IJzig mooi
Vanmorgen verlieten we het Geirangerfjord om naar de Jostedalgletsjer te gaan. Nu moet je in Noorwegen als je een fjord uit wilt altijd omhoog, tenzij je met de boot bent want dan kun je het fjord gewoon uitvaren. In ons geval moesten we naar 1000 m hoogte voordat we het fjord uit waren. Als je een mooi uitzicht op het fjord wilde hebben kon je nog hoger, naar Dalsnibba op bijna 1500 m hoogte via een tolweg. Toen wij op 1000 m hoogte zaten reden we al door besneeuwde ketens en langs een bevroren meer; wij hoefden dan ook niet nog eens 500 m hoger om vervolgens de diepte in te kunnen kijken.


Nadat we Loen (wij maakten daar Loën van, Overloon in het dialect, wat de noorse uitspraak goed benaderd) aan het Innvikfjord waren gepasseerd, sloegen we in Olden, waar weer zo’n groot cruiseschip in het fjord lag, linksaf naar Brikdalsbreen, onze volgende bestemming. De weg werd erg smal, zo smal zelfs dat je bij een tegenligger elkaar niet meer kon passeren en gebruik moest maken van de speciaal daarvoor aangelegde passeerstroken. Dat betekent anticiperend rijden, anders loop je het risico dat je een paar 100 meter achteruit terug moet op dat smalle weggetje.

Na 20 km – en een stuk of 10 tegenliggers – kwamen we uiteindelijk in Brikdalsbreen aan en konden we aan het begin van de middag ons op de camping Melkevoll Bretun installeren. Hier wilden we twee dagen blijven om op ons gemak de gletsjer te kunnen bekijken.

Langs onze camper stroomde een woest bergbeekje en als we omhoog keken zagen we hem de Volefossen (de Vole-waterval) af komen. Deze waterval is de 45ste in de rij van hoogste watervallen in Noorwegen; zijn totale val is 355 meter, waarvan 185 meter vrije val. Hij dankt zijn naam aan het geluid dat die maakt; het lijkt op vallende stenen (vole in het Noors) en hij maakt dan ook een donderdend geraas. Het schijnt dat als er regen op komst is, zijn gedonder luider en luider wordt. We hebben die middag een kleine wandeling gemaakt naar een uitzichtpunt vlakbij de camping, waar we een prachtig zicht hadden op de ijzige massa van de Jostedalbreen.

In Noorwegen is het gebruik dat je op een wandeling éénmaal in je leven een zogenaamd steenmannetje gemaakt moet hebben; een steenmannetje is een verzameling op elkaar gestapelde stenen, van klein naar groot. Je ziet ze bij tientallen langs de weg staan. Wij konden niet achter blijven en hebben ons steenmannetje ook langs de kant van de weg gemaakt.

Toen we ’s middags in het zonnetje bij de camper zaten zagen we de bussen vol met toeristen af en aan rijden; het merendeel kwam denken wij vanaf Olden, de aanlegplaats van cruiseschepen. We besloten om de volgende morgen vroeg aan te lopen, zodat we die scheepsladingen wat voor zouden kunnen blijven.
De volgende morgen dus al vroeg de bergschoenen aangetrokken voor een klim van bijna 4 kilometer en ruim 300 meter omhoog, naar de Jostedalbreen. Deze gletsjer is de grootste van het vasteland van Europa; hij is in totaal 470 km2 groot. Het pad naar de tong van de gletsjer was goed begaanbaar en vrij breed; het pad is genoemd naar Keizer Wilhelm van Duitsland, die begin 20e eeuw ook een bezoek heeft gebracht aan deze gletsjer. Over dit pad rijden tot zo’n 500 meter van het eindpunt karretjes met 8 zitplaatsen, die – meestal – bejaarde cruise-toeristen op een makkelijke manier tot dicht bij de gletsjer brengen.Daarna is het nog ongeveer 15 tot 20 minuten lopen.

Wij verkozen te wandelen en we waren, ondanks het vroege uur, niet de enigen. Velen wandelden met ons mee. Zo ook een groot aantal Japanners (neen, Inge, niet alleen bij jullie op vakantie zijn die in grote getale aanwezig), waarvan er een vijftal zeer bijzonder uitgedost waren. Nu zijn we hier ver van grote steden, nog verder van industrie en hoog in de bergen, dus de lucht die wij inademen moet wel bijzonder schoon en gezond zijn. Niet voor deze Japanse, die bescherming zocht tegen de koele berglucht. En zo zagen we er nog minstens vier met monddoekjes om.



We hebben samen op een rotsblok gezeten om van dit prachtige natuurschoon te genieten. Iets voor 12 uur gingen we weer op weg naar beneden en konden we genieten van de bergbeek die door het smeltwater van de gletsjer wordt gevormd. Zo’n 10.000 liter water per minuut komt als smeltwater in het meer aan de voet van de gletsjer en dat water stort met geraas naar beneden; eerst nog als een kalm bergbeekje maar hoe groter het verval, hoe woester hij wordt. Op een gegeven moment valt hij zo’n 30 meter naar beneden en word je nat van het, overigens ijskoude spatwater.

