Naar de bollen...........die prachtige bollen!
Al zo’n 25 jaar toeren wij met de camper her en der door Europa maar nog nooit in de Keukenhof geweest. In het buitenland kijken ze je dan aan of je gestoord bent want daar wil toch iedereen naar toe. Tijd dus om naar de bollenstreek te gaan. De weersvooruitzichten waren perfect en een plaatsje bij een boerencamping in Lisse was ook snel gevonden. Na een voorspoedige reis werden we hartelijk ontvangen en wegwijs gemaakt bij boerderijcamping Hof van Eden. We kregen wel te horen dat we i.v.m het bloemencorso maar tot vrijdag konden blijven want alles was volgeboekt voor het weekend. In Julianadorp was gelukkig nog wel plaats voor de resterende dagen dus probleem opgelost.
’s Middags met de fiets op pad om te kijken hoe ver het fietsen was naar de Keukenhof. Onze eerste stop was in Lisse bij de Sint Agathakerk. Deze neogotische kerk is gebouwd tussen 1902 -1903 ter vervanging van de kleinere kerk welke sinds 1843 op dezelfde plaats stond. Natuurlijk werd er ook een kaarsje aangestoken.

Onze weg vervolgend door het centrum zagen we een heel groot bloemenschilderij staan van Escher. Prachtig en kunstig gemaakt.

In de bermen, de tuinen, bloembakken in het centrum overal zie je volop bloembollen in bloei. De lucht is bezwangerd met geuren van hyacinten, je ruikt ze al voor je ze ziet. Prachtige bollenvelden in geel, rood, purper, blauw, wit en geel. En natuurlijk weer Japanners die ondanks dat het verboden is zich tussen de velden begeven om zich in allerlei poses te laten vereeuwigen’.

Overigens was het ontzettend druk op de fietspaden ivm een fietsdriedaagse in de omgeving dus was het goed opletten en uitkijken en niet alleen voor de fietsers maar ook voor een moeder eend met haar jonkies.

Tussen de bollenvelden weides met jonge lammetjes, bloeiende bomen met bloesems kortom het was genieten.

De volgende dag zaten we al vroeg op de fiets om voor de grote drukte in de Keukenhof te zijn. Maar bij aankomst om 8.45 stonden er al de nodige bussen, campers en auto’s. Gelukkig viel de drukte in het park niet zo op en konden we rustig overal rondlopen.
De Keukenhof is de op een na grootste attractie van Nederland (Volendam staat op nr 1) en er bezoeken in 7 weken tijd zo’n 1,5 miljoen mensen dit park, je hoort er dan ook meer vreemde talen dan Nederlands (slechts 20% zijn Nederlanders) Wij hebben er zo’n vier uur rondgewandeld en ja, je moet het een keer gezien hebben.



Omdat we niet naar het bloemencorso konden kregen we van de camping eigenaresse de tip om in de grote loodsen naar de “stekers” te gaan kijken. Hier zie je de totstandkoming van de praalwagens. Van een van de organisatoren kregen we een enthousiast verhaal over hoe alles in zijn werk gaat. Eerst wordt er van ijzer een frame gemaakt, daarna komt er papier en karton overheen om de juiste vormen te maken en tot slot vele lagen purschuim waar bloem voor bloem met een bloemsteker ingestoken wordt. Per wagen zijn er gemiddeld 40 mensen bezig en alles moet binnen 2 dagen klaar zijn. Zelfs de schoolkinderen helpen mee. We hebben met bewondering en respect naar dit immense karwei staan te kijken.



(Foto van internet geplukt omdat we toen Lisse al uit waren)
Na een dag vol indrukken was het heerlijk uitrusten in de schaduw want het was een warme dag met zomerse temperaturen (25 gr.)
Alleszins rustig was het niet op deze mooie campingplek. Voortdurend komen er vliegtuigen over en elk half uur denderde de trein achter ons langs. Ook het verkeer van de snelweg was goed te horen en regelmatig zagen we de spoorbrug open gaan om een boot door te laten wat dan omgeroepen werd. Maar goed voor een paar dagen vinden wij dat niet zo erg, je bent de meeste tijd toch niet aanwezig op de camping.
De zon stond de volgende ochtend al weer vroeg aan de hemel en wij hadden een dagje Leiden op ons programma staan. Via een mooi aangelegd fietspad door de natuur zijn we naar Leiden gefietst.
Onze fietsen zetten we meestal bij een kerk neer omdat dat altijd een herkenbaar punt is en dat was ook ons startpunt voor een wandeling door de stad.
De Pieterskerk is de oudste kerk van Leiden en bestaat 900 jaar. Leiden dankt haar bijnaam Sleutelstad aan deze kerk. Petrus die met zijn twee sleutels de hemelpoort bewaakt was de schutspatroon en de beschermheilige van de stad.

Met haar imposante muren en enorme hoogte is deze gotische kerk een ijkpunt in Leiden. Je vindt hier een van de oudste graven uit Nederland met twee menselijke figuren erop. Ook ligt de familie van Rembrandt van Rijn in deze kerk begraven.


Na het bezoek aan de kerk zijn we naar de Rapenburg gelopen om bij cafe Barrera een koffiepauze te houden. Dit cafe is een begrip in Leiden, gelegen tegenover het Academiegebouw hier komen academici, toeristen en vaste gasten genieten van een heerlijke koffie, lunch e.d Het was de stamkroeg van Koning Willem Alexeander tijdens zijn studententijd.


(De Academie lijkt op een kerk)
Tijdens onze rondwandeling door het Pieterskwartier of het “Quartier Latin” van Leiden kwamen we langs het prachtige 17eeeuwse huis waar de jonge Rembrandt leerde schilderen, tekenen en etsen.

Twee huizen verder zien we het ook woonhuis van Jan Steen (1626-1679)
Het was behoorlijk warm deze dag en we hebben de wandeling wat ingekort en een terras opgezocht, bovendien waren we al eens ooit eerder in Leiden.

Op vrijdag zijn we vertrokken uit Lisse en 1,5 uur later (nadat we eerst boodschappen hadden gedaan) arriveerden we op boerencamping Mariahoeve in Julianadorp. Onderweg al zagen we de mooiste bloembollenvelden in allerlei kleuren en we stonden er ook nog eens tussen in.

Julianadorp staat ook bekend om zijn mooiste en schoonste stranden en je kunt kilometers door de duinen en langs de bollenvelden fietsen. Dit hebben wij dan ook gedaan in de volgende dagen. Maar ook aan het strand was het goed toeven.


Ook zijn we naar Den Helder gefietst en behalve dat de vis erg lekker was vonden we de plaats zelf erg tegenvallen. Op de terugweg via de duinen en langs de bollenvelden hebben we nog even staan praten met een bollenteler. Hij liep nl met een mand door het veld en we wilden weten wat hij aan het doen was. Hij vertelde dat hij aan het virus lopen was. Hyacinten zijn erg gevoelig voor virussen en de teler kan dit zien aan het blad en deze haalt hij er dan uit. Een tijdrovend werk als je zo’n giga veld een paar keer tijdens de bloei af moet lopen. Hij vertelde er erg enthousiast over.

