La cittá bianca (de witte stad)
La cittá bianca

Onder die naam is het plaatsje Ostuni tegenwoordig bekend.. Het stadje ligt op drie heuvels zo’n 40 km ten noordwesten van Brindisi en markeert gelijk de grens van de Valle d’ Itria en het trullo gebied. De Adriatische kustlijn bij Ostuni stond eens bekend als de Difesa di Malta, een bijnaam omdat het gebied streng werd bewaakt door de Orde van Malta. Deze hospitaalridders die uit Jerusalem kwamen zwierven jarenlang door het zuiden van Italië voordat ze zich in 1530 op het eiland Malta vestigden. De Turken werden verdreven en aanvallen vanuit Noord-Afrika en Albanië werden afgeslagen. Door deze ridders kon de handel overzee opbloeien. Schepen met olijfolie en wijn konden veilig vanuit Puglia uitvaren. In 1798 werden ze verslagen door Napoleon en werd de kust weer onveilig.

Vanaf de CP plaats was het 9 km met de fiets naar Ostuni. Het was op sommige stukken even flink trappen maar gelukkig is het dan fijn dat je trapondersteuning hebt. Nadat we de fietsen bij een parkeerplaats gestald hadden zijn we naar boven gelopen om vanaf het Piazza della Libertá het historische centrum in te lopen.

De Via Cattedrale slingert omhoog naar het Piazzetta Cattedrale waar de kathedraal en het Palazzo Vescoville zich bevinden.

Onderweg passeer je witte straatjes, tussen de kalkstenen muren en felgekleurde deuren en ramen met soms ineens aan de horizon de glinsterende zee. In onze reisgids stond dat de mensen verplicht zijn om elk jaar hun huizen wit te schilderen, maar daar hebben wij zo onze twijfels over. Vergeleken bij andere plaatsen is dit echt een toeristische trekpleister want rond een uur of 11.00 waren er al heel wat toeristen aan de wandel.

Rond half 1 vonden wij het welletjes, het was inmiddels 32 graden en zinderend warm. Gelukkig ging de terugweg als een trein en hoefden we nauwelijks te trappen. De CP lag vlak aan zee dus besloten we daar te gaan kijken, waar we eventueel een duik konden nemen. Maar het waren allemaal rotsen en het stonk behoorlijk naar riool. De hele middag bij de camper blijven zitten zonder schaduw en de stroom die regelmatig uitviel was ook geen optie, dus inpakken en wegwezen. Wat is een autorit dan heerlijk, ramen open en de wind door je haren voelen. De afstand naar Alberrobello was slechts 40 km maar door het hoogteverschil van 300 meter was het daar minder benauwd. We reden nu dan ook weer door de Apenijnen. En wat waren we blij toen we op de camping kwamen en een zwembad tot onze beschikking hadden. Ook hadden we hier de mogelijkheid om een wasmachine te gebruiken en drogen doet het met dit weer wel.
Alberobello

Alberobello is zonder twijfel de hoofdstad van de trulli en dit gebied van de Murge dei Trulli, trekt jaarlijks veel toeristen. De naam van het stadje is naar verluid afgeleid van het Latijnse silva aroboris belli (het bos van de mooie bomen die hier vroeger in de omgeving stonden). In de 15e eeuw werd dit gebied cadeau gedaan aan de graven van Conversano. Selva zoals dit gebied werd genoemd was nog niet bewoond en onbebouwd en de graven dachten dat het de uitgelezen plek was om de boeren die voor hen het land bewerkten hier onder te brengen.

Omdat de belastingplichten aan het Koninkrijk Napels zwaar op de schouders van de graven van Conversano bleven drukken bedachten ze een sluw plan. Ze verplichtten de boeren om zonder cement te bouwen. Op die manier konden de huisjes vlak voor dat een belastinginner zijn telling kwam doen, snel neergehaald worden. De belasting was zo een stuk lager en de bouwwerken werden daarna weer snel opgebouwd.

Omdat de boeren zonder cement moesten bouwen en alleen gedroogde steensoorten hadden, weken ze uit naar huisjes met een ronde plattegrond en een zelfdragend, kegelvormig dak dat bestond uit taps toelopende stenen cirkels, een zogenaamde trullo (en in goed Italiaans in het meervoud trulli).

De daken werden van oudsher beschilderd met symbolische of mystieke kalkdecoraties bijvoorbeeld een kruis of een hart om het kwaad buiten de deur te houden. De vroegste trulli waren dan ook heel eenvoudig. Wij bezochten een paar woningen en de Trullo Sovrano is de enige trullo met een bovenverdieping.

Het geeft een wat claustrofobisch gevoel als je in zo’n huisje binnen staat en ze zijn ook niet berekend op lange mensen. Maar het is een wonderlijk gezicht als je daar door de straatjes loopt en al die huisjes ziet staan. Ook de kerk heeft de vorm van een trullo. Er staan meer dan 1000 van deze huisjes hier en tot in de jaren 20 werden ze nog gebouwd. Een van de oudste exemplaren (15e eeuw) is de zogenaamde Siamese trullo, met twee aan elkaar verbonden ruimtes.

We hebben met veel plezier een aantal uren in dit gezellige stadje doorgebracht en in de Cosmo en Damiano kerk werden we verrast door een jonge organist en een meisje dat stond te zingen met een geluid waar je kippenvel van kreeg.
Het wekt dan ook geen verbazing dat deze stad op de Unesco werelderfgoed lijst staat. Mocht je ooit in Puglia zijn dan is dit stadje beslist een ‘must’ om te bezoeken.
De overige foto's vind je op Flickr onder het album Puglia-03 vanaf zaterdag 22 september 2018,
.
Finis Terrae, oftewel het Einde van de Wereld
Na het mooie Gallipoli was Santa Maria Di Leuca onze volgende stop. Eerst onze voorraad voor een paar dagen aanvullen want de winkels liggen hier niet zoals bij ons dik gezaaid. We reden een prachtige route langs de kust en het is te merken dat de vakantie ook hier afgelopen is want het was in de kustplaatsjes erg rustig. We kwamen dan ook op een nagenoeg lege camperplaats aan in Santa Maria Di Leuca en tot onze verbazing stond er een Duitse camper, vanaf Pompeï hebben we nauwelijks nog buitenlandse campers zien rijden.
Na de lunch zijn we aan de wandel gegaan. Volgens de legende zette de apostel Petrus ooit in Leuca zijn voet aan wal, op zijn reis vanuit het Joodse land naar Rome. Dat is dan ook de reden dat Santa Maria Di Leuca nu een bedevaartsoord is. Op een heldere dag reikt het zicht vanaf de kust bij Leuca tot aan Griekenland en Albanië.

Castrignano del Capo, zo heet het uiterste puntje van Italiës hak officieel. Daar waar de rotsen het verst in de zee uitsteken vind je niet alleen een nog werkende vuurtoren uit 1864 maar ook de basiliek van Santa Maria de Finibus Terrae. De kerk markeert het symbolische ‘einde van de wereld ‘ en het letterlijke einde van de Italiaanse bodem. Zuidelijker is hier niet mogelijk, of het moet met de boot zijn.