Aan het eind van de Keizer Wilhelmweg ligt de gebruikelijke souvernirwinkel en daar stonden inmiddels ook een stuk of 15 bussen. Voldaan en vol indrukken kwamen we in de middag weer bij de camper aan. Morgen gaan we naar de watervallen Feigevossen, zo’n 175 km verder.
De laatste foto’s zijn weer op Flickr in het album Week 7 gezet (zie de link in de rechterkolom onderaan). We genieten niet alleen van onze omgeving, maar ook van de reacties van jullie, onze volgers; daarvoor willen we jullie hartelijk danken. Keep up the good work, zou ik zeggen.

Van zeven zusters, een vrijer en een bruidssluier
Wat later dan we gewend zijn, zijn we deze morgen vertrokken met weer de zon hoog aan de hemel. Vanwege de zondag was het vrij rustig op de weg en na een aantal kilometers zijn we met het veer overgestoken van Linge naar Eidsdal van ongeveer 15 minuten. Daar waar de Trollstigen je naar hogere sferen voert, leidt de Adelaarsweg naar Geiranger je weer naar zeeniveau. Vanaf 620 m hoogte, met 11 haarspeldbochten en een hellingspercentage van 12% wordt de bergrijd-kunst van Roland weer op de proef gesteld.

En als je denkt dat je al het moois inmiddels wel hebt gezien dan vergeet het maar. Na de ijstijd lieten de gletsers in Noorwegen prachtige fjorden achter en de uitzichten zijn dan ook werkelijk subliem! Geirangerfjord wordt ook wel de parel in de kroon van de fjorden van het hoge Noorden genoemd. Sinds 2005 staat de Geirangerfjord zelfs op de wereld-erfgoedlijst van de UNESCO.
Tijdens de afdaling konden we op 2 plaatsen genieten van een adembenemend uitzicht op het Geirangerfjord, Geiranger zelf en verschillende watervallen. Wij zijn maar op een plaats gestopt omdat op Oslo na dit gebied de drukst bezochte toeristische attractie is en de parkeerplaatsen al snel heel vol staan en je moet dan doorrijden. Veel toeristen komen met cruiseschepen die door de Storfjord en Sunnylvsfjord tot in de Geirangerfjord kunnen varen.
De 20 km lange Geirangerfjord kent beroemde watervallen maar daarover later meer. Ons eindpunt was Geiranger waar we een paar dagen op de camping willen blijven. Na ons geïnstalleerd te hebben op de camping op een mooie plek aan de rivier met o.a uitzicht op het fjord en waar we kleine watervalletjes langs de bergwand naar beneden zien komen, zijn we het dorpje ingelopen.

Geiranger is een klein dorpje met 240 inwoners aan het einde van de Geirangerfjord aan de uitmonding van de rivier Geirangelva maar met een drukte van jewelste. ’s Morgens was er een cruiseschip aangemeerd en bussen reden af en aan, het dorpje leeft van het toerisme. Het was ons te druk en we zijn terug naar de camper gelopen om de wandelschoenen aan te doen en via een pad op de camping kwamen we bij een metalen trap die langs de bergwand naar boven liep waar een gigantische waterval ontsprong en ook daar weer een prachtig uitzicht. Bovendien scheen de zon volop dus het was ook nog eens heel aangenaam om te lopen. Ondanks dat het maar 16 graden was, voelde het veel warmer aan en we hebben tot 19.00 heerlijk buiten kunnen zitten. Als de zon achter de bergen verdwijnt is het meteen een stuk kouder dus dan zoek je graag de warmte op.


De volgende dag hadden we om 9.15 een boottocht door de fjorden geboekt en omdat de zon weer scheen konden we op het dek blijven zitten. Inmiddels was ook het tweede cruiseschip gearriveerd en dat is ook goed te ruiken, ook op de camping ruik je continue de dieselolie van alle schepen en ook de uitlaatdampen blijven lang in het fjord hangen. Dat is het enige negatieve wat we geconstateerd hebben.
Maar niettemin hebben wij een prachtige boottocht gemaakt door de fjorden met zijn beroemde watervallen zoals: De syv søstrene (de zeven zusters). De zeven zusters bestaat uit zeven verschillende stromen en de waterval wordt gevoed met smeltende sneeuw van de bergketen Geitfjellet. Het hoogste deel, heeft een vrije val van 250 meter.

