd het een warme maaltijd en wordt het vanavond brood eten. Roland bestelde een Hongaars gerecht, iets met botten brrrrrr, het smaakte goed maar ik vond het er niet erg appetijtelijk uitzien dus heb me vooral geconcentreerd op mijn eigen bord.


Daarna zijn we terug gereden naar de camperplaats. Onderweg zagen we bij een kerk communicantjes, de meisjes met mooie witte jurkjes en een bloemenkrans met linten in hun haar, helaas konden we daar niet even stoppen voor een foto.
Omdat het apothekers museum tot 14.00 open was zijn we bij thuiskomst meteen weer naar het centrum gelopen. (700 meter) nou het was me het museum wel. Een grote apothekerskast en wat oude papieren en foto’s aan de muur die we niet konden lezen dus in no time stonden we weer buiten en zijn we op een terras neergestreken.

Genoeg cultuur gesnoven op deze zonnige dag. Terug op de CP, stoel buiten, benen omhoog, boek, wijntje/biertje en lekker genieten. Het leven is zo slecht nog niet voor een pensionaat.

Als een Bok op een Haverkist

We hadden onze stoelen net buiten staan toen we bezoek kregen van een Nederlander die woonachtig is in Hongarije en zo in een uur tijd zijn hele levenswandel aan ons vertelde; hij hoorde zichzelf graag praten want veel meer dan een punt en een komma konden wij niet te berde brengen. Toen we uit pure armoede aangaven dat we met onze kleinkinderen hadden afgesproken te Face-timen en dat we nu toch echt geen tijd meer hadden, pakte hij zijn kuierlatten op en ging heen…. Later hoorden we van andere Nederlanders dat het hen zo ook vergaan was.
De volgende dag beloofde het een warme dag te worden en daarom besloten we om de bijna 2 km van de camping naar de binnenstad van Szeged niet te voet af te leggen maar om de fiets te pakken.
Szeged heet niet voor niets de meest zonnige stad van Hongarije te zijn: met meer dan 2000 zonuren op jaarbasis evenaart het Barcelona.

Szeged ligt op het kruispunt van de rivieren Tisza en Maros. De Romeinen bouwden hier hun nederzetting Parthiscum. Ook de veroveraar Attila de Hun verbleef hier. De beide rivieren zorgden voor voorspoed door van Szeged een handelsplaats te maken, maar ook veel tegenslagen. De grootste was de overstroming van 1879 die de hele stad verwoestte: van de 5800 huizen bleven alleen de hoogst gelegen 300 huizen overeind. De ‘oude’ stad bestaat dan ook helemaal uit gebouwen uit het eind van de 19e eeuw, waarvan de bouw door vele giften uit de rest van Europa mogelijk werd. Veel straatnamen herinneren daar nu nog aan.

We zetten onze fietsen op het centrale plein, het Szechenyi-Tér en liepen naar de Domkerk (Fogadalmi templom). Tot de bouw van deze kerk hebben de overlevenden van de overstroming al een jaar later besloten, maar het duurde tot 1913 voordat de eerste spade in de grond ging en de laatste hand werd in 1930 aan de kerk gelegd. Van de voormalige kerk rest alleen nog een gedeelte van de oude toren, die demonstratief naast de nieuwe kerk is blijven staan omdat het te lastig was om hem af te breken.


De kerk is de op drie na grootste kerk van Hongarije. Aan de façade prijken mozaïekbeelden van de twaalf apostelen. Het door het bonte glas binnenvallende licht vormt telkens nieuwe kleurenbundels. Binnen staat een heel groot orgel met 11.000 pijpen en 166 registers waarop veel orgelconcerten worden gegeven; alleen al in de maand mei telden wij er vier. Ook het Domplein zelf is een plek waar concerten worden gegeven waarbij het orkest op het verhoogde plateau voor de Domkerk plaatsneemt en duizenden toehoorders het plein kunnen vullen.


Het mag geen verbazing wekken dat veel gebouwen in de stad een weerspiegeling zijn van de Art Nouveau en ook Gaudi heeft op veel gebouwen zijn stempel kunnen drukken. Vanuit de Dom liepen we via de Heldenpoort (die een eerbetoon is aan de soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelden) naar het Ungar-Major Paleis, één van de beeldbepalende gebouwen van Szeged.