Via een uit rotsen gehouwen trap (286 treden) – waarmee je een ticket naar het paradijs kunt verdienen - kom je bij het hooggelegen plein met de basiliek waarvan de witte stenen oplichten in de zon.

Vanaf dit punt heb je een prachtig uitzicht op de azuurblauw Ionische zee, die hier ook overgaat in de Adriatische zee, hoewel de meningen hier over verdeeld zijn. Beneden zie je het kleine haventje van de stad liggen.

De kerk is gebouwd op een plek waar eens de tempel van de Romeinse godin Minerva stond. (godin van de olijfbomen, de storm, de wijsheid, de krijgskunst en de muziek ). De huidige kerk dateert uit de 16e eeuw maar Paus Julius I verzorgde al in 343 de inwijding van het eerste heiligdom hier. Het hele jaar wordt de kerk bezocht door pelgrims. Langs de kust staan nog vele bouwwerken en fortificaties om de vijand op een afstand te houden, niet dat dit hielp want ze zijn meer dan eens veroverd, dan door deze dan door gene, maar vooral in de 15e eeuw belaagden de Turken dit deel van Italië.

Omdat er verder weinig te bezichtigen viel hebben we ons laten verleiden voor een boottocht van 1,5 uur. Er zijn nog grotten te bezichtigen die inscripties bevatten in verschillende talen – Messapisch, Grieks en Latijn. Een duidelijk signaal dat diverse lieden in deze grotten samen kwamen om hun rituelen te vieren. Met nog drie andere mensen hebben we 1,5 uur rondgevaren en een aantal rotsen bekeken, alleen jammer dat we de uitleg niet konden verstaan, het engels dat de kapitein sprak was erg onduidelijk maar we hebben toch genoten van deze verfrissende boottocht.
Het Florence van het zuiden en de stad van de barok. (Lecce)

De zon was bij ons vertrek uit Leuca al behoorlijk warm, maar rijdend langs de prachtige kustlijn met kleine dorpjes was het windje een weldaad. De oleander bloeit nog volop en behalve olijfbomen zagen we ook heel veel cactussen, De afstanden tussen de kustplaatsen zijn redelijk klein en de snelheid op de kustweg ligt laag maar dat is met een prachtig uitzicht beslist geen straf. Omdat de camperplaats in Ostrani volstond met boten besloten we deze plaats niet te bezoeken en gelijk door te rijden naar Lecce waar we een paar dagen wilden verblijven. Helaas bleken de campings en CP plaatsen al gesloten te zijn, dus dan maar een parkeerplaats zoeken in de stad omdat we een bezoek aan deze stad niet voorbij wilden laten gaan. Rond de middagspits arriveerden we daar en na het eten maar meteen de wandelschoenen aan gedaan omdat we aan het einde van de dag elders een CP plek moeten zien te vinden.

De Romeinen kenden de stad als Lupiae, een bloeiend centrum ten tijde van de regering van Hadrianus die de stad belangrijk genoeg vond om er een amfitheater te laten bouwen waar 20.000 mensen in konden zitten en waar midden in het centrum nog een gedeelte van te bewonderen is. Net als de rest van Puglia had Lecce na de Romeinse tijd vaak te lijden onder verwoestende aanvallen door o.a de Saracenen en de Noormannen. Later waren het adellijke families die lang de dienst uitmaakten. Karel V liet de meest zichtbare sporen achter en bouwde een stadsmuur met vier imposante stadspoorten rondom Lecce om de stad te beschermen tegen aanvallen van buitenaf. De muren zijn er niet meer , wat rest is nog de Porta Napoli.

Dat Lecce ook wel het Florence van het zuiden wordt genoemd komtdoor zijn vele zandkleurige monumenten in de barokstijl uit de 16eeeuw. Men maakte bij de bouw van de kerken en paleizen gebruik van een lokale zachte en gemakkelijke te bewerken pietra leccese kalksteensoort en zo ontstond de Barocco Leccese.
In de 17e en 18e eeuw bloeide Lecce op. Er werd in de omgeving olijfolie, tabak en wijn geproduceerd waardoor er meer mensen naar de stad kwamen en dankzij deze bloeiende welvaart lieten de gegoede burgerij veel nieuwe paleizen en kerken bouwen.

Op het Piazza Sant ´Oronzo, het kloppend hart van het centrum, zien we uitgevoerd in mozaïk, het stadssymbool van Lecce; een wolvin met een boom. De wolvin verwijst naar Rome.

Enkele belangrijke bezienswaardigheden zijn het Palazzo Vescovile (Bisschoppelijk paleis) met de Domkerk ernaast, verder de Santa Croce kerk en het 16e eeuwse Castello. Tijdens onze wandeling zien we vele barokke facades en balkons. Sinds een paar jaar komt het toerisme hier op gang, maar de echte Zuid-Italiaanse sfeer proef je hier zeker. De Italianen zijn erg behulpzaam en vriendelijk.

We zien vele kleine ateliers van handwerkslieden die sculpturen maken van pietra leccese (zachte kalksteen) en cartapesta, kleine figuren die gemaakt zijn van een soort papiermaché. De zeer gedetailleerde techniek gaat terug naar een lange traditie die verloren leek te gaan maar in ere is hersteld. Het is een arbeidsintensief werk en het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat ze behoorlijk prijzig zijn.
Na een verfrissende drank op een van de gezellige terrassen zijn we eind van de middag weer uit Lecce vertrokken naar Ostuni, waar we op zo’n 300 meter van de zee staan. Als welkomstgeschenk kregen we een fles lokale rode wijn.
Langs de Via Appia
In Matera raakte één van onze gasflessen leeg, een kleine misrekening. We dachten dat die nog vol zat, maar hij bleek slechts voor de helft gevuld te zijn toen we vertrokken. Gelukkig hadden we thuis met zulk een eventualiteit al rekening gehouden en opgezocht dat we voor de gasflessen van ENI de goede adapter bij ons hadden. Dus fluks op internet gezocht naar een station waar we een Bombola de Propano konden kopen en dat bleek in Locorotondo te zijn. Nu zouden we daar toch al naar toe gaan op ons rondje Puglia, alleen ruim een week later. We hebben de volgorde dus maar even aangepast. Een bijkomende verrassing: een fles met 10 kg propaan vulling kost bij het ENI-station maar € 20,- inclusief fles!