De legende van de zeven zusters is dat de zeven zusters speels dansend de berg af komen, terwijl de aanbidder (Friaren, een waterval tegenover de zeven zusters) speels flirt vanaf de overzijde van de fjord. De aanbidder probeert een huwelijks aanzoek te doen aan de zeven zusters aan de andere kant van de fjord, maar dat is nooit gelukt en de Friar heeft toen zijn toevlucht gevonden in de fles. (die zie je terug in de waterval)

De derde beroemde waterval is de Brudesløret (de bruidssluier) die zijn naam te danken heeft aan het feit dat als er zonlicht op valt het water doet denken aan een dunne sluier.
Er staan hier oude boerderijen bovenaan deze steile wanden (vlakbij de zeven zusters), en de kinderen en dieren werden vroeger aan een touw gebonden zodat ze niet naar beneden konden vallen. De laatste bewoners zijn in 1892 vertrokken uit hun boerderij. In 100 jaar tijd zijn er zeven bewoners die op de bergwand woonden om het leven gekomen.
Als je door de fjorden vaart en je ziet de gigantische rotsketens om je heen dan besef je pas hoe klein je als mens bent. Voor ons was het een bijzondere ervaring die we niet hadden willen missen en ondanks dat het in het dorpje zo druk is, is dit zeker de moeite waard als je naar Noorwegen gaat. De weg er naar toe is al een hele belevenis.

’s Middags hebben we nog een wandeling naar het kerkje gemaakt dat een stuk hoger ligt en daarna heerlijk in de zon zitten genieten van de omgeving. De Noren zitten te wachten op regen, het gras is dor, de gewassen hebben water nodig. Het is voor Noorwegen de laatste 7 weken ongekend droog weer geweest. Jammer voor de noren maar wij zijn er heel blij mee.

Over bruggen, Trollen en Jugendstil
In de nacht van woensdag op donderdag 9 juni heeft het flink geregend en ook ’s morgen trokken nog een paar buien over. We hadden dan ook geen echte haast om te vertrekken en pas halverwege de morgen gingen we de camping in Øysand af met als doel Kristiansund. Onderweg gaf de navigatie bij een splitsing van wegen aan dat we rechtsaf moesten, terwijl de borden van de Noorse ANWB ons rechtdoor stuurden. Deze keer hebben we maar niet op de Tom-Tom vertrouwd en achteraf prijzen we ons gelukkig. We reden door een landschap dat we al snel Klein Oostenrijk doopten: we reden door dalen met koeien in de weiden, kabbelende rivieren en weidse bossen, omringd door bergen. Aan de rand van een bos zagen we op een gegeven ogenblik een hert staan die geen aanstalten maakte om weg te vluchten. Hij kon dan ook prachtig op de foto. Ook kraanvogels in de wei langs de weg deden geen enkele moeite om er vandoor te gaan.


De volgende morgen reden we al vroeg te stad uit en via een (tol)tunnel van 6 kilometer lang die 250m onder het Ramnfjord door loopt, begonnen we aan de Atlantershavsveien, de toeristische weg die van eiland naar eiland danst midden in de Atlantische Oceaan. Hij is slechts 8 kilometer lang, maar verbindt 7 eilanden met 6 bruggen. De hoogste brug, de Storseisundetbrua is 260 meter lang en heeft een doorvaarthoogte van 23 meter; deze brug maakt een bocht en biedt daardoor een artistiek perspectief in de techniek van de bruggenbouw.

Veel toeristen kiezen er voor om deze Atlantische Weg in de herfst te berijden om de woeste stormen te ervaren die de weg geregeld moet doorstaan. De bouwvakkers kregen 12 stormen van orkaankracht te verduren voordat de weg in 1989 klaar was. We hebben foto’s op internet gezien waar het zeewater nog over de Storseisundetbrug spatte!! Wij gingen er met een stralend zonnetje over heen en dat was prachtig.


Als je ooit nog eens in de buurt bent (maar ook als je dat niet bent), is deze toeristische weg een aanrader. Via het vissersdorpje Bud belandden we uiteindelijk in Åndalsnes, waar we op de lokale camperstandplaats de nacht hebben doorgebracht.
De volgende morgen zijn we vroeg opgestaan. We wilden namelijk de Trollstigen over en dat deden we liever met zo weinig mogelijk anderen. De Trollstigen is één van de top-attracties van Noorwegen. Deze weg, van Åndalsnes naar Linge, wordt voornamelijk bevolkt door campers, motortoeristen, toerbussen en dagjesmensen. Het landschap op de route is één lange ansichtkaart. Het traject telt 11 haarspeldbochten, heeft een hellingspercentage van gemiddeld 9% en de weg is regelmatig te smal om elkaar te passeren. Er zijn wel passeervakken, maar door de diversiteit aan chauffeurs waarschuwen de boekjes dat het wel eens wil voorkomen dat de hele boel vast komt te staan. Vandaar dus dat wij vroeg uit de veren gingen en dat heeft zich geloond. Er reed één franse camper een meter of 200 voor ons en we hebben maar één tegenligger gehad. Om 9 uur ’s morgens waren we boven en konden we genieten van het uitzicht. En natuurlijk wordt zo’n punt toeristisch uitgebaat door een souvenirwinkeltje (waar je een echt Trollstigen-certificaat kunt kopen als bewijs dat je de berg bedwongen hebt, een certificaat dat niet aan ons is besteed) en een restaurant met bijvoorbeeld een kop soep van de dag voor € 13,50.


Na van het schitterende uitzicht te hebben genoten en nadat het adrenaline-gehalte weer wat was gedaald, zijn we aan de langzame en zeer geleidelijke afdaling naar Linge begonnen. Onderweg zijn we gestopt bij de Gudbrandsjuvet, een bergbeek die zich met veel geweld naar beneden stort en naast een felle waterval ook een prachtige regenboog veroorzaakt.