Wij hebben in elk geval in deze dagen veel geleerd over de bollenstreek. Genoten van alles wat op ons pad kwam. En bovendien prachtig zomers weer gehad.

En zoals jullie van ons gewend zijn: de laatste foto's staan op Flickr.
In het blauw geschilderd blauw

De teerling is geworpen, het besluit is genomen: we gaan naar Puglia dit najaar. Onze Bucket-list wordt weer een item korter.
Puglia, waar de natuur een oneindige ontdekkingsreis schijnt te zijn, waar je woeste kliffen in een azuurblauwe zee kunt aantreffen, waar eeuwenoude olijfbomen hun vruchten dragen en waar de wijn rijkelijk vloeit; niet voor niets noemen de Italianen deze wijnstreek zelf "de rijzende ster".

Een streek ook die bekend staat om zijn "cucina povera", de keuken van de armen, die in tegensteling tot wat het doet vermoeden, rijk van smaak en bijzonder veelzijdig is. En de streek waar welhaast de bekendste Italiaanse zanger vandaan komt: Domenico Modugno. Ja wel zeker ken je hem, de Italiaanse deelnemer aan het Europees Songfestival van 1958. Hij won niet (hij werd 3e) maar het lied is over heel de wereld gegaan. Niet de titel ""Nel blu dipinto di blu", die ik voor dit verhaaltje heb gebruikt, is bij iedereen blijven hangen maar wel het refrein: Volare, oh, oh, Cantare, oh, oh, oh, oh.

Natuurlijk gaan we op zoek naar de Trulli, de typisch Apulische huizen die nog tot in het begin van de vorige eeuw werden opgetrokken. Alberobello, een verbastering van mooie bossen in het Latijn, staat er vol mee en prijkt om die reden ook op de wereld erfgoedlijst van de Unesco.

En misschien nemen we wel een cartapesta mee: kleine figuren, vaak bedoeld voor de kerststal, die gemaakt zijn van papier-maché en waarom Lecce bekend staat. Helemaal in het zuiden, op het puntje van de hiel, zullen we de Basiliek van de Heilige Maria van het Einde van de Wereld (Santa Maria de Finibus Terrae) bezoeken; tot ver na de Romeinse tijd gold dit puntje echt als einde van de wereld.

We zijn nu druk bezig om de route, waar we altijd weer van afwijken zo heeft de praktijk uitgewezen, samen te stellen. De teller staat nu op bijna 5000 km, waarvan 1000 km door Puglia. De heenweg leidt ons naar Napels en Pompeï en op de terugweg zullen we ook Rome aandoen. Als jullie nog mooie voorstellen hebben, plaatsen die we zeker aan moeten doen, laat het ons dan weten. Onze voorlopige route is op het kaartje ingetekend. Als je hier klikt opent die in een nieuw venster/tabblad en kun je de route helemaal inzoomen tot op straatniveau.

Langs Pajottenland
Kortessem
Vanaf Rocroi was het nog maar een kattensprong naar huis; even nog dwars door België, met een tussenstop op een camperplaats in Kortessem, een klein plaatsje in de buurt van Genk en dus in het Belgische Limburg. We stonden er op een camperplaats naast een Nederlander die zelf het één en ander aan de camper had verbouwd; zo had hij onder andere een aluminiumtrap (zo’n Praxis geval) tegen de zijwand, boven de ramen bevestigd. Ik stond er samen met mijn Belgische overbuurman naar te kijken, toen die buurman opmerkte: “Ik zou hem nooit aan de zijwand hebben opgehangen, maar op het dak hebben vastgemaakt.” Ik wachtte even om hem de gelegenheid te geven zijn uitspraak te overdenken, maar toen er niets meer kwam antwoordde ik: “En dan een tweede trap aan de zijwand om hem er weer af te halen?”. Hij keek eerst bedenkelijk, maar toen klaarde zijn gezicht op: “Ah wel, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb.” Zou het dan toch …..? De volgende dag waren we aan het eind van de ochtend thuis en kon het grote uitpakken weer beginnen.

Een korte terugblik
Na een paar dagen thuis maken we de balans op van onze rondreis door Spanje en Portugal, die precies 14 weken heeft geduurd. Gedurende die 98 dagen hebben we 27 dagen op campings gestaan, 24 dagen op een camperplaats waar tegen vergoeding voorzieningen aanwezig waren en 47 dagen op camperplaatsen waar we gratis hebben gestaan. We hebben op drie kilometer na 7700 km gereden en daarbij 645 liter diesel verstookt, waarmee het gemiddelde verbruik van de camper op 1:12 komt. Nooit harder dan 100 km/uur, meestal zelfs gewoon 90 km/uur rijden en het scheelt aanzienlijk in de portemonnee. Wat dan weer minder handig is, is dat we (ik dus) tweemaal die snelheid ook heb vol gehouden terwijl de maximaal toegestane snelheid 70 km was. Ik kan nu uit ervaring meegeven dat flitspalen in Spanje werken (in tegenstelling tot in grote delen van België). Toen we Portugal uit reden en dus eigenlijk weer aan de terugreis begonnen, hadden we 4093 km afgelegd in 36 etappes; gemiddeld was een etappe op de heenreis dan ook 114 km lang. De terugreis van 3604 km werd afgelegd in 24 etappes van gemiddeld 150 km lang.

Wat was vervelend?
Op zo’n lange reis maak je natuurlijk ook een aantal onaangename gebeurtenissen mee; rijschade aan de camper zoals door een door begroeiing onzichtbaar betonnen paaltje dat even met mijn zijbumper in aanraking kwam, of een te laag hangende iets uitstekende tak, waardoor het glas van mijn contourlichtje rechts-boven het heeft begeven. Echt langdurig onaangenaam waren de onvriendelijke spanjaarden; niet elke spanjaard is onvriendelijk maar er lopen een paar exemplaren rond….. En in België, net toen we wilden zeggen dat we onderweg geen ongeluk hadden gezien was het raak: twee vrachtwagens die op een file ingereden waren.

Het Weer
Wat vonden we het meest aantrekkelijk? Op zich is dat moeilijk te zeggen bij een grote verscheidenheid aan indrukken; je bent al heel gauw appels met peren aan het vergelijken. Natuurlijk was de weersgesteldheid heel aangenaam; voor ons gevoel hebben we maar een paar dagen regen gehad (nauwkeurige contrôle van onze aantekeningen laat echter zien dat er wel op meer dan een paar dagen een buitje is gevallen, maar een enkel buitje voelt een week later al niet meer als regen) en er was eind augustus een korte hittegolf in Zuid-Frankrijk van een week met temperaturen ver boven de dertig graden. Voor het overige hebben we tot begin november temperaturen gehad rond de 25 graden.
De Top Tien
De diepste indruk heeft Oradour sur Glanes achtergelaten; het dorp dat op 10 juni 1944 door een SS Pantser Divisie in brand is gestoken nadat alle aanwezige inwoners waren gefusilleerd. De restanten van het dorp zijn nu een monument.