Iets verderop staat het Reök Paleis. Het huis is gebouwd in de stijl die in de buitenlandse literatuur ‘Hongaarse Jugendstil’ wordt genoemd en is ontworpen door Ede Magyar en voltooid in 1907. Net als de woongebouwen ontworpen door de Catalaanse kunstenaar Antoni Gaudí, is het een van de mooiste in Europa.


We zijn van daaruit door de winkelstraat, waar bijna elke winkel gesloten was (omdat het maandag was, niet omdat het Tweede Pinksterdag was) naar de Synagoge gelopen, die helaas ook gesloten was.
Je kunt Szeged niet verlaten zonder even neer te strijken op het terras van Virág Csukrászda waar men naar men zegt de beste taart en ijs van de stad heeft. Vanwege het warme weer was voor ons de keuze niet moeilijk.

Via het Stadhuis, geopend door Keizer Franz Josef, voor wie speciaal een loopbrug tussen zijn hotel en het stadhuis werd aangebracht, zijn we terug gelopen naar onze fietsen. Szeged is ons goed bevallen. Het is een mooie, maar vooral rustige en schone stad. Je hebt eigenlijk niet door dat de stad 180.000 inwoners telt.


De volgende dag vertrokken we al vroeg naar Baja, een plaats aan de Donau, waar we onze camper neerzetten op een camping aan de oevers van de zijrivier, de Sugovica. We eten een boterham en stappen dan op de fiets om 40 km langs de Donau te fietsen. Het was 26 graden maar gelukkig stond er ook wel een stevig windje. Volgens de Hongaarse site was dit een hele mooie route. De eerste kilometers moesten we door de stad, vervolgens zo’n 18 km in een rechte lijn over een dijk met links van ons de Donau die helaas door bomen en struiken niet te zien was en rechts weiland. De 20 km terug gingen pal tegen de wind in waarvan 6 km over een landweggetje met gaten en zand met rechts en links akkerland en de laatste 10 km zonder fietspad over de autoweg. Het enkele bezienswaardige object was een kerkje in the middle of nowhere.


Niet leuk dus maar we zijn in elk geval actief bezig geweest. De lucht zag er dreigend uit maar gelukkig bleef het bij een paar druppels. Onderweg was er niet een bank te vinden, laat staan een koffietentje. Aan het einde van de fietstocht zijn we in Baja op een terras neergestreken.
‘s Avonds hebben we een paar flinke buien gehad met onweer.

Op Woensdag 22 mei zijn we naar Pécs gereden, zo’n 70 kilometer van Baja. Het landschap wordt hier heuvelachtiger en meer afwisselend, vergeleken met de Poesta. Onderweg vielen ons de grote velden klaprozen / papavers op zelfs blauwe en vroegen we ons af of ze hier geteeld worden. Dus opzoeken dan maar. Hier enkele weetjes: Ze gedijen en groeien het beste op omgewoelde droge voedselarme zandgrond. Ondanks dat alle delen van de klaproos giftig zijn wordt het sap uit de bloemblaadjes gebruikt als natuurlijke kleurstof in dranken en siropen. Gedroogde bloemblaadjes worden gedroogd om er thee van te maken wat zou helpen tegen pijnen en slapeloosheid. Het heeft geen zin om ze te plukken voor in een vaas want ze zullen hun blaadjes meteen laten vallen. Klaprooszaadjes schijnen te helpen tegen onrust.
Het verschil tussen een klaproos en papaver is dat een klaproos rood is en papavers hebben grotere blaadjes en meerdere kleuren.



We komen rond 11 uur op een camping aan, midden in de stad die wordt gerund door een bejaard echtpaar. Zij is een ex- rijksambtenaar en hij, die we niet hebben gezien, een landbouwkundig ingenieur. De vrouw houdt alles in de gaten en als er iets gebeurd wat haar niet zint, dan komt ze dat onmiddellijk melden (hetgeen we aan den lijve ondervonden toen we een pan omspoelden in de gootsteen); zij zit als het ware als een bok op een haverkist.