Vervolgens ging onze route verder langs een paar fjorden naar het stadje Ålesund, een stad met een geschiedenis. In de nacht van 22 op 23 januari 1904 verwoestte een brand nagenoeg de gehele stad. De meeste huizen waren, zoals trouwens nog steeds in Noorwegen, opgetrokken uit hout. Een omgevallen petroleumlamp zou de brand veroorzaakt hebben. De brand werd nog aangewakkerd door een zuidwesterstorm en woedde 16 uur, verwoestte 850 huizen en maakte 10.000 mensen dakloos. Van overal in de wereld kwam hulp; Wilhelm II, keizer van Duitsland, was een bewonderaar van Noorwegen en hij stuurde naast enkele schepen met levensmiddelen, medicamenten en bouwmaterialen ook een leger bouwvakkers en jonge Noorse architecten naar de stad. Deze laatste waren sterk beïnvloed door de toen populaire stijl: de Jugendstil. De wederopbouw vond zo’n beetje in die stijl plaats en dat heeft de stad beroemd gemaakt. Als je er bent valt het tegen; je ziet inderdaad wel Jugendstil-elementen terug in de binnenstad maar wij hadden het ons veel grootser en uitbundiger voorgesteld. In zoverre was dit de omweg niet waard. Na een kort oponthoud zijn we dan ook omgekeerd en hebben ons voor de nacht genesteld op de parkeerplaats van de Rema1000.

Trondheim, de stad van Olav
Omdat de weersverwachting onbestendig met regenbuien luidde zijn we ’s avonds na het eten op de dag van aankomst de stad ingelopen. Op de rand van de camperplaats hoorden we muziek en daar zat een Noorse Jostiband heel enthousiast muziek te maken. We hebben even staan luisteren alvorens we de brug overliepen om naar het oude stadscentrum te lopen. Al snel werden we ingehaald door duizenden hardlopers, blijkbaar een evenement voor een goed doel want we zagen o.a een team operatieverpleegkundige in vol ornaat voorbij lopen. Overal langs de route stonden, (zoals dat bij ons ook is bij dergelijke evenementen) enthousiaste muzikanten de lopers muzikaal te ondersteunen. En het was een pittige route met klimmen en dalen. Dat rennen is overigens iets wat je zowel in Zweden en Noorwegen heel veel ziet van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Wij hebben de lopers hun gang laten gaan en zijn richting het oude centrum gewandeld.

Trondheim is in de 10e eeuw gesticht door Olav, een Vikingkoning en is de tweede grote stad van Noorwegen. Het middelpunt van Trondheim is de grote Nidarosdomkathedraal.

Deze kathedraal stamt van oorsprong uit de 11e eeuw en bevindt zich op de plaats van het graf van koning Olav de Heilige en is al sinds de middeleeuwen een bedevaartsplaats. Hij heeft een indrukwekkende voorgevel met een glas-in-lood rozet. Menig koning is in deze kerk gekroond. De kathedraal was al gesloten dus zijn wij via het eeuwenoude kerkhof (sommige graven dateren uit de 17e eeuw) gelegen in het park rondom de kerk verder gewandeld en via een doorgang kwamen we bij het voormalig aartsbisschoppelijk paleis daterend uit de 12e eeuw en tevens ook een verdedigingswerk. Nu is het een leger en verzetsmuseum. Via het park dat aan de zuidkant grenst aan de rivier de Nidelva kwamen we uit bij de fraaiste brug van Trondheim die de rivier overspant, de Gamle Bybru (oude brug), ooit in 1681 gebouwd als toegangspoort naar de vesting Kristiansten die hoger op een heuvel ligt, die gebouwd werd na de grote stadsbrand van 1681 en onder meer dienst deed tijdens de Zweedse invasie van 1718. In 1861 werd hij vervangen door de huidige brug. Vanaf de brug zie je aan weerszijde de oude pakhuizen en werven staan gebouwd tussen 1700 en 1900.

Via die brug konden wij aan de andere kant weer terug naar onze camper om na een goede nachtrust de volgende dag onze stadswandeling te hervatten.
Het weer was inderdaad onbestendig en op een klein buitje na (voor ons tijd om bij Star Bucks aan de cappuccino te gaan) hebben we de rest van de stadswandeling afgemaakt. De kathedraal zijn we voorbij gelopen omdat op dat moment een groot aantal bussen hun lading hadden gelost en er lange wachtrijen om een ticket te kunnen kopen ontstonden. We passeerden een van de oudste straatjes (St.Jørgensveita) daterend uit de 16e eeuw.
Als je over de oude brug de “Portal of Joy” passeert kom je in de oude wijk Bakklandet. Oude straatjes met sfeervolle kleurrijke arbeidershuisjes. Hier vind je gezellige cafe’s, restaurants en kleine lokale winkeltjes. Omdat de meeste toeristen waarschijnlijk in de kathedraal óf in de wachtrij stonden was het heel rustig en konden we op ons gemak daar heerlijk rond slenteren.