De mooiste etappe was ontegenzeggelijk die van Melo naar Benquerença van 106 km dwars door het Parque Natural da Siera da Estrela (Het Natuurpark van het Sterrengebergte) en over Portugals hoogste berg, El Torre; je wordt hier geconfronteerd met indrukwekkende rotsformaties van bijna gepolijste granietblokken met daartussen vlakten bedekt met borstelgras. Op de weg naar de top van El Torre, een overigens afgeplatte berg want daarboven kun je gewoon knikkeren, passeer je Sabugueiro, het hoogst gelegen dorp van Portugal, op 1050 m. Die weg naar boven is niet voor schijtlijsters – of al te lange campers – want je komt langs diepe ravijnen en de weg kent niet overal vangrails.

Ook van bijzondere schoonheid was het Praia das Catedrais in Galicië (Noord-Spanje). Door eb en vloed, storm en wind zijn de in zee reikende rotsformatie's van zo'n 30 meter hoog danig uitgesleten en hebben sommige de vorm gekregen van de befaamde luchtbogen van de gotische kathedralen. Vandaar de naam van dit strand. Deze architectuur door de zee is prachtig om te zien.

Diep respect hebben we gekregen voor de pelgrims die over de Meseta richting Santiago de Compostela liepen; en dan in het bijzonder voor diegenen die hun hele bagage meezeulden, heuvel op, heuvel af, over eindeloos lijkende vlakten in de verzengende zon. In Hontanas hebben we op een terras genoten van de blijheid en opgewektheid van een stel Aziatische pelgrims die daar hun lunch gebruikten en die hartelijk werden begroet door nagenoeg elke passerende mede-pelgrim.

Onderweg hebben we talloze kerken en kathedralen bezocht, waarvan drie er ons altijd bij zullen blijven. Met stip bovenaan staat de Catedral de Santa Maria van Burgos; het is de op twee na grootste kathedraal van Spanje. De schepen en portalen van de grotendeels gotische kathedraal werden in de 13e eeuw gebouwd; de gevelspitsen kwamen daar in de 15e eeuw bij. De kathedraal is drieschepig, heeft dwarspanden, veel kapellen en een zware vieringtoren uit de 16de eeuw. Er steken acht rijk versierde torentjes bovenuit. Wij hebben er enkele uren onze ogen uit gekeken.

De andere bijzondere kathedraal staat in een overigens ook bijzonder mooie stad: Cordoba. Deze kathedraal is zo bijzonder omdat hij schijnbaar naadloos ingebed is in de destijds grootste moskee van Europa, waar in hoogtijdagen plaats was voor 20.000 gelovigen. Tot slot blijft van de Kathedraal van Sevilla het retabel beklijven; de kathedraal is de grootste van Spanje en daarin huist het grootste retabel van de wereld, een houtsnijwerk waar oorspronkelijk in de 15e eeuw ruim 40 jaar aan is gewerkt en dat nadien nog is uitgebreid.

Van de talloze kleine dorpjes blijft ons Obidos het beste bij. Het middeleeuwse stadje Óbidos is een van de meest pittoreske en best bewaarde vestigingsstadjes van Portugal. Óbidos is de stad van de koninginnen van Portugal, die verschillende dynastieën lang het stadje hebben verfraaid en verrijkt. Dit is ook een van de belangrijkste redenen waarom er zoveel kerken in dit kleine stadje zijn te vinden. Óbidos is ook bekend om zijn kersenlikeur (Ginjinha), bij voorkeur te drinken uit een bekertje van chocolade.

Een stuk groter maar ook indrukwekkend vonden wij Coimbra in Portugal. Coimbra is één groot doolhof en de kortste weg tussen twee punten gaat via zes straten, twintig verschillende trappen en dan nog zeven haakse bochten. De bovenstad is niet alleen een doolhof, de wegen naar de bovenstad zijn ook allemaal even steil. Het hoogteverschil is amper 150 meter, maar dit gaat via steegjes van enkele honderden meters lang. Daardoor krijg je stijgingen van 20 tot 30% en waar het nog steiler is, helpen de trappen om het hoogteverschil te overbruggen. Deze heuvel is geplaveid met stenen en kasseien maar het is vooral een gezellige sfeervolle stad en overal hoor je wel de klanken van de fadomuziek.

En dan “last but not least”: Granada. Natuurlijk, het Alhambra is prachtig, indrukwekkend, zo zeer zelfs dat het pijn aan je ogen doet, en daar mag en kun je niet om heen. Maar Granada is nog zo veel meer; wij hebben ons ook bijzonder vermaakt in de Moorse wijk Albaicin en de wijk van de grotwoningen: de Sacromonte.

En voor diegenen die de reis ook nog een keer willen maken hebben we hieronder de door ons gereden route opgenomen. Als je hier op klikt of op het routekaartje opent een nieuw venster en kun je tot op straatniveau inzoomen.
Het Venetië van de Gâtinais
Montargis
In deze stad waren wij neergestreken op een prachtige camping midden in een bos. Ruimte genoeg want veel campingbezoekers waren er niet. Hier konden we volop genieten van de prachtige herfstkleuren, roodborstjes, koolmezen, boomklevers. Veel kleine vogels hebben we overigens deze vakantie niet gezien, wel veel roofvogels zoals sperwer, buizerd, vale gieren en een paar uilen.

De stad Montargis ligt in de Franse streek de Gâtinais in het departement Loiret. In de stad komen drie kanalen samen: het Canal de Briare, het Canal du Loing en het Canal d'Orléans. Door het grote aantal bruggetjes (127 stuks) en kanaaltjes waar de huizen rechtstreeks aan liggen, heet de stad ook wel het Venetië van de Gâtinais.

Montargis is een stad, die al ten tijde van Koning Clovis bekend was. Clovis bemerkte het belang van de heuvel van Monte Regis in zijn strijd tegen de Visigoten toen hij zijn rijk naar het zuiden richting de Loire uitbreidde. Volgens de overlevering zou koning Clovis een hoge en machtige versterkte toren op de heuvel gebouwd hebben om invallen en verwoesting van zijn koninkrijk te voorkomen.
Ook is er een connectie tussen Montargis en het China van Mao Zedong . Op 13 augustus 1920 schrijft Cai Hesen, die studeert aan het Montargis college, zijn vriend Mao Zedongzijn voorstel om een communistische volkspartij op te richten in China.
Geclassificeerd als een historisch monument bij besluit van 10 febr. 1909 en 10 juli 2000 is de Sainte Maria Madeleine kerk welke overblijfselen heeft uit de twaalfde, vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw. Gerestaureerd in het midden van de negentiende eeuw door de beroemde Viollet-le-Duc uit 1863 heeft het nog steeds prachtige gebrandschilderde ramen uit Lobin workshops Tours.