Omdat de bushalte vlakbij de camping is, besloten we vandaag met de bus naar het centrum te gaan. We stapten uit bij Árkád, een mega-groot overdekt winkelcentrum van drie verdiepingen dat ons werd aanbevolen voor het geval het te heet zou worden, omdat er airconditioning in het gebouw is. Het was nog niet zo heet dat we daar gebruik van maakten en hebben ons eerst gemeld bij de Synagoge. Een uiterst vriendelijke bewaker die erg goed duits sprak ontving ons, gaf uitleg wat we binnen zouden aantreffen en gaf ons tevens een handleiding in het Nederlands (!). Daarin werd voornamelijk uit de doeken gedaan wat het Joodse geloof inhield en hoe je dat in een synagoge terug kunt zien, zoals de Tora, het aanwijsstokje, de Chanoeka enzovoorts. Wat natuurlijk bij blijft zijn de gevolgen van de Holocaust: vóór de Tweede Wereldoorlog telde Pécs een Joodse gemeenschap van ruim 5000 zielen, ná de oorlog keerden nog geen 400 terug, de rest was omgebracht in de concentratiekampen.


Vervolgens liepen we door naar de grote Domkerk. De oudste delen van de kathedraal stammen uit het eind van de 11e eeuw, maar hij is in de loop van de eeuwen tot vier maal toe verwoest. Voor het eerst al een paar jaar na de bouw door brand, daarna door de Turken, die de kerk onder andere als graanschuur hebben gebruikt, Uiteindelijk is hij eind 19e eeuw herbouwd in Classistische stijl.


Ondanks zijn grootte en volop muurschilderingen doet de kerk heel rustig aan. Vanuit de Dom gaan we naar het Széchenyi Tér (alweer) waar de grote moskee staat van pasja Quassim Ghazi. De moskee werd na het vertrek van de Turken een katholieke kerk.
Het plein wordt het mooiste plein van Hongarije genoemd en dat is volgens ons terecht.


We hebben een uurtje vlakbij het plein bij een Italiaan op het terras gezeten om daarna langzaam terug te wandelen naar het winkelcentrum Árkád, waar we dan toch maar even naar binnen zijn geglipt, voordat we de bus terug namen.

Morgen naar het Ballaton (het Balla-meer, aangezien ‘ton’ meer is in het Hongaars).

De foto's van 14-22 mei staan op onze fotosite

Well Ness

De regen viel met bakken uit de hemel toen we deze morgen (17 mei) wakker werden en het heeft tot rond 11.30 geplensd, dan maar binnen het vertier zoeken. Na 11.30 badpak en zwembroek aan en naar het naast gelegen thermaalbad dat we helemaal alleen tot onze beschikking hadden want verder was er behalve het personeel niemand. We hebben dus heerlijk liggen genieten in een watertemperatuur van 35 gr terwijl het buiten slechts 15 gr. was.


Het is tot een uur of 19.00 droog gebleven en toen viel het er weer met bakken uit tot 23.00 uur. Het was een nat dagje.
De volgende morgen was de lucht strakblauw en volop zon. En niet alleen wij genoten daarvan maar ook een groene kikker met een jong op haar rug zat op het stoepje in de zon. Het zou 26 graden worden.


Na afscheid genomen te hebben van een ander reislustig Nederlands echtpaar,(het andere echtpaar verblijft 5 maanden op deze camping vanwege de thermaalbaden. Wij moeten er niet aan denken, maar ieder zijn ding) zijn we vertrokken. Eerst naar de Lidl en vervolgens richting Kesckemét. Onderweg was het een oase van klaprozen.


Er wordt in Hongarije hard gewerkt aan het aanleggen van nieuwe wegen en je komt regelmatig een groot bord tegen waarop staat wat de bijdrage van de EU hieraan is geweest en dat zijn behoorlijke bedragen. Tegen lunchtijd waren we op de camping die voor Hongaarse begrippen behoorlijk prijzig is. (30 euro per nacht) Wij dachten in de eerste instantie dat het duurder was omdat er op het naastgelegen terrein blijkbaar een muziekfestival is dit pinksterweekend maar hij is dus altijd zo duur. Wij hebben af en toe wel het idee dat je als toerist meer betaald dan de Hongaren zelf. Het sanitair gebouw is vrij nieuw en alles zag er netjes uit.
Na de lunch zijn we naar de stad gefietst.
Kesckemét wordt weleens de poort naar het land tussen de Donau en de Tisza genoemd. In dit gedeelte van Hongarije groeien meer dan twee miljoen fruitbomen waarvan de abrikozen de bekendste zijn. Wat meteen opvalt is dat het een vrij moderne stad is met in het centrum nog een aantal oude gebouwen zoals de voormalige synagoge dat nu het Huis van Techniek is.