Na een bezoek aan de Onze Lieve Vrouwe Kerk waar we mensen op de banken zagen slapen en achterin koffie/thee gedronken kon worden. (daklozen opvang??) werden we bij buitenkomst opgeschrikt door een oorverdovend lawaai dat met tussen pozen steeds werd herhaald. We zijn er niet achter kunnen komen wat het was, maar we stonden met onze handen over de oren zo intens hard ging het (en dat voor twee slechthorenden ;-)) Het was rond het middaguur dus wij dachten dat het misschien de sirene was zoals wij dat ook de eerste maandag van de maand hebben, maar dat is slechts gissen.

Een andere bezienswaardigheid is de Stiftsgården (Royal Residence). Dit is het grootste houten huis in Scandinavië met 140 kamers op een oppervlakte van 4000 m2. Het is in de jaren 1774-1778 gebouwd als een prive residentie.

Aan het einde gekomen van onze wandeling ( hier beschreven zijn de high-lights) hebben we boodschappen gedaan en waren we net op tijd voor het flink begon te regenen terug bij de camper.
We zijn daarna naar de dichts bij zijnde camping gereden in Øysand waar we de rest van de middag in de camper hebben doorgebracht, alle was gewassen (en dat was behoorlijk aan de prijs op deze camping nl 30 euro voor 2 keer wassen en 2 keer drogen.) Maar je hebt weinig keuze, de campings met wasmachine en droger zijn schaars. We hebben in elk geval kunnen genieten van surfers en kite-surfers want er stond een stevige wind.

De foto's tot en met vandaag zijn op Flickr gezet; je vindt de laatste foto's daar onder het album Week 6.
Wild water maar geen Bjørn

In het Zweedse Gäddede hebben we zondag 5 juni 2016 boodschappen gedaan en dat is een genot als je het vergelijkt met het boodschappen doen in Noorwegen. We begrijpen nu waarom de zweedse winkels aan de grens zo gewild zijn bij de Noren. Na aldus onze voorraad weer wat te hebben aangevuld zijn we begonnen aan de Wildernisroute. Het gebied dat door de Wildernisroute wordt omsloten ligt in slechts 3 gemeenten en is in totaal net zo groot als 57% van Nederland. Er wonen binnen deze gemeenten 22.000 mensen, dus het gebied is redelijk dun bevolkt. Deze dag hebben we maar een klein stukje van de route gereden, eerst langs Ankarede, een eeuwenoud Sami-dorpje. Ankarede is tot op de dag van vandaag een trefpunt van de Sami. De kleine plaats in de buurt van Blåsjön is vooral bekend door zijn in 1896 gebouwde houten kapel en ook door de jaarlijkse kerstmarkt op het eerste weekend van december. Bij de zomerzonnewende-festiviteiten wordt er nauwelijks geslapen, want dan wordt er in plaats daarvan urenlang gegeten, gedanst en gepraat. Wij waren te vroeg – het begint haast gewoonte worden – want het dorpje was nog onbewoond. Vervolgens zijn we door gereden naar Stora Blåsjön waar we op een camping bij de boer zijn gaan staan aan een groot meer.


De volgende dag voerde de route ons over de Stekenjokk, een berg van 1036 meter hoog. Deze berg is in Zweden vooral bekend omdat daar de krachtigste wind in Zweden is gemeten (170 km per uur) èn omdat het weerstation daar ook de laagste temperatuur in Zweden ooit heeft gemeten: -52 gr. in 1966.De afgelopen nacht was het er slechts -1 gr. De weg over de Stekenjokk is eerst sinds eergisteren open en wij reden bijna helemaal alleen; ons zijn op deze weg slechts 3 auto’s tegemoet gekomen. Bovenop de Stekenjokk was het uitzicht adembenemend; smeltwater dat zich samenvoegt tot kabbelende beekjes die op hun beurt wilde stromen worden die klaterend over rotsen naar beneden storten. Vlak bij de top zagen we een Alpensneeuwhoen; het enige stuk(je) wild dat we tot dan toe hebben gezien.


Daarna is het rustig afdalen via de bergen en heuvels van Zweeds Lapland naar Vilhelmina. Onderweg troffen we een hele kudde rendieren die in het zonnetje lagen te herkauwen langs de kant van de weg.

Bij de Treppstegsforsen (de trappenwaterval) zijn we onderweg wat langer gestopt om van het vallende water langs ontelbare trappen te genieten. Janny kwam daar aan de praat met een Deense die vier maanden per jaar in Zweden woonde en daar een uitspanning runde. Zij was haar restaurantje nu aan het opknappen voordat de toeristen in busladingen vol (in de maanden juli en augustus) haar negotie komen aandoen. De Deense had daar plaids liggen met daarop een afbeelding van een eland en Janny mocht er een meenemen; dat vond ze toch iets te gortig en uiteindelijk heeft ze die geruild tegen twee kleine flesjes rode wijn die dankbaar werden aangenomen. Zij – de Deense – kon ons vertellen dat we naar alle waarschijnlijk echt geen beren zouden zien; allereerst hebben die nu net jongen gekregen en dus vertonen ze zich al helemaal niet maar ook al zou dat niet het geval zijn, de kans dat je ze wel zou zien is bijna nihil. Zij kent Zweden die al hun hele leven hier wonen en die een beer alleen maar in de dierentuin hebben gezien, nooit hier in het wild. Maar voor het toerisme zijn dit natuurlijk aanlokkelijke verhalen.