Het schip, gebouwd in de late twaalfde eeuw, is de rest van de eerste onafhankelijke parochiekerk van het kasteel, waarschijnlijk gesticht door Philip Augustus. De kapellen van de linker flank zijn toegevoegd aan het eind van de vijftiende eeuw en begin van de zestiende eeuw.
De overblijfselen van het Montargis Kasteel zijn nog steeds zichtbaar in de stad. De voormalige koninklijke residentie, werd gebouwd in de zesde eeuw. Er is nog steeds de vierkante toren van Filips II Augustus, een hoektoren en de overblijfselen van de crypte en de kelders van de koninklijke tuin. Renée de France, de jongste dochter van Louis XII en Anne van Bretagne, stierf in Montargis.
Oude stadhuis in neoklassieke stijl, het hotel Durzy herbergt nu een bibliotheek, het gemeentearchief, evenals het Girodetmuseum. (helaas gesloten toen wij er waren)

Het huis van de Praline, een kopie van een neogotische huis was ooit het huis van een snoepwinkel. Liefhebbers van zoetigheid kunnen de lokale specialiteit gaan proeven: de pralines van Montargis, (moet wel de winkel open zijn) geroosterde amandelen en gekarameliseerde amandelen volgens een recept van Clement Jaluzot van de Duc de Praslin onder Lodewijk XIII. Dit recept uit de late negentiende eeuw door het huis Mazet waar Clement Jaluzot een zoetwaren bedrijf opgericht heeft, wordt tot op heden nog steeds zo gemaakt.

Het is best leuk als je in de buurt bent om deze plaats aan te doen en de stadsroute te wandelen die langs en over een aantal bruggen loopt. Er zijn ook fietspaden die door het bos lopen. Wij hadden de pech dat het op een gegeven moment begon te miezeren, maar hebben de wandeling toch afgemaakt om ons daarna bij een cafe/restaurant lekker op te warmen en te genieten van lokale producten zoals o.a heerlijke gebakken ganzenlever.

Het miezeren ging later op de dag over in regen en het regende de volgende morgen nog steeds toen we opstonden. Na alles opgeruimd te hebben, watertank gevuld konden we onze reis vervolgen naar Sézanne.
Sézanne
Omdat het op zaterdag markt is in Sézanne konden we pas later in de middag op de camperstandplaats dus hebben we op ons gemak boodschappen gedaan bij Le Clerc. Bovendien regende het nog steeds en dat is het de rest van de dag en avond blijven doen. Maar ondanks de regen toch een wandeling door het centrum gemaakt. Vandaag is het in Frankrijk een Nationale feestdag i.v.m einde 1e Wereldoorlog op 11-11-1918 en was er een kranslegging bij het Nationaal Monument.

De middeleeuwse stad, Sézanne ligt tussen het Traconne bos en het Sint-Gondse moeras in het departement Marne . Bevolkt sinds de Gallische periode, leed de stad van Sézanne grote schade tijdens de grote golven van invallen, alvorens te worden herboren uit zijn as in de tiende eeuw. Volledig herbouwd op zijn oorspronkelijke locatie, is het uitgerust met een kasteel en vestingwerken, evenals talrijke windmolens. Beschouwd als een van de grootste steden van Champagne in de dertiende eeuw, wordt het nieuw leven ingeblazen in de zestiende eeuw met de ontwikkeling van de leerindustrie, lakenhandel en wijnbouw. Bijna volledig verwoest bij een brand in het begin van de zeventiende eeuw, maar herbouwd in de 18e eeuw.

Opvallend is de robuuste kerk van Saint-Denis met een vierkante toren van meer dan veertig meter. Gebouwd in blonde steen, sinds de zestiende eeuw, en heeft een mooie gotische stijl en overleefde alle verwoestingen van tijd en oorlog. Hersteld in de vroege jaren 2000, onthult het Renaissance loodglazen ramen, evenals een prachtige fresco van de Transfiguratie boven het hoge altaar van de achttiende eeuw. In de kleine huisjes tegen de kerk woonden ongeveer twintig handwerklieden tot het begin van de 20ste eeuw bierbrouwers, kleermakers, schoenmakers of notarissen. Slechts één is er vandaag de dag nog open, het herbergt nu het VVV.

Helaas stonden de hemelsluizen nog steeds open toen we de volgende ochtend vertrokken naar Rocroi en we moesten zelfs een stuk stapvoets rijden omdat de ruitenwissers het niet aan konden. Het jaagseizoen is volop aan de gang want het was een drukte van belang met jagers in de bossen en weides. Gelukkig zagen we er geen op het moment dat we een prachtige bruin-rode vos voor ons de weg over zagen rennen de wei in, tenzij hij natuurlijk opgejaagd werd. Prachtig dier en wij hopen dat hij nu nog ergens in de bossen rond loopt.

Rocroi
Rond de middag arriveerden we in Rocroi en staan we op een camperplaats net buiten de stadswallen. Onze wandeling was van korte duur deze dag want het waaide behoorlijk en daar kwam ook nog regen en hagel bij dus toch maar de warmte opgezocht om de volgende dag een nieuwe poging te wagen en toen was het gelukkig wel droog. Rocroi is een gemeente in het Franse departement Ardennes (regio Grand Est) Zij maakt deel uit van het arrondissement Charleville-Mézières. Rocroi is een voormalige vestingstad waarvan de stadswallen nog grotendeels aanwezig zijn.

De stervormige vestingstad is gebouwd onder het bewind van Henri de 2de, en heeft opmerkelijke overblijfselen uit zijn militaire verleden weten te bewaren. Versterkt door Vauban in de 17de eeuw, diende deze vooral als verdediging tegen de burcht van Charlemont in Givet, gebouwd door Karel Quint. Vlak in de omgeving van de stad vond op 19 mei 1643 de Slag bij Rocroi plaats, een beslissend treffen tussen de Spaanse troepen onder leiding van generaal Don Francisco de Melo en de Franse troepen onder leiding van Louis II de Bourbon-Condé, Duc d'Enghien (Hertog van Enghien), waarbij de Spaanse onoverwinnelijk geachte troepen het onderspit moesten delven.
Rond de vesting van Rocroi zie je de gordijnen (ook courtines genoemd), bastions, rondelen en beschermwallen (ook contregardes genoemd)., In het centrum van de vestingstad, ligt het centrale plein place d'Armes en zijn fontein, van waar tien concentrisch gelegen straten naar de stadsmuren leiden.

Hier is tevens het museum van de slag bij Rocroi (musée de la bataille de Rocroi) te vinden, gevestigd in een voormalig wachthuis uit de 17de eeuw. (en ook deze was gesloten) De kerk werd gebouwd in 1844 en de spits is 53 meter. Maar hij was op beide dagen gesloten.

Morgen gaan we weer langzaam verder richting Nederland. De aanvullende foto's staan op Flickr in het Album 2017-14.
Je vous en pris .........
De laatste paar dagen hebben we de zomerkleren opgeruimd en wordt het tijd voor de lange broek en warmere truien. Ondanks dat het soms nog een graad of 19 is, is de wind koud, maar je hoort ons niet klagen.