In het centrum zijn vier pleinen die in elkaar overgaan, parkachtige lanen met bankjes en bloemen geven het een sfeervolle uitstraling.
We komen uit bij het opvallende Cifra-paleis, een Hongaarse variant van de Jugendstil. Het dak bestaat uit bonte majolicategels. De naar voren stekende randen onder het dak vormen kleurrijke, golvende lijnen. Omdat het paleis helemaal in de steigers stond hier de foto van Wikimedia (© SA 3.0)


Ook het raadhuis is een prachtig pand en wij hadden het geluk dat er net een bruidspaar klaar stond om naar binnen te gaan.

Wij hebben een van de terrassen opgezocht en waren enigszins ontgoocheld omdat we veel meer van deze stad verwacht hadden op cultuur gebied.
Dus weer op de fiets om naar het arboretum (natuurpark van 62 ha groot) te gaan. Hier hebben we een wandeling gemaakt. Er werd gepicknickt, jongeren zaten spelletjes te spelen, er waren romantische plekjes voor jong geliefden en zo was er in deze natuurrijke omgeving voor elk wat wils.


Terug op de camping waren onze Hongaarse buren er inmiddels ook weer en kwamen ze ons een welkomstdrankje brengen, Barack-padlinkó ofwel abrikozenjenever met een hoog alcoholgehalte die hier uit Kesckemét komt en een geliefd drankje is in Hongarije. Na een klein nipje heb ik mijn glaasje doorgeschoven naar Roland. Maar wel ontzettend aardig en wij konden weer wat stroopwafels kwijt. 😃

Op de camping hebben we de hele avond mee mogen genieten van het muziekfestival. De Rolling Stones nummers werden vrij goed vertolkt, maar de heavy metal muziek had voor ons niet gehoeven. Roland sliep door alle herrie heen en ik heb tot 0.30 liggen stuiteren in bed ondanks de oordoppen. Een poosje later kwamen de festivalgangers terug naar de camping.
De volgende ochtend werden we wakker door het geluid van de regen en volgens buienradar zouden we vaker regen krijgen deze dag. We zijn naar het 40 km verderop gelegen dorp Páhi gereden om een wandeling te maken van 7 km over een natuurpad door de Páhi weiden met karakteristieke habitats en het Közös-woud. In de periode mei- juni staan dan volop de orchideeën in bloei. Het was droog toen we om 11.00 aan de wandel gingen en de meegenomen paraplu is gebruikt als parasol omdat het al snel erg warm werd in het open veld. Wat betreft de orchideeën viel het erg tegen en in de stukken door het bos zijn we vooral bezig geweest om de zwerm muggen (en ja, we hadden ons goed ingesmeerd met antimuggenspray) van ons af te slaan.


Vlinders waren er in grote getale te zien en af en toe sprong er een kikker voor de voeten weg. Tegen 14.00 uur waren we terug bij de camper en werden we aangesproken door een jongen en meisje van een jaar of 9, 10 met de vraag; Do you speak Englisch? Met hun vertaalapp ontstond er een leuk gesprekje. Ze waren zo enthousiast en wilden van alles weten. Ik had thuis nog wat kleine kleurboekjes met kleurtjes liggen en die meegenomen net als kleine waterpistooltjes dus uitgedeeld aan ze en ze waren zo blij dat ze zomaar een cadeautje kregen en we werden uitgezwaaid met thank you, thank you! Fijn als je met iets kleins een paar kinderen zo blij kunt maken. Het meisje zag eruit alsof ze al weken lang dezelfde kleren aan had.Onderweg heeft het flink gehoosd en wat opviel was dat de Hongaren dan langs de kant van de weg stil staan (zelfs op de snelweg!) of heel langzaam met de waarschuwingslichten aan verder rijden.
Om 16.00 waren we op de camping in Szeged en hier was het aanmerkelijk drukker, vooral veel Duitsers en we troffen er een Nederlands echtpaar dat we twee keer eerder op een camping getroffen hadden.


