Granada, sprookje uit 1001 nacht
Granada is de hoofdstad van de gelijknamige provincie in het zuid-oosten van Spanje, centraal gelegen aan de voet van het Sierra Nevada-gebergte op zo’n 730 m.boven de zeespiegel. Als je alle buitenwijken meerekent telt Granada zo’n 472.000 inwoners.

Granada werd al bewoond in de 8e eeuw voor Chr. In de 2e eeuw voor Chr.namen de Romeinen het gebied in. Vervolgens behoorde het tot 711 toe aan de Visigothen, maar na een aanval kregen in 713 de Moren het in handen en gaven het de naam Elvira. De geschiedenis van Granada laat zich tekenen door een reeks van oorlogen om de macht over de streek en uiteindelijk slaagde sultan Alhamar er in 1232 in van Granada een koninkrijk te maken. Op de grotendeels ontoegankelijke Sabikaheuvel boven Granada, begon zijn markantste periode in de 11de eeuw als het qu’lat al-Hamra (Rode Fort) van de Ziridische vorsten. Van de 13de tot laat in de 15de eeuw verfraaien hun opvolgers, de Nasriden-dynastie, de plek op spectaculaire wijze.
Drie dagen brachten wij door in deze gemoedelijke, indrukwekkende en vriendelijke stad en ook nu een verslag van een paar hoogtepunten. Voor de camping konden we op de bus stappen die ons naar het centrum van Granada bracht, van daaruit was het nog een 20 minutenlopen naar het Alhambracomplex en omdat dit hoog ligt moesten we weer flink stijgen, maar alles went.

Het complex bestaat uit vier duidelijk te onderscheiden delen: De Alcazaba (de vesting), de Palacios Nazaries (paleis van de Nazaries), Paleis van Karel V en het wat hoger gelegen Generalife (zomerpaleis en tuinen).Omdat wij pas voor 14.00 tickets hadden voor het Paleis Nazaries begonnen wij onze tour op het hoogst gelegen gedeelte, het Generalife.
Generalife geldt als verbastering van het Arabische Djinat al-Arif, te vertalen als de tuin van de architect (oftewel Allah) Indertijd werd de Darrorivier 18 km omgeleid om water te leveren aan dit heiligdom, een indrukwekkende technische prestatie.

Als je door de tuinen van het Partal met zijn waterbekkens, bloembedden en stromende beekjes naar de Generalife loopt kom je een aantal Moorse torens tegen die zijn ingebouwd in de muur en ze bieden een prachtig uitzicht op de omgeving. Via een voetbrug tussen twee torens kom je op de heuvel die boven het Alhambra oprijst. Hier lag vroeger een groot zomerpaleis, te midden van 30 hectare tuinen en een eeuw ouder dan het Alhambra maar van het paleis is weinig meer over. Op het een na hoogste terras ligt de Hof van de Cipressen, ook bekend als de Patio van de Sultan, want hier zou Zoraya, de vrouw van Boabbil haar minnaar hebben ontmoet. Een 700 jaar oude cipres herinnert aan de plek van het overspel. Op verschillende terrassen kun je heerlijk door de tuinen wandelen.
Van het Generalife zijn we naar het Alcazaba gelopen. Deze militaire vesting stamt uit de eerste helft van de 13de eeuw. De dubbele ring verdedigingsmuren werd versterkt met enkele indrukwekkende torens. Binnen deze muren zijn nog de fundamenten van de onderkomens voor soldaten te onderscheiden. Vanaf de Torre de la Vela (wachttoren) en de verdedigingsmuren heb je een fantastisch uitzicht op de omgeving en de besneeuwde bergtoppen van de Sierra Nevada.

Via de tuinen loop je naar het Paleis van Karel V. Naast het sultanpaleis staat het perfect vierkante renaissancepaleis van keizer KarelV (1500-1558), op deze plek een symbool van de triomf van het christendom over de islam.

Het heeft een perfect ronde binnenplaats met een zuilengalerij van twee verdiepingen een meesterwerk van Pedro Machuna, leerling van Michaelangelo. Binnen zijn twee musea gevestigd.

Aan de zijkant van dit paleis moesten we nog een half uur wachten voor we het Palacios Nazaries binnen mochten. (Elk halfuur mogen er maar een bepaald aantal mensen naar binnen). De mevrouw van de controle zei tegen ons; ga maar even zitten dan kom ik jullie wel halen als het tijd is. (blij dat we konden gaan zitten, maar ook : o, jee we vallen onder de categorie ouderen. ) Maar we mochten inderdaad als eerste naar binnen, waar het overigens al een drukte van belang was.