Vanuit Sarlat la Canéda zijn we naar Lanouaille gereden, een klein gehuchtje in de Dordogne. Naast de camper standplaats was een kerkhof en wat ons opviel was de enorme hoeveelheid bloemen die er overal stonden. Nu is dat meestal als het Allerheiligen/zielen is geweest maar in Frankrijk heb je een graf voor de eeuwigheid en zelfs op graven uit 1700-1800 stonden grote potten met chrysanten. Best bijzonder vonden wij. We hebben een wandeling gemaakt en wat mistletoe-takken geplukt, het barst ervan in deze streek.

Bourganeuf
De dag erna zijn we naar Bourganeuf gereden, een gemeente in het Franse departement Creuse. De stad Bourganeuf, gesticht in de 12e eeuw door de Sint-Jan van Jeruzalemhospitaliers, domineert de vallei van de Taurion. Niet te missen: de drie torens van het oude kasteel, waaronder de Zizim-toren, een hoge, ronde toren gebouwd in de 15e eeuw om de Ottomaanse prins Djem, bijgenaamd Zizim, veilig weg te bergen. De camperstandplaats was direct onder aan de burcht.

Na de middag hebben we een stadswandeling gemaakt en voor het eerst sinds maanden moesten de jassen uit de kast. Verder hebben we de Saint-Jean kerk net als het kasteel gebouwd tijdens de middeleeuwen door de Hospitaliers en die een als Historisch Monument geklasseerde oud orgel bevat bezocht en dat waren de ”hoogtepunten” van de stad.

Wij waren beslist niet onder de indruk van deze stad. Heel veel leegstand en weinig sfeer en de tekst van aanbeveling over deze stad dat er veel valt te ontdekken mag best aangepast worden. We waren net op tijd terug in de camper toen het begon te regenen, iets wat we ook al een hele poos niet meer gezien hadden.

De dag erna had het tot onze verbazing flink gevroren en was het maar 4 graden maar we hebben er weinig van gemerkt omdat we rond half 9 alweer startklaar waren.

Châtillon sur Loire
Châtillon sur Loire was ons doel omdat we graag weer eens wilden gaan fietsen en rond de klok van 13.00 waren we op de plaats van bestemming. Een standplaats aan de jachthaven voor plezierboten. Het was er erg rustig en behalve nog een Nederlandse camper waren alle plekken leeg. De zon scheen , blauwe lucht (fris windje) dus ideaal om de wandelschoenen aan te doen en op pad te gaan.

Gelegen op een heuvel in het zuidoostelijke departement Loiret en arrondissement Montargis en ligt op de linkeroever van de Loire. De stad wordt begrensd door een kanaal naar de Loire. De naam is afkomstig van “Castillo”, een klein fort dat in de 10e eeuw op de heuvel werd gebouwd waar nu de St. Maurice kerk, volledig in Renaissance-stijl staat. Verder zie je nog enkele vakwerkhuizen uit de 15e eeuw staan.

Gedurende de Middeleeuwen werd er in de stad gevochten door de abdij van Fleury en het Hof van Sancerre. Met zijn sterke protestantse beweging werd de stad zeven keer aangevallen en belegerd in de 16e eeuw. De volgende dag hebben we een fietstocht gemaakt langs de Loire, het was frisjes maar de zon liet zich geregeld zien. Je kunt in totaal 800 km langs de Loire fietsen op goed aangelegde fietspaden.


Bij terugkomst moesten we nog boodschappen doen, maar onze batterijen van de fietsen waren bijna leeg én we moesten om bij de SuperMarché te komen een flinke klim maken dus op hoop van zegen hebben we ons naar boven gezwoegd om vervolgens tot de conclusie te komen dat de winkel pas drie kwartier later open zou gaan. Er was een bedrijfsleider in de winkel en deze heeft voor ons de winkel open gemaakt zodat we onze boodschappen alsnog konden doen! Wat een service, daar hoef je in Nederland niet mee aan te komen. Natuurlijk bedankten we hem voor dat vriendelijke gebaar, maar hij vond het de gewoonste zaak van de wereld, getuige zijn antwoord: "Je vous en pris......" Berg af was natuurlijk een fluitje van een cent en moe maar voldaan konden we de warmte van de camper opzoeken.

Morgen vervolgen we onze reis naar het Noorden, richting het koude Nederland. De overige foto's staan op Flickr, Album 2017-13.
De Sleutels van ......... Sarlat
Vanuit Oloron Sainte Marie reden we via landelijke wegen naar Fourcés. Het landschap werd vooral gekenmerkt door kleine gehuchtjes, landbouwgronden maar ook restanten van kleine kastelen die nu dienen als wijndomeinen.

Fourcès is een typische middeleeuwse gasconsche bastide, een dorp dat bestaat uit in een verdedigingskring gebouwde huizen, in het Franse departement Gers (regio Occitanie) in de streek die vroeger Gascogne werd genoemd en telt 295 inwoners (2005). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Condom. Ook in deze omgeving vindt men talrijke kastelen, kleine middeleeuwse ommuurde stadjes en bijzondere monumenten, want een paar Pelgrimsroutes in Frankrijk naar Santiago de Compostella lopen door de Gers en hebben interessante historische sporen achtergelaten.De oppervlakte van Fourcès bedraagt 23,1 km², de bevolkingsdichtheid is 12,8 inwoners per km².

Via het idylische dorpsplein reden wij naar het daarachter gelegen park waar de camperstandplaats was. ’s Middags hebben we in de omgeving gewandeld. Aangezien de Fransen vrij hadden i.v.m. Allerheiligen en Allerzielen was er een gezellige bedrijvigheid in het kleine dorpje welke zich concentreerde rond het centrale dorpsplein.

De dag erna hebben we de fiets gepakt en via een heuvelachtige route kwamen we in het plaatsje Montréal. Montréal is een dorp van 2000 inwoners, beïnvloed door zowel de Middellandse Zee als de Atlantische Kust, gedomineerd door zijn imposante en mooie kerk waar de Kartharen hun stempel op hebben gedrukt. De inwoners bestaan nu voornamelijk van de landbouw en bosbouw.

De temperatuur was nog zeer aangenaam (20gr) zodat we ’s middags lekker buiten konden zitten.

Sarlat le Canéda
Sarlat is de onbetwiste parel van de Perigord, daar bestaat geen twijfel over. Het grote geluk van de Dordogne is dat deze regio aan de industriële revolutie en alles wat daarmee samenhangt ontsnapt is. Zo ook Sarlat. In de vroege middeleeuwen kende het een korte periode van voorspoed en welvaart. Vervolgens leidde het eeuwenlang een sluimerend bestaan. In feite heeft Sarlat ook in onze tijd nog de sleutel tot de Middeleeuwen.

(foto van internet; toen wij er waren stond het plein helemaal vol met marktkraampjes).
De stad vindt zijn oorsprong in de stichting van een klooster door de hertog van Aquitanië, Pepijn. En zoals het in die tijden ging, groeide er als vanzelf een stad om het klooster heen. In de 13e eeuw verkreeg Sarlat steeds meer rechten en werd zo een echte stad. De stad krijgt in 1317 een bisschopszetel en de kerk wordt een kathedraal in het begin van de 14e eeuw. Naast de kathedraal ligt het Bisschoppelijk paleis.