De weg ging grotendeels over de oude Via Appia, die Rome met Brindisi verbond en al in de 3e eeuw v. Chr. is gebouwd. Links en rechts passeerden we boomgaarden met granaatappels, olijfbomen en wijngaarden op dieprode grond. Onderweg kwamen we ook veel zogenaamde trulli tegen. Kenmerkend voor de trullo (meervoud trulli) is het kegelvormige dak, soms versierd met primitieve, christelijke of magische symbolen. Deze gebouwtjes zijn in de 16e eeuw ontstaan als middel om belastingen te ontduiken. Er werd geen cement gebruikt om de daken te bouwen. Gaande onze route later deze weken zullen we ze nog heel vaak zien; we gaan immers nog naar Alberobello, de stad die bekend staat om zijn trulli.
Locorotondo: Borghi più belli d’Italia
Locorotondo wordt wel gezien als één van de meest mooie dorpjes van Italië. Het historisch centrum is maar klein en kan heel makkelijk worden verkend. Het dorpje heeft een rustig centrum met smalle straatjes met witte huizen en het dankt zijn naam aan het rond lopende stratenplan, locus rotundus in het Latijn. De smalle, rechthoekige huizen worden ook wel cummerse genoemd. Heel anders dan de trulli, maar deze huizen geven het stadje een heel eigen sfeer. Wij kwamen er aan op een vrijdag en dan is het markt, waardoor het grote parkeerterrein aan de voet van de oude binnenstad niet toegankelijk is. We hebben de camper dan ook eerst een stuk verder moeten zetten en zijn van daar uit het dorpje ingelopen.

Het leuke aan het dorpje is, dat het een echt toeristische attractie ontbeert. Het dorpje zelf als geheel is de attractie en je kunt er uren door lopen en je verwonderen. De inwoners lijken geen haast te hebben, sommigen zitten gehurkt op de stoep voor hun deur rustig te telefoneren. Bovendien word je teruggeworpen in de tijd: er kan simpelweg geen auto de historische kern in, daarvoor zijn de straten te smal.

Locorotondo wordt ook wel het mooiste balkon van de Valle d’Itria genoemd. Het biedt inderdaad een prachtig uitzicht, vooral vanuit de Giardini Pubblici, het stadspark, met zover je kunt kijken een lappendeken van trulli in het groene landschap met stenen muurtjes, zilverkleurige olijfbomen, oude masseria's (ommuurde boerderijen) en wijngaarden.
Nadat we eind van de middag de camper op het inmiddels vrij gemaakt marktplein hadden gezet en gegeten hadden, zijn we Locorotondo nog een keer ingelopen, maar nu rond half acht. De zon was al onder en de straatverlichting aan. Dat geeft ineens een heel ander beeld van het stadje. Opeens is het veel levendiger, de senioren hadden hun plaats op de bankjes ingenomen en kwetterden er lustig op los.

We hebben nog een dik uur ons vergaapt aan de smalle kronkelige straatjes waar absoluut geen auto in past (wat een verademing in het anders druk toeterend Italiaanse verkeer).

Wat ons bezoek extra mooi maakte: de volgende dag, 15 september, is een katholieke feestdag (Onze Lieve Vrouw van Smarten) en opeens hoorde we gezangen uit de kerk, er bleek een Pontificale Mis te zijn in het Gregoriaans,dus hebben we daar een poosje naar staan luisteren en ook de straten waren voor dat evenement volop versierd. Locorotondo is een absolute aanrader als je in Puglia bent.
Van kronkelende buitenwegen en smalle stadstraatjes.
Zaterdag waren we al vroeg weer weg en op route omdat we ingebouwd dreigden te worden door kraampjes van verkopers, die de feestdag te baat hadden genomen om hun waren aan te prijzen. We hadden er voor gekozen om de kortste weg naar Gallipoli aan de Ionische Zee te nemen in plaats van de omweg over Brindisi en Lecce over de Route Nationaal. Nou dat hebben we geweten en eigenlijk hadden we het kunnen weten ook. In het plaatsje Cisternino werd de weg zo smal dat een voetganger met onze rechterspiegel een klap op zijn schouder kreeg en in Manduria raakte onze navigatie volkomen de weg kwijt, want hij wilde ons door allerlei straatjes sturen waar zelfs een Fiat 500 nog nauwelijks door zou kunnen. Het kostte flink wat moeite om zonder kleerscheuren of blikschade de stad uit te komen. Na ruim 3 uur kwamen we, 120 km verder, eindelijk op de camperplaats Nuovo Orrizonte aan. En oh ja, toen wij aankwamen was die nog helemaal leeg.
De zeer vriendelijke eigenaar/beheerder schreef ons wel met enige moeite in omdat hij voor het lezen van de kleine lettertjes op onze campingcard wel even de bril van Janny nodig had. We hebben hem daarop voorzien van één van onze reserve leesbrillen (zo'n bijna wegwerpexemplaar van het Kruidvat van € 2,50), maar hij was er de Koning te rijk mee. Tegen het middaguur heeft hij de lokale lekkernij voor ons gebakken (broodjes van bladerdeeg met kaas en tomaten) en 's avonds kwam hij nog een schaaltje vers geplukte vijgen brengen. Dat hebben we in dankbaarheid aangenomen.
Gallipoli

Zondagmorgen stapten we al vroeg op de fiets om 9 km langs de kust te fietsen naar Gallipolis. Deze stad is door Grieken gesticht en zij noemden het Kaly Poly, hetgeen in het grieks goede stad betekent. De stad ligt op een eilandje net uit de kust en rijst als een witte parel op uit zee waarbij de stadsmuren onmiddellijk opvallen. In de 16eeeuw kreeg het een vaste verbinding met het vasteland via een stenen brug van 75 meter lang. Gallipoli heeft twee havens, een zuidelijke, waar de vissersboten aanmeren en een Noordelijke waar de pleziervaartuigen liggen.

Wij hebben onze fietsen aan de zuidelijke haven geparkeerd en konden nog net over de vismarkt lopen waar de vissers hun vers gevangen vis te koop aanbieden; zo vers dat de schaaldieren nog water spuwden. Wij lusten graag vis, maar hebben er toch maar geen gekocht. Een paar uur bij temperaturen boven de 30 gr. C. in een zakje achterop de fiets leek ons geen goed idee.

Het oude centrum, en daarmee de gehele oude stad, is een wirwar van pittoreske smalle straatjes met wit gepleisterde huizen waar de tijd lijkt stil gestaan te hebben (afgezien van de hordes toeristen). Het betrekkelijk kleine eiland kent 16 kerken, waarvan we er een paar, inclusief de kathedraal St. Agatha, hebben bezocht. Opmerkelijk is dat de façade van die kerken allemaal naar de zee toe zijn gekeerd, alsof de kerken uitkijken naar de vissers om veilig terug te keren naar de haven. Zo ook de kathedraal die werd gebouwd tussen 1629 en 1696 op het hoogste punt van het eiland. Deze kathedraal heeft een prachtig altaar dat uit meerkleurig marmer is samengesteld; werkelijk een schoonheid!