Dit paleis en hoogtepunt van het Alhambra waar ooit de sultans van Granada resideerden ziet er van buiten eenvoudig uit van baksteen, stuc en hout om Allahs schepping niet naar de kroon te steken, maar binnen worden de drie naast elkaar gelegen binnenplaatsen omringd door prachtige wanden. De fonteintjes en waterloopjes die overal klateren verlenen het een betoverende charme.

Via de Mexuar (audiéntiezaal) wat het oudste gedeelte van het complex is liepen we het paleis binnen om ons het volgende uur te vergapen aan muren en bogen met prachtig filigraanwerk, gestucte ornamenten en kaligrafie, mirte struiken en waterbekkens.

In de troonzaal waar de sultan hof hield zijn op friezen en sierlijsten kunstig spreuken en korancitaten geschilderd. Het architectonisch hoogtepunt is de Patio de los Leones (Leeuwenhof) Deze binnenplaats werd in de 14e eeuw onder Mohammed V gebouwd. De naam is ontleend aan de Leeuwenfontein met twaalf wit marmeren waterspuwende fabeldieren die in het midden van de binnenplaats staan. Sierlijke zuilen met ruitvormige vlechtwerkmotieven en versierde wanden doen je in een sprookje van 1001 nacht wanen.

Na een uurtje of 4 genieten van al dit moois liepen we voldaan weer terug naar beneden waar we op een zonnig terras even alles konden laten bezinken.
Natuurlijk heeft Granada meer te bieden dan alleen het Alhambra en bezochten we ook de Moorse wijk Albaicin, de sfeervolste wijk van Granada. Deze wijk schijnt uiterlijk niet veel veranderd te zijn sinds de moslimtijd en staat sinds 1984 op de UNESCO Werelderfgoedlijst.

Lopend langs de Rio Darro die tussen de heuvels van Albaicin en het Alhambra stroomt proef je de middeleeuwse sfeer die in de wijk heerst. Vlakbij een vergane boogbrug uit de 11e eeuw bevinden zich nog Arabische baden uit de 11e eeuw. Ook in deze wijk komen we diverse kerken tegen maar die hebben we, na alle kerken die we inmiddels al gezien hebben gelaten voor wat ze zijn.

Via de Camino del Sacromonte zijn we naar de grottenwijk gelopen, vroeger bewoond door zigeuners, tegenwoordig deels door gitaarspelende, hondhoudende neohippies met dreadlocks, hier ook wel los antisistema genoemd. De casas-cuevas zijn grotwoningen in uitgehouwen holen waar een voorgevel tegenaan is gezet, veelal met een terras. Via een trap en oplopende keienstraatjes kom je op het bovenste niveau, waar je een schitterend uitzicht hebt over het Alhambra met op de achtergrond de witte bergtoppen van Sierra Nevada.

Daarna daal je langzaam weer af via smalle straatjes en kom je uit op het Plaza del Salvador en ben je meteen in het levendigste deel van Albaicin vol kleine winkeltjes en eetcafe’s. Wij zijn daar ook even neergestreken om te genieten van een lekkere lunch en de gezellige sfeer in de wijk.
Midden in de Moorse wijk bouwden de christenen, als symbool van de overwinning op de moslims, de kathedraal op de plaats van de hoofdmoskee. Er is een renovatie aan de gang en ook deze kathedraal zijn we voorbij gelopen richting van de voormalige Arabische bazaar. In de smalle steegjes onder de typische hoefijzerbogen rijgen de kleine winkeltjes aaneen: lederwaren, sieraden en ander kunsthandwerk en natuurlijk de souvenirs naar keuze.

Wij hebben drie dagen genoten van en in deze stad met een rijke geschiedenis waar een relaxte sfeer hangt, ondanks de vele toeristen (herfstvakantie) die er rondlopen. Morgen gaat onze reis verder.
De overige foto's staan in Album 2017-12 op Flickr.
Moorse schoonheid ........ het begin
Woensdag 18 oktober trokken we in de regen (na ruim 4 weken alleen maar onbewolkte luchten is een verfrissend buitje uiterst welkom) naar Córdoba. Het gebied rondom die stad staat bekend om zijn olijven; onafzienbare olijfboomgaarden, tegen heuvels aangeplakt, kenmerken het landschap. Op een gegeven moment ruik je zelfs de olijven, rijdend in de camper. Rond de middag kwamen we op de camperstandplaats aan die op slechts 300 m van de historische binnenstad lag.