Achter de abside van de kathedraal bevond zich het eerste kerkhof waar nu nog enkele grafstenen te zien zijn. In de grote muur die de aarde van het kerkhof tegenhield en de abside vrijhield, waren vanaf de 14e eeuw enkele “enfeus” ingericht. (dit zijn holle ruimtes met platte bodem om er een graf in onder te brengen)
Tevens zie je achter de kathedraal de Lantaarn van de doden. Deze cilindervormige toren met aan de onderkant een diameter van 6,5 meter en een puntige koepel er bovenop die lichtelijk gebogen is wordt sinds de 17e eeuw de Lanterne des Morts genoemd. Zijn romaanse bouw (12e eeuw) kan in verband worden gebracht met de bouw van een grafkapel, de plaats waar doden werden herdacht. Toch is het monument altijd een raadsel geweest. Door de datum van de bouw (1170) heeft men altijd geloofd dat het een monument was om het bezoek van Sint Bernard aan Sarlat in 1147 te herdenken.

Achter de onopvallende Place de la République liggen lanen, steegjes en oude rijk versierde okerkleurige herenhuizen.

De Rue de la Salamandre is genoemd naar de Salamander, het embleem van Koning Frans I en is op veel 16e eeuwse herenhuizen te zien.

In Sarlat vind je ook op zaterdag de beste markt van Frankrijk. Reden om te zorgen dat we op een zaterdag in deze stad zijn.
In de vroege renaissance (1450-1500) wordt het overgrote gedeelte van de huizen gebouwd, die we vandaag de dag kunnen zien en die nog altijd bewoond worden. Sarlat is in de 19e eeuw door de vooruitgang in tweeén gesneden: de Rue de la Republique bracht zoals in zoveel steden de nieuwe tijd: een paardentram er door heen en Sarlat was ontsloten. Daar bleef het dan ook bij: aan de weerskanten van het plein wandel je door de middeleeuwen.

Wij waren voor de grote drukte al op de markt en het is een lust voor je oog. De grote keuze aan handwerk en lokale producten zoals o.a. foie de gras, truffels, paddenstoelen in alle soorten, honing, geitenkazen, hammen en ga maar door. Wij hadden een overheerlijke groene kaas geproefd en liepen de winkel binnen, maar na het zien van de prijs (60 euro per kg) zijn we de winkel weer uitgelopen want dat vonden we toch wat te gortig. Wat ons wél opviel was dat we bij de groentekramen de verschillende groenten konden ruiken. Dat gold ook voor de grote kratten met verschillende soorten appels.

Nadat we op ons gemak de markt overgelopen waren en de koffie op hadden zijn we bij het toeristenbureau de stadswandeling gaan halen en hebben we heerlijk door de smalle steegjes gelopen. Wij waren onder de indruk van deze prachtige stad en we raden iedereen die in de Dordogne is aan om een dag door te brengen in deze stad.
De aanvullende foto's staan vanaf 21.00 uur op Flickr onder Album 2017-13.
Van Mudéjar naar Sainte-Marie
Nogmaals de Spaanse Hoogvlakte.
Bij de Spaanse Hoogvlakte of Meseta denken de meeste niet-Spanjaarden aan het gebied tussen Pamplona en León op een hoogte van ongeveer 600 meter boven zeeniveau. Maar de Spaanse Hoogvlakte is veel groter: het wordt begrensd door het Cantabrisch Gebergte in het noorden, het Iberisch Randgebergte in het oosten, de Sierra Morena in het zuiden en de Extremadura en de bergen van noordelijk Portugal in het westen. Het klimaat op de meseta wordt door Spanjaarden omschreven als "nueve meses de invierno, tres meses de infierno"; de klankovereenkomst in het Spaans (invierno-infierno) gaat in het Nederlands verloren, maar de zin betekent zo veel als "negen maanden winter en drie maanden hel". In weerkundige termen is er sprake van een lange winter en een korte, hete zomer. Het hoogste deel van de meseta ligt op 1000 meter boven zeeniveau en van Valencia naar Zagarosa rijd je door dit deel. Als je eenmaal op hoogte bent, is het bijna net zo vlak als Nederland; er groeien echter weinig bomen, sterker nog, toen wij er door heen reden leek er bijna niets te groeien.

De Mudéjar
Naarmate de middeleeuwse christelijke koninkrijken op de vastelandgebieden oprukten die eerder bezet waren door de islam, bleven vele islamitische inwoners wonen in het veroverde gebied. Deze moslims zijn bekend onder de naam Mudéjar. Deze islamitische inwoners organiseerden zich in gemeenschappen, ze mochten hun godsdienst blijven uitoefenen, hadden een zekere mate van zelfbestuur en werkten grotendeels in de landbouw en in de constructie. Zij waren de makers van een unieke stijl van architectuur die ontwikkeld werd in de verschillende koninkrijken van het middeleeuwse Spanje, bekend onder de naam van Mudéjar.
De Mudéjar is een symbiose van de typische romaanse en gotische stijl van het Westen met de meest karakteristieke decoratieve elementen van de islamitische architectuur. De typisch decoratieve baksteen met geglazuurde keramische motieven is bij uitstek het Mudéjar bouwmateriaal. Dit, samen met het gebruik van hout in het dak, weerspiegelt de meest representatieve elementen van de islamitische architectuur. Deze architectonische stijl, waarin het decoratieve het louter constructieve in perfecte harmonie bekleed, vond alleen plaats op het Iberisch schiereiland, waar gedurende enkele eeuwen de twee culturen naast elkaar woonden.

De stad Teruel is een voorbeeld van de meest representatieve Mudéjar en Spaanse kunst die gevonden kan worden. Zozeer zelfs, dat het Mudéjar in Teruel in 1986 erkend werd door de UNESCO als werelderfgoed. Elke bezoeker die “oog” voor het mooie heeft, zal zeker van deze wonderen genieten. Wij gingen er naar toe omdat we geen brood meer hadden en onze bestemming, Albarracin, zeer weinig winkels kent. Wij namen dus het zekere voor het onzekere en hebben een kleine omweg gemaakt, waarbij we tevens de gelegenheid te baat hebben genomen om het stadje met zijn bijzondere architectuur te bekijken. Bij het vertrek had onze navigatie ook iets bijzonders in petto; het stuurde ons door hoe langer hoe smallere straatjes en op een gegeven moment was het echt passen en meten toen we via een zeer nauwe steile doorgang naar beneden,nog geen duimbreed ruimte meer aan weerskanten - een haakse bocht moesten nemen. Janny moest de camper uit om te kijken want je moet zowel op de bovenkant als de onderkant letten en met haar aanwijzingen...het kèn net (gelukkig niet op zijn Fries). Hier krijg je het dus echt Spaans benauwd van!
Albarracin
Albarracin is een dorp dat ligt op bijna 1200 meter hoogte; in vervlogen tijden werd het gehele gebied van zuidelijke Aragón van hieruit gecontroleerd. De naam komt van de Moorse heerser, de Berber Aben Razin en zijn kinderen: Al-Banu-Razín: de kinderen van Razín. Het dorpje huisvest 1100 'Albarracínenses', zoals de bewoners worden genoemd, en werd in 1961 in zijn geheel geklasseerd als Historisch Erfgoed. Albarracín is een heus openlucht museum en een dorpje waarin sinds de 17de eeuw vrijwel niets veranderde. Als je Albarracin nadert, zie je boven het dorp op een heuvel de resten van het Alcazar van de berber Razin al liggen. In de 11de en de 14de eeuw werd het geheel verbouwd door de katholieke heersers. Grote delen zijn nadien verwoest door oorlogen, alleen de Torredel Andador, het bastion en de muren van 12 meter hoog en anderhalve meter dik bleven over; de restauratie werd nog niet zo lang geleden aangevangenen is ook nog lang niet voltooid. Men is nu bezig met de restauratie van het aller-oudste deel van het Castillo uit het jaar 1.000.