Omdat we al eerder in Vilhelmina zijn geweest – zie ons verhaal Meeting Rudolph in Lapland – besloten we een tiental kilometers daarvoor de gebaande paden (de Wildernisroute naar Vilhelmina) te verlaten en ons echt de wildernis in te wagen door binnendoor te steken over half-verharde en onverharde wegen. Dat was zo’n 80 km hobbelen en stof vreten met een slakkengangetje van maximaal 50 km/u, maar vaak nog veel langzamer, naar het beginpunt van de Wildernisroute. We hadden toen nog de stille hoop dat we misschien onderweg een eland of vossen zouden tegenkomen, maar helaas. Het is bij een kudde rendieren en de Alpensneeuwhoen gebleven.

Uiteindelijk kwamen we op onze overnachtingsplek in Gubbhogen aan, een zogenaamde natuurcamping. Nou, hij was prachtig: (drink)water uit een natuurlijke bron, een ouderwetse kakdoos, inclusief houten huisje, een keukentje met fornuis (op hout gestookt, wel eerst zelf aanmaken), een sauna – ook zelfbediening – en dat alles gelegen aan een groot meer, inclusief zwermen muggen (helaas), voor de belachelijke prijs van 0,00 Euri. We hebben eerst geprobeerd om de camper weer redelijk stofvrij te krijgen na de wilde rit door de wildernis over onverharde paden. ’s Avonds hebben we een houtvuurtje aangelegd en tot een uur of elf buiten gezeten; dankzij het vuurtje bleven de muggen weg, maar Janny was daarvoor al vele malen gestoken.




De volgende dag zijn we naar Trondheim gereden om vanaf dat punt onze geplande route weer te vervolgen. Daar staan we nu, aan de rand van de oude stad op een camperstandplaats samen met nog zo’n stuk of twintig campers. Morgen gaan we de stad bezoeken en dan naar een camping hier vlak bij om de noodzakelijke was te doen. Onderweg hier naar toe hebben we het er over gehad of de Wildernisroute de omweg waard was. We kunnen ons voorstellen dat mensen die deze route rijden en alleen nog in Zweden zijn geweest, van de ene ah in de andere oh vallen en de route adembenemend mooi vinden. Dat is ie ook, maar als je in Noord Noorwegen bent geweest en daar het bijzondere natuurschoon hebt bekeken, dan is de Wildernisroute niet meer echt zo bijzonder en raak je niet meer gauw verbaasd. Kortom, geen spijt van de omweg, maar ook geen drang om nog een keer terug te gaan.

Toch nog Vildmarksvägen
De afgelopen dagen hebben we de nodige kilometers gereden, ten eerste omdat het bij vertrek op 3 juni begon te regenen en het weerbericht liet zien dat er in de regio Svartisen de komende 2 dagen weinig kans op verbetering was. Dus reden wij de zon tegemoet. Het werden 2 dagen waarvan we het gevoel hadden dat we naar een grote life natuurfilm op National Geographic zaten te kijken. We reden langs gletsjers, besneeuwde bergen, groene loofboombossen, kabbelende beekjes en watervallen, fjorden en zeestraten, glooiende hellingen met volop boterbloemen en over smalle wegen.


En plosteling, na weer een bocht om een baai van een fjord heen, zie je in de verte iets dat lijkt op een "Stairway to heaven"

We hebben een tussenstop gemaakt om te genieten van het uitzicht op de Enger-gletsjer die de zee tot op 20 meter nadert en de laagste liggende gletsjertong is van Europa. Vanaf de parkeerplaats langs de weg had je een schitterend zicht daar op. De ijskap Svartisen bestaat uit twee grote ijsmassa’s van in totaal 369 vierkante kilometer en ligt ten noord-westen van Mo I Rana ons eindpunt van deze dag. In alle richtingen hebben deze ijskappen gletsjertongen die in de dalen langzaam naar beneden glijden en smelten.

Twee keer hebben we een oversteek met het veer gemaakt. Een korte van 15 minuten van Furøy naar Agskardet waarbij we in de camper konden blijven zitten en een van een uur van Jektvik naar Kilboghavn waarbij we ongeveer halverwege de poolcirkel weer passeerden. Dit wordt door de kapitein omgeroepen en langs de kust zie je een zonnewijzer staan. We hadden het geluk dat we bij beide veerdiensten meteen mee konden anders kan het zijn dat je 2,5 uur moet wachten.