Het stadje heeft daarnaast nog 35 ondergrondse oliepersen, waar al sinds de middeleeuwen de olie uit de olijven wordt geperst, niet alleen voor de consumptie maar ook als brandstof voor de olielampen in Parijs, Londen en zelfs Amsterdam. Wij wilden er in één aan de Via Antonietta De Pace naar beneden, maar het was er zo benauwd dat we het voor gezien hielden. Op een gegeven moment werden we aangesproken door een Italiaan die op zijn fiets kwam aangereden en bij zijn huis stopte; hij vroeg of we wat water wilden. Hij zat om een praatje verlegen want binnen de kortste tijd wisten we dat hij als arts in Keulen in een hospice voor kinderen had gewerkt maar dat helaas geestelijk niet kon volhouden, dat hij tweemaal was getrouwd en waar hij nog veel hartzeer over had en dat hij nu in zijn bestaan voorzag door voor de middag te werken na de middag naar zee-egels te duiken, een bekende lekkernij hier. Hij was ontzettend aardig, sprak Engels en Duits en kon zelfs Nederlands verstaan. Zijn gemoed schoot helemaal vol toen hij met ons stond te praten.
De inwoners zelf vertoeven vaak aan het stads-strand dat de Spaggia della Purita wordt genoemd met een fijn wit zand zoals op de Bounty-eilanden. Ook ‘s winters vertoeven ze daar omdat de maximum temperatuur hier bijna nooit onder de 25 gr. C. komt.

Halverwege de middag fietsten we terug naar de camperplaats, waar we de poort dicht vonden. Helaas lag het kaartje met het telefoonnummer in de camper. Dus even op zoek waar we via een muurtje over het gaas konden klimmen, kaartje uit de camper halen, terug over de omheining en de eigenaar bellen, die ons vertelde dat we de poort gewoon open konden schuiven. Tja...het kan verkeren.
De aanvullende foto's staan vanaf 22.00 uur zondag 16 september op Flickr onder het Album Puglia-03
De Sassi van Matera




Sindsdien is er veel veranderd,hoewel er nog veel grotwoningen onbewoond zijn, wachtend op iemand die de uitdaging aangaat om een woning te renoveren. Als je je intrek wilt nemen in een grotwoning, wordt als tegenprestatie gesteld dat je de woning renoveert. Zo wordt de stad beetje bij beetje opgeknapt. Tegenwoordig is het hip om in een gerenoveerde sassi te wonen en door het toenemende toerisme doen ze nu ook dienst als B&B, souvenirwinkels of extravagante vijfsterrenhotels. In tegenstelling tot de jonge mensen zouden de ouderen niet meer in de sassi willen wonen omdat vele er nare herinneringen aan hebben.

Matera is ook al jaren een uitverkoren plek van filmmakers uit Hollywood, voornamelijk films met een Christelijke inslag zoals een van de laatste films ‘The Passion of Christ” van Mel Gibson en de inwoners zijn er maar wat trots op als ze als figurant in een film mee mogen doen. Maar ook trots zijn ze op hun afkomst want wie kan nog zeggen dat ze nog in dezelfde woningen leven als hun voorouders 9000 jaar geleden.
Wij verblijven twee dagen in deze bijzondere stad met 60.000 inwoners. Omdat we met de camper natuurlijk niet de stad in konden, stonden we op een lager gelegen CP plaats en werden we door de eigenaar met een busje naar de stad gebracht. De man had het zo druk met het praten tegen twee Italiaanse medereizigers in het busje dat we met een slakkengangetje naar boven naar de stad reden en hij zijn handen meer los dan vast had aan het stuur, maar goed, we kwamen heelhuids boven. Het is vaak handen en voeten werk want de oudere Italianen spreken nauwelijks een woord buiten de landsgrenzen. Grappig was wel toen we tegen de chauffeur zeiden dat we wel terug zouden lopen naar de camping hij zei; Dutch always walk.

Op ons gemak hebben we door Matera gelopen met steeds een spectaculair uitzicht en langs schattige doorkijkjes. Kerken in diverse stijlen, van Romaans tot barok.

Via kleine weggetjes, trappen en vele grotten kom je in het lager gelegen Matera uit, de Sasso Caveoso. Hier staat de San Pietro Caveoso, aan een schitterend plein dat uitzicht biedt op de Chiesa di Santa Maria di Idris en de San Giovanni in Monterrone, twee kerken die allebei in de enorme rots gevestigd zijn.

Ook bezochten we twee sassi huizen ingericht zoals men vroeger woonde en een kerk in een grot van drie verdiepingen waar nog een graf met een skelet te zien is van een monnik die zich daar waarschijnlijk vroeger schuil hield. Gezien het feit dat hij daar gevonden is in een graf heeft men het vermoeden dat het om een belangrijk persoon ging.

Het was een belevenis om in deze stad rond te dwalen.
De plannen voor 2019, het jaar waarin Matera culturele hoofdstad zal zijn, omvatten ook het project om van alle leegstaande grotten in de Sasso Cavaeoso een groot openluchtmuseum te maken, waarin het leven in de grotten nagebootst wordt. Er werd op dit moment al volop overal gewerkt zonder dat het storend is voor de bezoeker.
Morgen gaat onze reis weer verder.
Chaotisch Napels
Op 5 minuten afstand van de camping stappen we deze maandagmorgen in de trein voor een bezoek aan Napels. De trein heeft er 45 minuten voor nodig om de ongeveer 25 km te overbruggen omdat er ontelbare tussenhaltes zijn. Het interieur van de trein brengt ons terug naar de jaren 70 en de trein maakt een hels lawaai. Bij een van de stations worden we even opgeschrikt door een boze man die uit alle macht tegen de trein staat te schoppen omdat de deur voor zijn neus dicht ging. Er wordt nauwelijks door de inzittenden op gereageerd. Aangekomen in Napels gaan we op zoek naar een Info omdat we met de metro naar ons startpunt van de stadswandeling willen en dat viel niet mee; door het ontbreken van elke informatie loop je een slag in de rondte. We zullen dat ontbreken van verwijzingsbordjes de rest van de dag nog vaker mee maken, want ook in de stad staat er nauwelijks iets aangegeven, zelfs een verwijzing naar het Centraal Station zie je nergens staan. Een stadsplattegrond heb je hier dus echt wel nodig.
Napels heeft een rijke geschiedenis en bezit ontelbare mooie gebouwen, die helaas lange tijd stonden te verkommeren, maar stilaan is men begonnen met de restauraties in de stad en je zult dan ook overal werkzaamheden aantreffen. Opvallend zijn ook de nadrukkelijk aanwezige Carabineers die je overal in de stad op belangrijke plaatsen ziet staat met een karabijn in hun handen.
De Napolitanen zijn erg vroom en Napels kent dan ook maar liefst 448 kerken, waarvan wij er een paar hebben bezocht. Hieronder een kleine impressie van ons dagje Napels.

Wij zijn onze wandeling gestart bij het Castel Nuova (1279) ook bekend als de vesting van Anjou en het meest opvallende daaraan is de witte marmeren toegangspoort met basreliëf, die de triomfantelijke intocht van Alfonso V van Aragon uit 1454 laat zien.

Een stukje verder zagen we de prachtige overdekte Galleria Umberto I in de vorm van een kruis met een prachtige koepel van glas en op de grond een mozaïk van de zodiac. Hier hebben we even een pauze gehouden onder het genot van een heerlijke cappuccino. Grappig detail van deze koffiezaak was dat de wasbak bij de toiletten de vorm heeft van een koffiekop en het toilet was vierkant.