Wij stonden er met onze camper op de gemeentelijke camping, zo'n 1,5 km van het dorpje en op 1100 m hoogte. Naar het dorpje lopen betekende dan ook op het eind een flinke klim, die gelukkig merendeels via trappen kon verlopen; en ineens sta je daar dan, midden op het Plaza Mayor, en waan je je in de middeleeuwen. Straatjes, voorzien van keien als plaveisel en waar daken daarboven dichtbij elkaar komen in een eigenaardige, originele poging om bewoonbare ruimte te winnen. Ruimte die ook aan de andere kant wordt gewonnen door boven het ravijn te bouwen, slechts gesteund door houten palen vanuit de rotswanden. Albarracin bekoort, charmeert met de voor deze streek typische huizen. Elk moment verwacht je dat Don Quichot en zijn helper Sancho Panza om de hoek op zijn paard komt aanrijden.

De Calle de la Catedral is zowat de belangrijkste straat van het dorp, ook op historisch architecturaal vlak. Zij bestaat al sinds de 10de eeuw en huisvest de enige toegangspoort tot de omwallingen. Uiteraard onderging de straat sinds haar ontstaan vele wijzigingen. Er zijn enkele belangrijke historische gebouwen in la Calle de la Catedral, zoals Casa de Cultura y Correos, la Casa de los Monterde en het Palacio Episcopal dat met een barokke toegangspoort dagtekent uit de 17de eeuw.

We hebben hier met veel plezier rondgewandeld. Maar we moesten ook weer wennen aan een lagere temperatuur. Liepen wij nog met blote benen en een vest, de Spanjaarden waren dik ingepakt met winterjassen en mutsen op. (overdag was het 20, als de zon onderging 10)
De Monegros
Vanuit Albarracin ging onze reis verder naar Sariñena, een dorpje 60 km ten oosten van Zagarosa, liggende in de Monegrossteppe. De Monegrossteppe is een steppe die zich uitstrekt over de provincies Zaragoza en Huesca in het centrale deel van het Ebro-bekken. De steppe wordt ruwweg begrensd door de zuidelijke uitlopers van de Pyreneeën in het noorden en de vallei van de Ebro in het zuiden en meet 2764,90 km. Met een bevolkingsdichtheid van 7,4 per km² is dit een van de dunstbevolkte gebieden van Spanje. De steppe valt samen met de comarca Monegros. In de zomer kan de temperatuur in deze steppe oplopen tot wel 40 °C. In de winter kan het koud worden door de ligging, ver landinwaarts op het Iberisch schiereiland. Er valt in de Monegrossteppe gemiddeld tussen de 300 mm en 350 mm regen per jaar. De Monegrossteppe is daarmee ook volgens de droogte-index van de klimaatclassificatie van Köppen een steppe.

Vergaande irrigatie in dit gebied, waar de verdamping sterker is dan de hoeveelheid neerslag die er valt, is er de oorzaak van dat het gebied sterk verzilt is. Hierdoor en het feit dat er bijna niemand woont maakt dat het gebied een desolate indruk maakt. Wij hebben er één nacht doorgebracht op de gemeentelijke camperplaats in Sariñena, vooral omdat anders de dagetappe over de Pyreneën veel te lang zou worden.

Oloron-Sainte-Marie
Vanuit Sariñena ben je in een half uurtje in de provinciehoofdstad Huesca, een vreselijke stad om door te rijden: bijna alle wegwijzers geven de richting naar een lokale bezienswaardigheid of lokatie (de kerk, Plaza de San Lorenzo, de begraafplaats etc.), maar naar een grote stad buiten Huesca zoals Jacca ho maar. Zelfs naar dorpjes net buiten Huesca staat geen verwijzing. Je moet hier dus volledig vertrouwen op jouw navigatie en daar heb ik, na een paar verschrikkelijke missers van dat apparaat, niet zo heel veel zin in. Maar goed, uiteindelijk vonden we een bordje "salida N330" en dat is de weg naar Jacca.

Van daaruit naar de Pas de Somport en door de tunnel, waarna je in Frankrijk uitkomt. Een prachtige rit over de Pyreneën. Nu heeft elk jaargetijde zijn eigen charme, maar na 11 weken strakblauwe lucht en temperaturen rond de 25-30 graden heeft de herfst in de Pyreneën met zijn rijke schakeringen geel en rood wel een heel bijzondere aantrekkingskracht.

Zestig kilometer landinwaarts kom je in Oloron-Sainte-Marie, waar we op de camperplaats, midden in de stad, de nacht doorbrengen.

Het stadje Oloron-Sainte-Marie, gelegen op de grens van de Béarne valleien Aspe en Ossau, bezit een opmerkelijk onroerend erfgoed. Zo staat de Heilige-Maria kathedraal op de UNESCO werelderfgoedlijst als onderdeel van de Santiago de Compostella wandelroute, met zijn schitterend gewerkte romaanse portaal uit de 12de eeuw.

De kathedraal schijnt ook een aardige kerkschat te hebben, maar dit gedeelte was gesloten; de kerkschat is bijeen geroofd door Gaston IV de Béarn, bijgenaamd de kruisvaarder. Na een bezoek aan deze kathedraal (weer heuvel op, uiteraard), een lokale uitbater van drankjes en de middeleeuwse wijk Saint-Croix hielden we het voor gezien en zijn we weer rustig naar de camper gelopen.
De overige foto's staan op Flickr in Album 2017-12 (vanaf 21.00 uur). Morgen begint week dertien van onze trip.
Futuristisch Valencia
Sierra Nevada.
Op korte afstand van Granada begint de Sierra Nevada. En wij zijn er dwars doorheen gereden naar onze volgende stopplaats Murcia. (295 kilometer)

In de Sierra Nevada (besneeuwde bergen) is de berg Mulhacén (3483m) de hoogste bergtop van het Spaanse vasteland. Het westelijk deel bij Granada is Nationaal Park. Aan de zuidkant liggen de dalen van de Alpujarras, met minder ruig landschap en oude Marokkaans aandoende dorpen. Wij reden door het nagenoeg onbewoond Nationaal Park waar de A395 de enige verharde weg is die het gebergte invoert. Tot de 20e eeuw waren de enigste bezoekers de zogenaamde neveros (ijsmannen) die blokken ijs haalden om te verkopen in Granada en fungeerden de besneeuwde bergen als glinsterende achtergrond voor het Alhambra. Nu kun je er wandelen en skieën. Ondanks dat er het grootste gedeelte van het jaar sneeuw ligt zijn er toch zo’n 2000 plantensoorten in het Nationaal Park te vinden waarvan er zeventig endemisch zijn. ( d.w.z dat ze nergens anders voorkomen) De steenbok en de steenarend leven hier. Ook kom je nog een aantal grotwoningen tegen. Het is beslist geen straf om door dit prachtige gebied te rijden.