In een rijtuig over de Poesta

Nadat we ons aangemeld hadden op de camping in Tiszafüred en een plekje hadden gezocht moesten we constateren dat het ook op deze camping wel erg rustig was. Behalve wat vaste gasten die hier permanent staan was er nog één Nederlands echtpaar van midden 80 met een caravan. Het was een actief stel dat elke dag ging fietsen en let wel, hij, Sjaak, deed dat op een wielrennersfiets en zijn vrouw had een e-bike. Hun tom-tom was een wegenkaart van Hongarije en aan Whatsapp, vertaalapp etc.deden ze niet. Hij sprak geen enkele andere taal. Ik heb met respect naar ze zitten luisteren. ‘s Avonds wilden we een wandeling maken maar toen we bij de uitgang van de camping kwamen bleek de poort dicht; er hing wel een toetsenbord waar je de code in kon tikken, maar een code hadden we niet gekregen en de receptie was inmiddels gesloten. Terug naar Sjaak om hem even de code te vragen maar het verbijsterende antwoord was “Dat codeblok zit er voor de show, je kunt gewoon de poort open schuiven hoor”. Daarop hebben we de wandeling langs het meer alsnog gemaakt maar dat was van korte duur want we werden lek gestoken door de muggen.


De volgende dag hebben we in de omgeving gefietst en wat opvalt is dat elk huis omheind is met hekken en er veel honden zijn die ongewenste indringers buiten de poort moeten houden. In elk dorp zagen we om de paar meter nesten met ooievaars op elektriciteitspalen.

Ook is het contrast in huizen erg groot. Er staan werkelijk krotten die nog bewoond worden en grote luxe huizen in dezelfde straat. Wel mooi zijn de bermen vol met klaprozen.


Na een rondje van 35 km zonder ook maar een uitspanning waar we iets konden drinken waren we weer terug op de camping. Rond 22.00 hoorde we een traktor op de camping rijden en tot onze verbazing produceerde hij grote witte wolken met als gevolg dat in no time de hele camping in de “ mist” lag. Erg fris rook het ook niet en gelukkig konden we bijtijds alle ramen sluiten voor hij bij ons voorbij kwam. De dag erna vertelde Sjaak (de nederlander die voor het vierde jaar op de camping was) dat ze dat doen vanwege de muggen. We hebben nog niet kunnen ontdekken wat voor spul het was.

Na een goede nachtrust zijn we de dag erna weer op de fiets gestapt om rond het meer te fietsen. (45 km) Nu was er na 16 km wel een restaurantje waar we konden pauzeren. We hadden voor we gingen niet op de buienradar gekeken maar zagen wel de zon verdwijnen en de lucht dicht trekken. Volgens buienradar was er onweer op komst en omdat we over een dijk fietsten besloten we terug te gaan naar de camping waar we net op tijd aankwamen voor het begon te regenen. Uiteindelijk viel het allemaal mee.

Nadat we op 16 mei afscheid genomen hadden van de lieve behulpzame oudjes zijn we naar de Lidl gegaan om vervolgens richting Hortobágy te rijden een kleine 40 km verder. Het is het eerste nationale park in Hongarije. Zoals een Hongaarse dichter ooit schreef, het is een plaats waar hemel en aarde in elkaar overvloeien. Daar op de poesta, hetgeen leegte in het Hongaars betekent, ligt een van de oudste stoeterijen van Hongarije Mátai Ménes waar de Nonius paarden worden gefokt, beroemd om hun sterke gestel en uithoudingsvermogen. Wie meer info wil mag zelf googelen. Wij melden ons bij de receptie omdat we een tocht per huifkar over de poesta willen maken. Samen met twee Zwitserse stellen en een Hongaarse gids die perfect Duits sprak hebben we een dik uur over de poesta gereden en het was een fantastische ervaring. Onderweg werden we getrakteerd op een prachtige ruitershow waar je de perfecte harmonie tussen mens en dier zag.

We zagen rackaschapen met hun kenmerkende lange krullende vacht, de gedraaide horens en typische witte of zwarte kleur.

Ook liepen er de Hongaarse grijze runderen, hun oorsprong is nog steeds onduidelijk maar wetenschappers zijn het er over eens dat het nazaten zijn van de oerossen.

Ook was er een kudde waterbuffels, oorspronkelijk uit Indië maar al in 560 v. Chr. door de Avaren naar Hongarije gebracht. Ze worden vooral gebruikt als lastdieren en wegen tussen de 500-700 kg.


Het uur was helaas snel voorbij en we hebben van de eerste tot de laatste minuut genoten van deze rit. Er was een mogelijkheid om een ritje op een paard te maken maar daar hebben we vriendelijk voor bedankt.