Grappig was dat we nu onderweg geen borden met overstekende elanden of rendieren zagen maar borden voor overstekende schapen en inderdaad we moesten een keer het tempo flink minderen voor een moeder met haar lammeren.
Om 18.00 arriveerden we in de stad Mo I Rana, een stad met een regiofunctie en het eindstation van de Noorse spoorwegen. In brochures lees je over Mo I Rana, tanken, boodschappen doen en doorrijden maar dat laatste hebben wij niet gedaan want wij hebben de camper geparkeerd bij de supermarkt (elke dag open van 6.00 tot 23.00 uur) en daar de nacht doorgebracht.
De volgende ochtend (we hadden beide niet zo goed geslapen, oorzaak onbekend) reden we om 10.00 uur weer aan. Onze eerste stop was de Laksforsen waterval. Deze waterval is beroemd omdat je hier tijdens de zalmentrek de vissen omhoog ziet springen in deze enorme watermassa. Onvoorstelbaar! Helaas waren wij niet op het juiste moment aanwezig maar de waterval was prachtig om te zien.

Halverwege de middag zijn we gestopt op een camperplaats in Namsskogan, hij ligt aan een rivier en daar hebben we geprobeerd om voor ons avondmaal een vis te vangen maar helaas is dat niet gelukt; we zullen het vanavond moeten doen met braadworst.

Bijna 4 weken geleden in Zweden hebben we ons plan om de Wildernisroute te rijden af moeten blazen, want deze weg was toen nog niet open. Omdat we nu nog maar zo’n 100 kilometer van Gäddede verwijderd zijn, een plaats die aan deze Zweedse Wildernisroute ligt, hebben we besloten om een omweg te maken en de aankomende dagen toch de Wildernisroute te rijden. Hij wordt beschreven als de mooiste route om wild te zien; we zullen het de aankomende dagen ervaren. Wordt vervolgd……………
Van de zwarte kat en andere ongemakken




Onze reisgids gaf aan dat de E6 een saaie weg zou zijn, bedoeld om kilometers te maken. Nu kan dat laatste wel waar zijn, maar hij is ook prachtig; we vroegen ons af welke kwalificatie de schrijver van de reisgids heeft voor de Middenpeelweg als hij de E6 in Noorwegen al saai vindt. Hieronder een plaatje, geschoten vanaf de E6.

Vandaag, donderdag 2 juni zijn we over die E6 doorgereden naar Salstraumen, waar we nu op een camping staan. Kunnen we ons weer eens wat ruimer en langer douchen dan in onze camper en da’s ook wel eens lekker; de aankomende 8 dagen staan we alleen op camperplaatsen en moeten we ons op dat punt een beetje behelpen. We zitten nu weer op de oorspronkelijk geplande route en zullen de aankomende twee dagen de toeristische Kystriksveien, de nationale kustroute, volgen. Salstraumen is vooral beroemd om de grote maalstroom tussen het Saltfjord en het Skjerstadfjord, een zee-engte van 150 meter breed met de sterkste getijdenstroom ter wereld. Elke zes uur pompen natuurkrachten tot 400 miljoen kubieke meter water door deze smalle zee-engte. Hierdoor ontstaat een kolkende en schuimende rivier van zeewater, met draaikolken van wel 10 meter in doorsnee; zwemmen is hier dodelijk!

De storing bij Tele2 is gelukkig opgeheven, zodat we weer de beschikking hebben over internet en dus dit verhaaltje op de site kunnen zetten De laatste foto’s zijn geupload op Flickr in Week 5 en vandaag zijn we aan Week 6 begonnen.
Tot slot: een paar van onze volgers vragen zich af of we geen last hebben van het feit dat de zon niet onder gaat, waardoor het biologische dag-nacht-ritme verstoord kan/gaat worden. Nou, het antwoord is heel simpel: we kunnen onze camper bijna geheel verduisteren; we creëren dus eenvoudigweg zelf onze nacht. Alleen het langzaam weer dag worden is er niet bij. Op het moment dat we de verduisteringsschermen wegklappen kijken we vol in de zon; langzaam wakker worden is er dan niet meer bij. Ook het omgekeerde vindt natuurlijk plaats: spelen we ’s avonds een spelletje rummikub of iets dergelijks dan heb je niet het gevoel dat het op een gegeven moment bijna middernacht is; je ervaart het dan nog als midden op de dag. En ja, als je ’s nachts op de camping naar de wc zou gaan heb je geen zaklamp nodig


Van Vikinghuis naar Vissershuis

Toen we deze morgen, zoals elke morgen om 8.00 opstonden konden we de warmte van de zon alweer voelen en dan wordt je blij als je ziet dat de lucht strakblauw is. Onze eerste stop was na zo’n 35 km in Svolvaer. Het is min of meer met 4000 inwoners de officieuze hoofdstad van de Lofoten en ligt aan de zuidoostkant van Austvågoya, het eiland waarvan het noordelijke deel tot de Vesterålen-archipel behoort en waar alles draait om de visvangst. De plaats heeft een vissersvloot van zo’n 250 schepen. Meer dan 60% van de handel op de Lofoten vindt plaats in Svolvaer.