De eerste grote stad die je binnen rijdt als je de Sierra Nevada verlaat is Murcia. De camperstandplaats ligt zo’n 6 km buiten deze stad en omdat we halverwege de middag daar pas arriveerden hebben we de stad niet bezocht, maar lekker in de schaduw genoten van de rust en de omgeving. Deze keer stonden we voor de verandering midden tussen de citroen-boomgaarden en je ruikt dan ook in de hele omgeving de bijna plukrijpe citroenen.
Valencia
De dag erna was Valencia ons reisdoel. Deze keer reden we over de autoweg en het was niet echt boeiend. Rondom Valencia liggen heel veel mandarijn en sinaasappel-boomgaarden, waar men bezig was met oogsten. De camperstandplaats ligt zo’n 10 km buiten Valencia en ook hier werden we weer hartelijk ontvangen met een glas sangria. Op 5 minuten afstand van de camping is het metrostation en binnen 20 min. waren we in de stad.

Valencia is de op twee na grootste stad van Spanje en ligt aan de Costa del Azahar aan de Middellandse Zee en aan de rivier de Turia. De stad werd gesticht in het jaar 138 v. Chr. door de Romeinen onder de naam Valentia Edetanorum, door de Romeinse leider Decimus Junius Brutus Callaicus. In het jaar 75 voor Chr. werd de stad verwoest door de strijd tussen Pompeius en Quintus Sertorius. De stad werd daarna deels hersteld, rondom het jaar 50 van de 1e eeuw kreeg de stad een eigen Romeins circus, een forum en de beroemde torens “Torres de Serranos”.

In de 4e eeuw, na de vervolging en marteling van Vincentius van Zaragoza, ontstond de eerste katholieke samenleving van de stad en begon de transformatie van Romeinse tempels in christelijke gebedshuizen. Deze periode van religieuze verandering valt samen met de komst van de Germaanse Visigoten. Vervolgens werd het zuidoosten van het Iberisch Schiereiland veroverd door de Byzantijnen, zij werden in het jaar 625 het land uitgezet.
In het jaar 711 wordt Valencia veroverd door de Moren en begint de stad voor het eerst sinds jaren weer te groeien. Op 28 september 1238 werd Valencia wederom uit Arabische handen afgepakt, ditmaal door Jaime de Veroveraar en zijn leger dat bestond uit onder anderen Italiaanse en Duitse soldaten. Meer dan 50.000 Almoraviden ontvluchtten de stad en op 9 oktober werd Valencia de hoofdstad van het nieuwe "Rijk van Valencia", onderdeel van het Koninkrijk Aragón. In 1348 werd de bevolking van de stad geteisterd door een grote pestepidemie en men begon zich te verzetten tegen de koning tijdens de zogenaamde "Oorlog van de Unie". In 1363 en 1364 verdedigde Valencia zich met succes tegen het leger van het Koninkrijk Castilië.
Rond het jaar 1400 braken stabielere tijden aan voor Valencia, de 15e eeuw staat dan ook wel bekend als de “Gouden Eeuw van Valencia”. In die periode groeide de stad zowel economisch als cultureel als nooit tevoren en was in 1483 de grootste stad van het Koninkrijk Aragón.
In de jaren 10 van de 20e eeuw werden de twee grote overdekte markten van de stad gebouwd en kreeg het haar eigen treinstation, het ‘Estació del Nord’.

In 1936 brak de Spaanse Burgeroorlog uit. Tijdens de drie jaar dat het land in oorlog verkeerde, werd Valencia de hoofdstad van het Republikeinse Spaanse Rijk en leed mede daardoor onder de hevige gevechten tussen het oude Spanje en het leger van Francisco Franco. De daaropvolgende dictatuur was een zwarte periode in de geschiedenis van de stad. De Valenciaanse taal werd compleet verboden, dat druiste namelijk in tegen de Spaanse moraal van de dictator en er heerste zeer strenge censuur tot en met zijn dood in 1975. In 1957 werd Valencia geteisterd door een ernstige overstroming van de rivier Turia, het water stond in sommige straten meer dan twee meter hoog, een economische catastrofe voor de stad. Hierdoor is in die tijd de rivier omgeleid en stroomt deze nu aan de westkant van de stad

Op de plek waar vroeger, voor de overstromingen van 1957, de rivier Turia stroomde, vindt men nu onder andere het befaamde “Ciudad de las Artes y Ciencias” oftewel de Stad van kunsten en wetenschappen. Dit culturele centrum El Museu de les Ciències Príncipe Felipe bestaat uit een wetenschapsmuseum, een IMAX-theater, het grootste aquarium van Europa, vele exposities, sportvoorzieningen en parken.

Valencia heeft een zeer gevarieerd stadsbeeld door de vele culturen die in de stad hebben geleefd. Een van de mooiste gotische gebouwen van de stad is de La Lonja de la Seda, met daarnaast de Mercado Central en de kerk Iglesia de los Santos Juanes. Andere opvallende gebouwen zijn de Mercado de Colón en het station Estación del Norte.

Van de muur die tot de 19e eeuw de historische stad beschermde is niet meer over dan de “Torres de Quart” en de “Torres de Serranos”. De Torres de Serranos werd niet afgebroken toen de stadsmuur werd weggehaald, omdat het dienstdeed als een gevangenis. De Torres de Quart had een defensieve functie. Napoleon kwam de stad binnen door deze poort. In deze poort zie je nog de gaten van de kanonskogels die zijn veroorzaakt door de Franse troepen.

De Mercado Central is een markt, centraal gelegen, waar je van maandag tot en met zaterdag tot een uur of 14:00 je boodschappen kan doen. Ook al heb je niks nodig, het blijft leuk om rond te kijken naar de grote hoeveelheid producten die wordt aangeboden. Je vindt er onder andere verse groenten en fruit, vlees, vis, brood, maar ook veel noten, kaas en delicatessen. Wanneer je in de Mercado Central loopt, vergeet dan vooral niet om even naar boven te kijken; het gebouw is zeker de moeite waard om te bekijken!

Slenteren over de boulevard langs de stranden van de Middelandse zee, wandelen door de rivierbedding, musea bezoeken, shoppen of gewoon op een terras gaan zitten en genieten, Valencia heeft mogelijkheden genoeg om er een paar prachtige dagen te beleven.