Na deze mooie ervaring zijn we naar de camping in Szolnok gereden en ook hier is het weer rustig. Nog twee Nederlandse stellen en een Hongaars stel. We mogen gebruik maken van de naast gelegen thermaal baden en dus gaan we morgen relaxen.

Vízesések és Barlangok (van Watervallen en Grotten)

Zaterdag 11 mei vertrokken we naar het 30 km verderop gelegen Szilvásvárad, een klein dorpje aan de voet van het Bükk Nationaal Park dat bekend staat om zijn Lipizaner paarden en de Fátyol-waterval. We parkeerden de camper achter het treinstationnetje van de Waldeisenbahn, een antiek smalspoor treintje dat je in 10 minuten voor € 2,- naar boven brengt. Bovenop de heuvel aangekomen waan je, je in een aangelegd park, met picknickplaatsen, vers gemaaid gazon en prachtige wandelpaden; het is week-end en dus waren we er niet alleen. Per treinlading gingen er zo’n 100 personen naar boven, elke half uur twee treinen vol. Gelukkig is het wel zo groot dat je er nauwelijks last van hebt.

Watervallen worden meestal ingedeeld in het aantal meters verval en dan is de Fátyol-waterval maar een hele kleine; zijn verval is slechts een paar meter. Wat deze bijzonder maakt is zijn lengte: hij valt over 18 treden die samen 17 meter lang zijn. Vandaar ook zijn bijnaam: de Sluierwaterval.
Helaas is de rivier die de waterval voedt een regenrivier, dus als er weinig regen is gevallen is de waterval zelf niet krachtig en soms alleen maar een zielig stroompje.


We zijn in anderhalf uur rustig naar beneden gelopen, langs het riviertje, zagen forellen en andere vissen in de meertjes van de rivier zwemmen en genoten van het fluitconcert van de vogels.

Beneden aangekomen was er in het dropje ook nog een Concour Hippique aan de gang, internationaal zelfs want de omroeper deed het ook in het Engels. We hebben heel even naar het inspringen van de paarden staan kijken.

Vervolgens gingen we op weg naar Aggtelek, de grensplaats tussen Hongarije en Slowakije, waarbij net buiten het dorp Szilvásvárad plotseling een ree net voor ons de weg op sprong en vervolgens als een hinde het naastgelegen weiland door rende. Het ging zo snel dat Janny niet de gelegenheid had om het geheel op video of foto vast te leggen. Even dachten we “geen nood, de dashcam zal het wel opgenomen hebben”, maar toen we ‘s avonds controleerden bleek dat we vergeten waren er een opslagkaartje in te doen. Truus stuurde ons gelukkig via Slowakije naar Aggtelek over beduidend beter geasfalteerde wegen dan we aan de Hongaarse zijde van de grens zouden hebben gehad. In het laatste dorpje op Slowaakse bodem moesten we nog even goed opletten. Over de straat zwalkte een man die kennelijk veel te diep in het glaasje had gekeken en – waarschijnlijk ongemerkt – in zijn broek had geplast. Een stukje verderop zagen we een vrouw die – armen over elkaar – hem zeer boos stond te observeren of het zijn vrouw was? wie zal het zeggen Een paar kilometer verder kwamen wij in Aggtelek aan en installeerden we ons op een camping waar wel plaats was voor 150, maar waar we slechts met 3 campers stonden. Echt gezellig is dat ook niet.

Aggtelek is de naamgever van het Nationaal Park dat bekend staat om zijn druipsteengrotten: er zijn er 712 in totaal. Het merendeel is niet toegankelijk. Wij stonden zondagmorgen al vroeg voor de ingang van de Baradla Domica-grot, die naast de camping lag. Dit grottenstelsel heeft een totale lengte van 25 km en je kunt hier onder de grond van Hongarije naar Slowakije lopen. Natuurlijke ingangen naar de grot zijn al sinds de oudheid open en er zijn sporen van neolithische bewoning. Bij opgravingen zijn bijvoorbeeld 13 skeletten gevonden uit de steentijd. De eerste schriftelijke vermelding van de grot dateert echter uit 1549. Het eerste onderzoek werd in 1794 uitgevoerd en toen dacht men dat de grot niet groter was dan 1,8 km.