Op het Piazza Plebiscito, een groot plein staan twee markante gebouwen namelijk het Koninklijk Paleis en aan de overkant de Basilica di San Fransesco di Paola met een indrukwekkende zuilengalerij. De kerk is geïnspireerd op het Pantheon van Rome.We zijn deze kerk maar heel even binnen geweest omdat er een op handen zijnde bruiloft was; de gasten van het bruidspaar zaten op een gegeven moment allemaal al binnen te wachten en daarom zijn wij de kerk maar uit gegaan om buiten de bruid aan te zien komen die door vader de kerk werd in geleid. Natuurlijk maakte die intocht veel goed.

De Via Toledo is een van de belangrijkste winkelstraten, maar veel leuker is het om daar evenwijdig aan te lopen door het Quartiéri Spagnoli, welke wijk garant staat voor het echte Napoli. De wijk kent een wirwar van kleine smalle straatjes en steegjes waar de was boven de straten hangt te drogen en waar een bedrijvigheid van jewelste heerst.

Kleine winkeltjes en eettentjes, handwerkslieden die hun spullen aan de man/vrouw proberen te brengen en de alom bekende scooters die je claxonnerent voorbij schieten. Maar ook veel dakloze ouderen die op blote voeten en verward rond lopen. Erg triest dit soort dingen.

Een van de kerken en kloosters die we hebben bezocht was de Santa Chiara, ontstaan in 1310 en het complex bestaat uit een kerk en twee kloosters (één voor de nonnen Clarissen en één voor de Franciscaner monniken) Het is eeuwen lang een koninklijke kerk geweest en alle koningen van de Anjou-dynastie werden hier begraven. Oorspronkelijk was de kerk gothisch maar in de 17e eeuw kreeg hij een geheel barokke stijl. Op 4 aug.1943 werd een groot gedeelte van Napels platgebombardeerd en ook deze kerk ontkwam niet aan dit geweld. Na de bombardementen ontdekte men op deze plaats oude Romeinse thermen die nu te bezichtigen zijn en men besloot de kerk weer in zijn oorspronkelijke gotische stijl terug te brengen. Bijzonder mooi zijn de vier kloostermuren met fresco's rondom de binnentuin. Dwars door die tuin lopen twee lanen met links en rechts achthoekige pilaren en daartussen banken met veelkleurige en prachtige majolica keramiek, waarop voorstellingen prijken uit het dagelijks leven uit de 18e eeuw en bloemen.

Op onze wandeling zijn we ook drie gigantische pestzuilen tegen gekomen.
Vonden wij tot nu toe dat het overal zo ontzettend schoon is in Italië, dit geldt beslist niet voor deze stad. Het is er rommelig, veel afval overal, chaotisch, veel lawaai en het lijkt of de hele stad open gebroken ligt zonder dat er gewerkt wordt. De bedoeling was om in twee dagen Napels te ontdekken maar wij vonden het na deze dag wel genoeg.
Op de terugweg reed de trein (andere maatschappij) een andere route terug naar Pompei en tot onze stomme verbazing stopte hij ook op een ander station namelijk op zo'n 25 minuten lopen van de camping, maar de stations hadden wel allemaal dezelfde naam zoals San Giovanni, la Torre de Greco enzovoort. Het viel dus niet echt op dat we op een ander spoor zaten, en, bijna gebruikelijk, ook hier vind je nergens info over. We hadden na een dag lopen in de stad echt geen zin meer om terug te lopen in de volle zon (30 gr) en hebben de shuttlebus genomen die ons op de camping heeft afgezet. (kost een treinkaartje Napels-Pompei € 2,60 voor 45 min. reizen met de bus was het € 3,00 euro voor 7 minuten) De logica is ver te zoeken. Maar het mag gezegd worden, de Napolitanen zijn erg vriendelijk en goedlachs.
Op de camping hebben we onder het genot van een ijskoud pilsje even via face-time met Sietske en Gijs gesproken en konden we ook even genieten van de kleine Juna die al vrolijk begint te brabbelen. Heerlijk dat zoiets mogelijk is. Deze dagen in Pompei hebben we afgesloten met een voortreffelijke tortellini in het restaurant bij de camping.
Paestum en de Heilige Weg.
De zon was al behoorlijk warm toen we tegen half 10 de camping verlieten richting Paestum met een tussenstop bij de Lidl om boodschappen te doen. Na een kilometer of 10 besloten we maar weer richting de tolweg te gaan al vinden we dat eigenlijk niks maar het verkeer is werkelijk een crime. Verkeersregels zijn er wel maar worden amper opgevolgd en in het chaotische verkeer kan dit vaak ook niet omdat je anders een halve dag staat te wachten voor je een weg op kunt. Dus wat doen ze, hoppa ze rijden gewoon aan. Hetzelfde geldt voor als je geparkeerd staat en weg wilt rijden, gewoon gaan en het gaat vrijwel altijd goed omdat men hier rekening mee houdt; als buitenlander is het erg vermoeiend want je moet letterlijk alles in de gaten houden en het schiet ook niet op. Na de boodschappen te hebben gedaan was het nog zo'n 30 km naar de CP plaats in Paestum en we waren op tijd want er is maar een stroompaal. Lekker een plek onder de bomen in de schaduw. De reden dat we hier zijn, zijn de drie goed bewaard gebleven Griekse tempels.
De klassieke Romeinse naam voor Poseidonia is Paestum, de god van de zee. Deze ruines stammen uit de 6e eeuw voor Chr. en zijn de mooiste Dorische tempels in Europa, gelegen aan de kust in de provincie Salerno. Ze werden bij toeval in 1750 ontdekt toen er in de omgeving door koning Karel IV van Napels in deze omgeving wegen aangelegd moesten worden. De drie goed bewaard gebleven tempels bevinden zich allen binnen de 5 km lange stadsmuren(ooit 15 m hoog en 5 tot 7 m dik en liggen aan de Heilige Weg, de voornaamste verkeersader van de Griekse en later de Romeinse stad.

Het meest zuidelijk ligt de Tempel van Hera I (6e eeuw v C) met negen zuilen in de breedte tegen 18 in de lengte, een zeer uitzonderlijk gegeven in de Griekse architectuur.

Daarnaast is de grootste en mooiste de Tempel van Neptunes ( 5e eeuw v C) geinspireerd op de Zeus-Tempel van Olympia met zes zuilen in de breedte en 14 in de lengte (normaal 13) en de naos, het Heilige der Heiligen in Griekse tempels, werd door twee zuilengalerijen in drie schepen verdeeld.
Helemaal aan het andere eind van de Heilige Weg, op het hoogste punt van de stad, bevind zich de tempel van Athene (gebouwd tussen de 5e en 6e eeuw ) en vertoont enkele uitzonderlijke stijlkenmerken: een zéér hoog fronton, en een unieke versmelting van de Dorische buitenzijde en Ionische binnenzijde.
Ook hier zie je nog de uitgesleten karrensporen in de Heilige Weg. Men is nog volop bezig met opgravingen en tIjdens onze rondwandeling daar zagen we een groep middelbare scholieren die in groepjes een perceel van de ruines van onkruid aan het ontdoen waren, we denken als een soort van maatschappellijke stage. De opgravingen hebben tot prachtige vondsten geleid, die een plaatsje hebben gevonden in het nabij gelegen museum. Paestum is een prachtig monument en heel bijzonder als je, je realiseert dat je over de weg loopt waar 2600 jaar geleden ook mensen liepen en het was beslist een bezoek waard.