Córdoba
In de achtste eeuw voor het begin van onze jaartelling kwamen inwoners uit de westelijker gelegen handelsstad Tartessos via de rivier Guadalquivir uit op de plek waar nu Córdoba te vinden is en sloegen daar hun kamp op. De Tartessos (het volk werd naar de stad vernoemd) baseerden hun welvaart vooral door de winning van allerlei ertsen die in de streek volop aanwezig zijn zoals goud, zilver, kwik, tin en koper. Na de Tartessos kwamen de Carthagen vanuit Noord-Afrika die de inmiddels ontstane stad de naam Karduba gaven, waarvan de huidige naam Corduba is afgeleid. In de daarop volgende eeuwen werd Corduba veroverd door de Romeinen en de Visigoten.
In de achtste eeuw n.Chr. trokken de Moren vanaf het Afrikaanse vasteland noordwaarts en veroverden stuk voor stuk een redelijk groot deel van het Iberisch schiereiland. In het jaar 711 werd Córdoba bezet door de Moren. Dat geschiedde onder leiding van Tariq ibn Zayid. In het jaar 756 werd de stad hoofdstad van het Emiraat van Córdoba. Hiermee werd Córdoba eigenlijk meteen de machtigste stad van het Moorse rijk Al-Andalus dat vrijwel heel het Iberisch schiereiland besloeg en zelfs een stukje van het zuiden van het hedendaagse Frankrijk.
De Grote Moskee van Córdoba, de Mezquita, vindt zijn oorsprong in deze periode waarin Córdoba uitgegroeid was tot één van de belangrijkste en rijkste steden ter wereld; de stad overtrof zo'n duizend jaar geleden Rome als grootste stad van Europa en misschien zelfs de wereld. In onze streken sloegen rond die tijd de Batavieren hun tegenstrevers nog met knotsen de koppen in en woonden in schamele onderkomens van palen met gevlochten wanden en daken; bepaalde politieke groeperingen in ons land zouden van deze geschiedenis nog wat kunnen leren. In 929 ontstond het Kalifaat Córdoba, wat feitelijk een voortzetting van het emiraat Córdoba was. In het jaar 1236 kwam Córdoba uiteindelijk in katholieke handen nadat koning Ferdinand III van Castilië de stad na een maandenlange strijd veroverde.
Wij hebben twee dagen rondgezworven door Córdoba en veel gezien; hier laten we achtereenvolgens het Paleis van de christelijke Koningen, de Mezquita-Kathedraal, de romeinse brug, de voormalige joodse wijk Juderia en de rest van de historische binnenstad de revue passeren.
Alcázar de los Reyes Cristianos


Het Alcázar de los Reyes Cristianos is geen enorm groot paleis, maar met name de tuinen van het Alcazar zijn een bezoek waard. In deze Arabische tuinen vormen planten, bomen, vijvers en fonteinen een mooi geheel en er staat een beeldengroep ter herinnering aan het feit dat Columbus hier in 1493 het Spaanse koningspaar heeft ontmoet. Vanaf de toren van het Alcazar paleis heb je een mooi uitzicht over Córdoba en verder is in het paleis binnen een museum met o.a. Romeinse mozaïeken.
De Mezquita-Kathedaal

(foto van internet)
Op de plaats van het huidige godshuis is al in de 6e eeuw een kerk gebouwd, gewijd aan St. Vincentius, welke kerk in de 7e eeuw werd verheven tot basiliek. Toen de Moren in de stad een moskee wilden bouwen hebben ze dat gedaan op de plaats van de basiliek, die daartoe dan ook werd gesloopt. Bijna 1300 jaar later zijn bij opgravingen/restauratiewerkzaamheden weer delen van deze aloude basiliek terug gevonden.
Met de bouw van de moskee werd in 785 begonnen en in 990 bereikte hij met de laatste uitbreiding zijn huidige grootte: ruim 120 bij 130 meter waarmee de Mezquita (spaans voor moskee) de grootste moskee van Europa was, tweede grootste ter wereld na die van Mekka en een capaciteit had om twintigduizend mensen te herbergen. Nadat de Moren uit Spanje waren verdreven werd de moskee ingericht als katholieke kerk, maar het gebouw bleef in tact. Pas in 1523 wilde het kapittel een nieuwe kathedraal bouwen, tegen de wil in van het stadsbestuur. Uiteindelijk heeft Keizer Karel V zijn toestemming gegeven tot de bouw van de kathedraal in de moskee. Toen hij echter jaren later op de bouwlocatie kwam sprak hij de fameus geworden woorden: "U heeft iets vernietigd wat uniek was in de wereld en u heeft dat vervangen door iets wat men overal kan zien." Gelukkig kunnen we nu constateren dat de kathedraal slechts een klein deel van de moskee in beslag neemt. Van boven af gezien is het een desonant, binnenin valt het nauwelijks op.