Onder begeleiding van een gids die alleen maar Hongaars sprak, hebben we een uur lang door het gangenstelsel gezworven en hoewel we toch wel wat gewend waren van onze bezoeken aan franse grottenstelsels waren we toch verbaasd over de omvang van deze en ook vanwege het kleurenspel. Wit van de kalk, rood vanwege de ijzerhoudende gesteenten en zwart omdat ze vroeger, voordat het elektrisch licht was uitgevonden, met brandende fakkels de grot in gingen en de roet die daar van af kwam neersloeg op de wanden en het plafond.
Op het diepste punt, 90 meter onder de oppervlakte, bevindt zich een hele grote zaal, daar waar twee ondergrondse rivieren samenvloeien. Deze zaal wordt de concertzaal genoemd vanwege de bijzondere akoestiek die hier door de natuur is gevormd. En ja hoor, hier vinden jaarlijks meerdere concerten plaats. Wij kregen hier een stukje klassieke muziek te horen en het klonk geweldig mooi. Na de middag hebben we nog een wandeling gemaakt.


De volgende etappe op maandag 13 mei brengt ons naar Tiszafüred, maar eerst maken we een kleine omweg naar Lillafüred om naar de Szinva-waterval te gaan kijken. De waterval in de rivier de Szinva in het Miskolc-gebied is niet van natuurlijke oorsprong. In 1920 begon de bouw van een neorenaissance-hotel aan het kunstmatige meer van Hamori. In de plannen van architecten en landschapsontwerpers waren er terrastuinen, evenals een waterval, waarvoor speciaal de richting van de Szinva-rivier werd veranderd. In hoogte bereikt de Szinva-waterval een hoogte van 20 meter en is daarmee de hoogste waterval van Hongarije. Op een zeer hete zomer, wanneer het water in het bovenste gedeelte opdroogt, wordt het kunstmatig toegevoegd. Het hele jaar door zijn er veel toeristen, vooral fotografen, voor wie de waterval een favoriet thema is voor hun werken. De toegang tot de hangende tuinen, waar de waterval valt, is gratis. Er is ook een smalspoorstation in de buurt, waar de trein vanuit de wijk Diosgyor naartoe rijdt.


Na twee weken nu in Hongarije te hebben rond gereden zijn er twee dingen die ons opvallen. De eerste is het respect van de andere weggebruikers voor fietsers en wandelaars. Wandelaars krijgen in de stad echt ruim baan en er wordt ruimhartig gestopt voor voetgangers die een weg willen oversteken. Wil je als automobilist een fietser passeren, dan moet je tenminste 1,5 m ruimte laten tussen jouw auto en de fietser. Dat betekent vaak dat je achter de fietser zult moeten blijven als er tegenliggers aankomen, en dat gebeurt ook. Op wegen zonder fietspaden is het dan ook echt opletten geblazen. Gelukkig is snelheid maken door de conditie van het wegdek (zoals Janny het noemt: een lappendeken met grote gaten) ook een hele uitdaging.

Hadden we in de jaren zeventig in Amsterdam het zogenaamde ‘witte fietsenplan’ en heeft Parijs dat een aantal jaren geleden ook ingevoerd, in Hongarije hebben de grote steden een variant: het groene elektrische steppen-plan. Op veel kruispunten in de stad vindt je op het trottoir een stalling voor elektrische steps. Heb je een kaartje, dan maak je die step daarmee los van de lader en kun je hem gebruiken. Heb je hem niet meer nodig, dan stal je hem bij een andere lader op het trottoir. Zijn in Nederland elektrische steps op de weg nog niet toegelaten, hier zoeven de gebruikers je voorbij.
Met enige vertraging kwamen we halverwege de middag in Tiszafüred aan, maar niet zonder haperingen. Truus liet het wederom eens afweten en ook de wegwerkers hebben hun steentje bijgedragen. We besloten om af te wijken van onze gewoonte om in het land van bestemming zo veel als mogelijk snelwegen te mijden: we zien graag wat van het land in plaats van geluidswallen e.d. Maar omdat de wegen toch hun beste dagen wel hebben gehad, kozen we er nu voor om 70 km over de snelweg te gaan. En uitgerekend voor onze afslag begonnen de wegwerkzaamheden zonder voor aankondiging en konden we onze afslag niet nemen. Gelukkig had Janny de naam van de afslag onthouden (Füzesabony) en konden we via de omleidingsborden toch op de goede weg terug keren. Inmiddels had Truus ons ook weer gevonden en zo draaiden we rond 3 uur de camping op.