Aanvullende foto's vind je traditiegetrouw op Flickr in het Album Puglia-02
In de voetsporen van de Romeinen.
Om niet weer een uur of 5 meanderend door de Apenijnen te toeren kozen we er voor om deze keer ruim 180 km snelweg te rijden, op weg naar de camping Fortuna Village in Pompeii, gelegen recht tegenover de opgravingen van die antieke stad, waar we al rond het middaguur aankwamen. Tijd genoeg om ons rustig te installeren en op zoek te gaan naar entreekaartjes voor de dag van morgen. Een dag die geheel in het teken zou staan van het antieke Pompeii en daarom, voor de liefhebbers, een stukje geschiedenis.

Duizenden onder as bedolven.
Op 24 augustus 79 n. Chr. barstte de hel los boven Pompeii. De nabij gelegen vulkaan Vesuvius kwam met een donderend geraas tot uitbarsting. Veel inwoners van de 20.000 zielen tellende stad probeerden te vluchten, maar velen werden ingehaald door de zogenaamde pyroclastische golf of probeerden op het allerlaatste moment nog dekking te zoeken in kelders, onder trappen en onder andere beschutting. Het hielp niet, want aan die golf van half vloeibare lava, gas en as is bijna geen ontkomen aan. Zo stierven in het huis van een zekere Quintus Poppaeus 10 slaven op weg naar de tweede verdieping en hun leider hield een bronzen lantaarn vast. In een gebouw waar wijn werd verhandeld, scholen 34 mensen, ze hadden brood en fruit bij zich om het eind van de uitbarsting af te wachten. In een villa buiten de stad stierven 18 volwassenen en 2 kinderen in een kelder. De meester van het huis, stierf buiten met de zilveren sleutel in zijn hand. Hij was op weg naar de akkers, samen met een rentmeester die geld en andere kostbaarheden droeg. Al snel werden ze bedolven onder een dikke laag as. De asregen en uitbarsting duurde nog tot de volgende dag. Toen na weken de situatie weer een beetje veilig was, keerde een deel van de gevluchte inwoners terug maar trof een kale vlakte aan. Pompeii was bedolven onder een 8 meter dikke as- en lava-laag. De stad was in twee dagen van de aardbodem verdwenen en onder die 8 meter dikke laag was de tijd stilgezet. Daardoor bleef alles in goede staat en is het leven van de Pompejanen nu nog goed te achterhalen. Overal hingen de schilderijen nog aan de muur, en stonden de fruitmanden nog op tafel. Planten die werden gevonden konden gedetermineerd worden. Een enkeling had bij de uitbarsting nog de tijd gevonden om al zijn zilverwerk, in totaal ruim 5 kilo, in het toilet te gooien met de bedoeling om dat later weer te kunnen ophalen en dat kwam nu terecht. Er is geen beter voorbeeld om de Romeinse cultuur te reconstrueren dan in Pompeii.

De stad.
Pompeii was een echte handelsstad als schakel in het handelsverkeer en werd bewoond door tientallen ambachtslieden – onder andere metaalbewerkers, pottenbakkers en glasblazers. Er waren nog enkele sporen van andere culturen, maar de Romeinse gewoonten hadden de overhand. Naast een heleboel andere faciliteiten bezat Pompeii een groot amfitheater voor gladiatorengevechten. Dit amphitheater was gebouwd door een Romeinse speculant en kon 20.000 toeschouwers bevatten.

In twee andere theaters kon iedereen vermaakt worden door toneelstukken en muziek, ook waren er zo'n 100 kroegen en tavernes waar iedereen zijn dorst kon komen lessen. Pompeii bezat drie badhuizen. (Een vierde was in aanbouw) Verder had Pompeii minstens 10 tempels en – vlakbij het grote forum – een grote basilica.


Een 40 km lang stenen aquaduct voorzag bijna de hele stad van water wat nodig was voor de fonteinen en de thermae, de hete baden, die een centrale plaats van het Romeinse sociale leven innamen. Er waren ook enkele putten ter aanvulling op het aquaduct. Er stonden meer dan 12 watertorens verspreid over de stad die als opslag dienden voor het water. Door de druk, opgewekt door de lange afdaling vanuit de bergen, kon het water via loden pijpen worden opgepompt naar de top van de watertorens die ongeveer 6 meter hoog waren. Doordat het water vanaf die hoogte weer door kleinere pijpen werd geperst konden de fonteinen in de stad spuiten.

De Pompejaanse straten waren geplaveid met vulkanisch gesteente waarin de karrensporen in de loop der eeuwen waren uitgesleten. Langs de straten liepen goten voor afvalwater en het overschot van het regenwater; en voor het geval het water daar te hoog stond om doorheen te lopen waren op markante punten stapstenen op het plaveisel gelegd zodat voetgangers het pad aan beide zijden van de weg zonder natte voeten konden bereiken.
En heel bijzonder: over het pad voor de voetgangers liep een gesloten waterleiding van loden pijpen die op vele plaatsen in de stad op bronnen en fonteinen uitkwamen waar mens en dier van konden drinken.

De woningen waren zeer verschillend, van mooie gedecoreerde huizen met vele vertrekken en binnenplaatsjes, tot simpele appartementen en kleine kamertjes achter werkplaatsen.

De opgravingen.
De eerste opgravingen vonden al plaats kort nadat de ramp zich had voltrokken. Zij die aan de uitbarsting waren ontkomen gingen op zoek naar hun bezittingen en begonnen te graven. Sommigen lukten het om bij hun huis te komen en kostbaarheden terug mee te nemen, maar anderen stierven in die pogingen omdat bij hun opgravingen giftig gas vrijkwam of tunnels instortten. Kort daarna raakte Pompeii in het vergeetboek.

Eerst in het begin van de 18e eeuw werden weer pogingen ondernomen om kostbaarheden naar boven te halen. Veel minder dan plunderingen waren deze opgravingen echter niet. Echt serieus werd het pas eind 19e eeuw opgepakt door Giuseppe Fiorelli onder de bescherming van Koning Emmanuelle II.Fiorelli's benadering was er een met discipline en ordelijkheid. Eerst liet hij al het puin wat zich de afgelopen jaren had opgehoopt opruimen, en liet hij een afvoer voor regenwater aanleggen. Nadat hij wist waar de buitenste stadsmuren lagen begon hij alles op een kaart in te delen in zones en wijken, waarbij hij alle huizen en gebouwen aangaf en alles een logische nummering kreeg. Bij ieder huis wat werd blootgelegd schreef hij op hoe alles eruit zag en waar het huis precies stond. Alles wat werd gevonden, dat heel kostbaar was werd overgebracht naar een musea of een speciale opslagplaats.