Helaas was het toeristenbureau niet open dus hebben we een poosje langs de haven gewandeld. Voor een stad was het erg rustig. We hebben ook nog gezocht naar wat kaarten om te versturen maar aangezien Tante Post hier de nodige kilometers af moet leggen zijn de kaarten en de postzegels behoorlijk prijzig, zo’n 3 euro per kaart en dat vonden wij iets te gortig.

We besloten terug te gaan naar de camper en richting het Vikingmuseum Lotfotr in Borg te rijden. We waren nog geen 5 minuten onderweg toen we langs de kant politie zagen staan en iedereen werd verzocht te stoppen. Het was een alcoholcontrole (11.00 in de morgen) en Roland mocht dus even blazen en zijn rijbewijs laten zien. Het lijkt misschien vreemd op dit tijdstip maar de avond ervoor op de camperstandplaats constateerde we al dat de Noren tot diep in de nacht buiten blijven zitten en drinken, het wordt tenslotte toch niet donker.

Wij mochten onze weg vervolgen. Het wordt saai, maar de uitzichten waren weer grandioos. Vanaf de weg zagen we een camping liggen op een prachtige locatie in Lyngvaer en aangezien het tijd werd om eens de was te doen besloten we daar te stoppen mits er een wasmachine en droger aanwezig waren en die mazzel hadden we.

Dus aan het einde van de dag lag alles weer schoon in de kast en was ons huis ook gepoetst.
De volgende dag zijn we wat later vertrokken omdat het Vikingmuseum maar een kilometer of 35 verderop lag en wie schetst onze verbazing toen we op de parkeerplaats weer een bekende auto met caravan zagen staan en onze paden zich voor de vierde keer deze vakantie kruisten terwijl we van elkaar niet weten welke richting eenieder van ons opgaat.

Het Vikingmuseum Lofotr in Borg heeft een nagebouwde boerderij, vlakbij de plaats waar de oorspronkelijke opgravingen zijn gedaan van de grootste boerderij (83 m lang) uit de Vikingperiode die in Scandinavië bekend is. Het betreft een boerderij van een Vikinghoofdman uit de periode 500-900 na Chr.

In het museum zijn verschillende opgravingen te zien en in de boerderij kan men zien hoe het leven er in die tijd zo ongeveer uit heeft gezien. We troffen daar een jonge Nederlandse student industrieelontwerper die in de zomermaanden in het museum werkte als schoenmaker, die zijn eigen voeten als voorbeeld gebruikte voor een paar schoenen zoals men ze in de vikingtijd droeg. Vreemd genoeg werkte er nagenoeg geen enkele Noor in dit gedeelte van het museum.


Na dit leerzame bezoek hebben we in Leknes boodschappen gedaan en naar de 4 km verderop gelegen camperplaats gereden waar we een schitterend uitzicht hadden over de bergen en het dal. Rond 22.00 werden we omsloten door een dik wolkendek en was ons mooie uitzicht verdwenen.

Vanmorgen bij het op staan was de mist opgetrokken en scheen de zon alweer. De route vandaag was niet zo lang omdat we bijna aan het eindpunt van de Lofoten zitten, maar wel met een paar tussenstops.

De eerste stop was in Nusfjord, één van de oudste en best bewaarde vissersdorpen in Noorwegen. Opgravingen hebben nederzettingen blootgelegd uit de 5e eeuw en het was toen een van de eerste plekken waar op industriële schaal kabeljauw werd verwerkt in de Nordlandregio. Het wordt nu niet meer permanent bewoond en is een museumdorp. Wel kan men er overnachten in een traditionele rorbuer (vissershuis)
Het ziet er erg pittoresk uit. Misschien omdat je om dit plaatsje te bezoeken van de toeristische route af moet wijken waren wij daarom de enige bezoekers daar en dat vinden wij dus helemaal niet erg.

Vervolgens was onze volgende stop bij Reine. Het uitzicht vanuit Reine op de Kirkefjord was de reden dat Reine ooit werd verkozen tot de mooiste plaats van Noorwegen. Wij delen die mening overigens niet maar dat terzijde.
Na onderweg broodjes te hebben gekocht ging onze route verder naar Å. Hier eindigt de levensverkeerader van de E10, de zuidelijkste plaats op Moskenesoya. Å is een levend visserijmuseum en veel gebouwen hebben een monumentale status. Een groot aantal dateert uit midden van de 19e eeuw. Er staat een fabriek die (kabeljauw)leverolie produceert, een oude bakkerij met overheerlijke kaneelbollen, een smidse en een boothuis en het laat het dagelijks leven zien in een vissersdorp sedert twee eeuwen. Verder is er een groot vissersmuseum te zien.

Na deze wandeling moesten we weer een stukje terug naar Moskenes waar we vanavond om 20.30 met de boot de oversteek maken naar Bodø en afscheid nemen van de Lofoten, een prachtig stukje aarde waar we met veel plezier aan terug zullen denken. De bedoeling was om dit morgen te doen, maar dan moeten we al voor 6 uur het bed uit om de boot van 7uur 's morgens te halen en dat vonden we wel erg vroeg. Bovendien wordt het toch niet donker dus dat is ook wel prettig. Benieuwd wat voor moois de rest van Noorwegen ons laat zien.