Zo kwam stukje voor stukje de oude stad weer naar boven en kreeg opnieuw leven. Omdat de steden en villa's bijna helemaal heel waren bedolven, konden ze bijna ook helemaal heel weer worden blootgelegd. Fiorelli demonstreerde de mogelijkheden rond het opgraven en zijn voorbeeld werd door andere archeologen opgevolgd. Delichamen die bedolven waren door de as zijn als holtes overgebleven omdat de lichamen zelf door de tijd compleet zijn vergaan. Deze holtes zijn later door archeologen opgevuld met afgietsels waardoor we ze nu als complete lichamen kunnen zien. We zien mannen, vrouwen en kinderen, vaak in een tegen de asregen beschermende houding.

De opgravingen geven niet alleen een mooi beeld van een oude stad, maar ook een dramatisch beeld van alle skeletten en lichamen die werden gevonden. De archeologen groeven niet alleen huizen en relikwieën op, maar men vond er ook een eettafel met eieren en vis; in potten waarin vlees was bewaard werden nog stukjes bot gevonden. In winkels werden verdroogde uien, bonen, olijven en vijgen gevonden. Ook in de gewone huizen werden sieraden, cosmetica, parfum, bronzen spiegels, ivoren kammen en gelukshangertjes gevonden in de vertrekken waar ze als laatste waren gebruikt. Dankzij die opgravingen is een schat aan voorwerpen bewaard gebleven.

Op de foto een volledig verkoold brood uit 79 n. Chr.
Wij hebben ruim 5 uren in het opgegraven Pompeii rond gelopen. Al om 9 uur 's morgens liepen wij de ingang in en waren wij één van de eersten, waardoor we aan het begin nog geen last hadden van de busladingen toeristen die dagelijks daar worden afgezet. Tegen de middag begon het aardig druk worden, maar de lokatie is zo groot dat je er niet snel last van hebt. Per slot van rekening zijn 20.000 toeristen net zo veel als bewoners in Pompeii ten tijde van de uitbarsting.

Toen de ene ruïne erg op de vorige ging lijken hielden we onze rondgang door Pompeii voor gezien en liepen we terug naar onze camper om in de schaduw van een koel drankje te genieten; de temperatuur was inmiddels opgelopen naar zo'n 30 gr. C. Morgen maken we Napels onveilig.
De aanvullende foto's staan op Flickr inhet Album Puglia-02
Via Francigena
Dinsdagavond zijn we beiden toen we buiten voor de camper zaten zo'n beetje lek gestoken; niet door muggen, maar door hele kleine vliegjes. En ze steken niet, ze bijten! Simulum Posticatum is zijn naam en smullen deed hij: van ons bloed! Het is een klein zwart vliegje met een afmeting van 2 tot 3 millimeter. In verhouding tot het lichaam heeft hij brede vleugels. De zuigmond is kort maar breed. De vlieg mag dan klein zijn maar hij bijt als een grote. Hij is gek op mensenbloed en bijt voornamelijk in voeten en onderbenen. Een beet van de vlieg is erg pijnlijk omdat hij een brede steekmond heeft, dit in tegenstelling tot de meeste muggen, die een spitse steekmond bezitten. De Nederlandse naam "kriebelmugje" is dus heel ongelukkig gekozen want van kriebelen is er eigenlijk helemaal geen sprake. Hier in Italië vliegen ze als complete wolken door de lucht. We zagen ze eerst als zwarte wolkjes boven de bomen aan de kant van de weg vliegen en vond dat wel grappig om te zien. Nu vinden we helemaal niets grappigs meer aan die beestjes. Inmiddels zien onze benen eruit alsof we de mazelen hebben. Zelfs DEET helpt niet tegen deze krengen.
Vol goede moed vertrokken we woensdagmorgen vanuit Ravenna naar Assisi, een ritje van 190 km. Daar aangekomen had onze navigatie weer kuren en stuurde ons een smal bergweggetje in waar de camper net op kon. Gelukkig geen tegenliggers gehad en eenmaal boven was het nog 200 m naar de camperplaats. Die ging wel steil naar beneden! Wij waren helemaal alleen daar,(op een dode rat na) geen enkele andere camper en dat was natuurlijk ook niet zo verwonderlijk. Toen we ook bij hetmanoeuvreren bijna vast kwamen te staan en "t Uitje" ons pas met heel veel moeite (fietsen afladen, blokken tegen de achterwielen om terug glijden te voorkomen) weer naar boven bracht, besloten we toch maar de plaatselijke camping op te zoeken, onder aan de heuvel.

Vanuit de camping liep er een busje dat de campinggasten 4 keer per dag naar Assisi bracht en ook weer ophaalde. Assisi is de geboorte- en overlijdensplaats van Franciscus (1182 – 1226), de stichter van de Franciscaner Orde, die van de Minderbroeders en van dat gegeven wordt commercieel heel goed gebruik gemaakt. Toen Assisi in 1997 door een aardbeving zwaar werd getroffen, er vele doden vielen en de basiliek half instortte was de schade binnen twee jaar geheel hersteld om het economisch gewin weer zo snel mogelijk op te kunnen nemen. Je kunt de herstellingen nu, bijna 20 jaar later nog steeds zien: de nieuwe stenen zijn nog niet zo aangetast als de oudere.
De stad ligt op een heuvel met op de top het Rocca Maggiore, het grote kasteel dat sinds de 12eeeuw boven de stad uittorent. Je moet in de stad voortdurend klimmen en afdalen, er is nauwelijks een straat te vinden waar je een beetje op je gemak kunt lopen. Onze eerste klim was die naar de grote Basiliek van St. Fransiscus en omdat wij er heel vroeg waren stonden we bijna alleen op het kerkplein.

Alles in de kerk ademt Fransiscus: van de crypte waar hij in ligt begraven tot de schatkamer, waar ze zijn veelvuldig gerepareerde habijt nog hebben en een gedeelte van zijn gestigmatiseerde huid. En niet alleen in de kerk, maar ook in de stad zelf kom je gedenktekens en gebouwen tegen die aan Franciscus herinneren.

Wij hebben de stal gezien waarin hij volgens de legende is geboren, het huis waarin hij opgroeide en de cel waarin hij door zijn vader werd opgesloten toen hij te kennen gaf monnik te willen worden.

Maar gelukkig valt er in de stad nog veel meer te zien. Een romeinse tempel uit de eerste eeuw, gebouwd ter verering van de godin Minerva en die later tot kerk werd omgetoverd.Een toren uit de 12eeeuw waar in de voet de lengtematen als ijkmiddel zijn uitgehouwen. Hele mooie nauwe,en met deze tropische temperaturen zelfs koele straatjes gevormd door gebouwen met mooie gevels.

En veel pelgrims die de Via Francigena lopen. We hebben er ruim 6 uren rond gelopen,hebben nog een aantal bezienswaardigheden overgeslagen en we hebben ons geen moment verveeld.

De volgende morgen zijn we op de fiets gestapt om naar Santa Maria degli Angeli te gaan, waar een bijzondere Domkerk staat. Niet zozeer de kerk zelf is bijzonder als wel datgene wat je daar in aantreft. Franciscus is gestorven in Porziumcola, een plek vlakbij Asissi. In Porziumcola stond een klein kerkje dat door de Benedictijnen na het overlijden aan de broeders van Franciscus werd gegeven inclusief een klein stuk van het omringende land. In 1569 werd dit kerkje met grond verplaatst naar Maria degli Angeli en werd de huidige Dom er over heen gebouwd. Heel bijzonder om te zien.

Vast aan de Dom staat nog een in gebruik zijnd klooster, waar we in één van de gangen een beeld van Franciscus aantroffen met in zijn open gevouwen handen een nest met jonge duifjes. Papa of mama zat daar recht tegenover te koeren. Hoe de duifjes gevoerd worden konden we niet zien en ook konden we de vluchtroute van de ouders niet achterhalen. Heel erg bijzonder! Maar och, er zijn diverse wonderen aan Franciscus toegedicht dus wie weet!!!

Na de noodzakelijke inkopen reisden wedie dag verder in de richting van Napels-Pompeï. Iets over de helft wilden we halt houden in Anagni. De weg er naar toe bestond uit honderden scherpe bochten door een zeer heuvelachtig landschap. De navigatie gaf een gemiddelde snelheid aan vannog geen50 km per uur over 225 km, dus vier en half uur. En dat kwam uit!Na bijna vijf uren reden we Anagni binnen.
Anagni
Anagni bestond als ommuurde stad al in de 3eeeuw voor Christus, toen het door de Romeinen werd veroverd. En ook Anagni ligt op een heuvel. Je vindt er nog zeer oude huizen; wij hebben even stil gestaan bij het huis van Tribuun Albertusuit de 3eeeuw na Christus met een prachtige voorgevel. Het huis was nu een restaurant.

Anangni heeft in de 12een 13eeeuw drie pausen voortgebracht en uit die tijd stammen ook de meeste mooie huizen en paleizen. We hebben rustig door het stadje gelopen, ondanks dat het verkeer er, zoals in bijna elke Italiaanse stad, chaotisch is. Halverwege nog eenterrasje gepakt enwe staan nu op de lokale gratis camperplaats met voorzieningen tussen nog5 andere Italiaanse campers. Geen Nederlander gezien hier, en dat is ook al bijzonder!
Morgen verder naar Pompeï.
Met de vlam in de pijp . ......
De zon scheen toen we op zondag 2 september vertrokken voor onze rondreis door Italië. Deze eerste dag hebben we vooral veel kilometers gereden omdat er geen vrachtverkeer rijdt op zondag maar toch was het ontzettend druk op de wegen. Om 18.00 arriveerden we op de camperplaats (afgekort CP) in Nesselwang zo’n 25 km van de Oostenrijkse grens en tot onze verbazing stond de CP nagenoeg vol. We hadden een mooi uitzicht op de bergen en de (nog) buitenwerking gestelde skiliften.

Na een goede nachtrust waren we de volgende morgen voor 9 uur weer op pad. De wolken hingen nog voor de bergen wat een mooi gezicht is.
Via de Fernpass ging het richting de Reschenpass en rond de middag passeerden we de grens met Italië. Inmiddels scheen de zon volop en was het 23 graden. Kilometers lang reden we tussen appelboomgaarden en kleine dorpjes. In het plaatsje Graun zagen we een Oud-Romaanse kerktoren die uit de Reschensee oprijst, een stuwmeer. Ooit bevond zich hier voor 1950 de oude nederzetting Graun, maar nu staat die grotendeels onder water. Apart om te zien overigens.

In de Trentinostreek zagen we links en rechts buiten de plaatsjes alleen maar druiven en de oogsttijd was begonnen want we hebben meerdere malen tractoren vol met druiven zien rijden. De wegen zijn er overigens niet al te best aan toe in Italië en dan besef je wel wat in Nederland alles goed geregeld is. Het Gardameer hebben wij bewust links laten liggen gezien het grote aantal Duitse campers en caravans die, die richting opgingen.
Wij arriveerden om 17.00 op een prachtige en rustige C.P. naast het middeleeuwse dorpje Borghetto en geen druiven of appels maar boomgaarden vol kiwi’s zien we hier. Via een oude brug uit de 13eeeuw zijn we naar het dorpje gewandeld waar we genoten hebben van heerlijke Italiaanse ijs.

Het dorpje met een handvol huizen aan de rivier de Minico heeft o.a een 13 e eeuws klooster en het wordt een van de mooiste dorpjes in Italië genoemd. (Borghi più d ‘Italia)
Borghetto is ook bekend van de tortellini, ook wel nodi d ‘amore, knopen van liefde genoemd omdat hij doet denken aan een liefdesknoop in een zakdoek volgens een oude legende in dit dorpje. En zo werden we op onze eerste dag in Italië al verrast.
De derde dag voerde ons door de streek van Lombardije. Omdat dit landschap erg vlak is zie je vooral veel landbouwgronden en industriegebieden. Niet het meest aantrekkelijkst om doorheen te rijden, bovendien ook hier weer veel slechte wegen, maar gelukkig zagen we ook dat men bezig is met het herstellen van de wegen.

Ons einddoel van deze dag was de stad Ravenna die bekend staat om zijn kerken en kapellen uit de Byzantijnse periode met mozaïeken. Op loopafstand van het oude centrum is een CP plaats met de nodige voorzieningen waar we voor het luttele bedrag van 2,25 euro 24 uur mogen staan. Met in de avonduren regelmatig controle van de politie dus je hoort ons niet klagen.
Ooit was Ravenna de hoofdstad van het West-Romeinse Rijk. Het bleef floreren tijdens de Ortrogotische en Byzantijnse heerschappij in de 5e en 6e eeuw. De stad is bekend om deze vroeg-christelijke mozaieken die nog steeds in uitstekende staat verkeren. Nu hebben wij al heel wat kerken, kathedralen en basilieken gezien maar deze zijn wel heel bijzonder en het moet een intensief en tijdrovende arbeid zijn geweest om te maken. De steentjes zijn ongeveer 1 bij 1 cm. De meest indrukwekkenste vonden wij de Basiliek San Vitale met mozaïeken uit de periode 526-547 .

In Ravenna bevindt zich ook het museum en de tombe van de dichter, schrijver en moraalfilosoof Dante, die na vele omzwervingen door Italie uiteindelijk in Ravenna terecht kwam en daar stierf in 1321. De lamp bij zijn grafkelder brandt op olie die de stad Florence verstrekt nadat hij ooit uit deze stad werd verbannen.

Ook heel bijzonder was de Franciscuskerk waarin een zeer oud onder water staand mozaïek te zien is. Er zwommen zelfs goudvissen in.

Verder heeft Ravenna nog Middeleeuwse straatjes en is het goed toeven op een van de gezellige pleinen.
Aanvullende foto's staan, zoals gebruikelijk op Flickr (zie link in de kolom rechts).