Als je de moskee binnengaat zie je een woud van zuilen, verbonden met rood-witte hoefijzerbogen, die tesamen een rijkelijk versierd houten plafond/dak dragen. De twee lagen bogen boven elkaar, de kleurstelling en de eindeloos lijkende herhaling ervan zijn indrukwekkend en brengen harmonie en rust over. Van de ruim 1200 zuilen hebben er bijna 400 het veld moeten ruimen voor de latere - inpandig gebouwde - kathedaal. Desonant of niet, als je in de moskee rond loopt merk je nauwelijks dat je op een gegeven moment in de kathedraal zelf staat. Van de kathedraal zijn de koorbanken indrukwekkend.

De romeinse brug
De brug is tijdens de Romeinse periode gebouwd in de I ste eeuw voor Christus en de brug ligt over de rivier de Guadalquivir. Aan de ene zijde staat de Puerta del Puente en aan de andere zijde is er de Torre de la Calahora. Deze brug was de enige brug die toegang gaf naar de stad in twintig eeuwen tijd. Zij heeft een lengte van 331 meter en bestaat momenteel uit 16 bogen maar oorspronkelijk waren het er 17.

In de loop van de geschiedenis onderging de brug aan aantal aanpassingen en verbouwingen maar de grootste gebeurden in de periode van het kalifaat. De volgende grote aanpassing was tijdens de herovering (Reconquista) en de laatste gebeurde in het begin van de XX ste eeuw. De brug doet nu dienst als voetgangersbrug.
De voormalige joodse wijk Juderia
In de straatjes van de voormalige joodse wijk, nu Juderia geheten, onmiddellijk grenzend aan de Mezquita-Kathedraal, rijgen zich dichtbij het gebedshuis de souvenirswinkeltjes aaneen, maar zodra je wat verder de wijk inloopt over de smalle straatjes, belegd met keien, kom je de wat meer dagelijkse etablissementen tegen zoals restaurants, barretjes en ambachtswinkeltjes. De straten zijn hier zo smal dat de aanvoer van goederen soms nog met de handkar moet geschieden.

Aan de rand van deze wijk, tegen de oude stadsmuur aan, staat de Synagoge, die in 1315 is gebouwd en één van de nog resterende drie middeleeuwse synagoges in Spanje is. In 1492 werden door de Spaanse Inquisitie alle joden uit Spanje verdreven, zo'n 200.000 in getal. De synagoge werd omgevormd tot ziekenhuis en nadien tot kapel voor het schoenmakersgilde. In de 19e eeuw werd het staatsbezit en tot nationaal monument verklaard.

Historische binnenstad
Córdoba staat bekend als de heetste stad van Spanje; de temperatuur kan hier hartje zomer oplopen tot boven de veertig graden. Om deze hitte het hoofd te kunnen bieden is de binnenstad zo gebouwd dat het zonlicht bijna niet de met keien geplaveide straten bereikt. De gebouwen zijn relatief hoog (voor middeleeuwse begrippen) en de straten smal; dat laatste zelfs ook voor middeleeuwse begrippen. Er is bijvoorbeeld een Calleja el pañuelo - het zakdoeksteegje - dat zo is genoemd omdat je daarin tussen twee personen die tegenover elkaar staan, ieder met de rug tegen de muur, nog net een zakdoekje kunt spannen.

Talrijk zijn de patio's en binnentuinen, vaak voorzien van fonteintjes en watervalletjes, waar ook geen direct zonlicht naar binnen valt. De meeste bewoners zijn zo trots op hun binnentuintje dat ze de afsluitende buitendeur meestal open laten staan, zodat je een blik naar binnen kunt werpen.

De meeste pleintjes in de binnenstad zijn klein, om de warmte daar ook geen kans te geven. Dit geldt niet voor het Plaza de la Corredera. Dit grote plein is omringd door 18e eeuwse barokke bebouwing van vier hoog met bogengalerij waarin zich winkeltjes bevinden. Tot ver in de 19e eeuw was dit plein het toneel van stierengevechten, markten, ketterverbrandingen en andere executies. Het plein staat onder toeristen nauwelijks bekend en wij waren dan ook de enige toerist daar op dat moment. Bij een lokale uitbaatster konden we een bocadillo atun bemachtigen ter grootte van een half stokbrood voor €2,00!

We hebben twee heerlijke dagen doorgebracht in Córdoba, een stad die we iedereen zouden willen aanraden een keer te bezoeken.
Alhama de Granada
Vanuit Córdoba reden we weer naar Zuiden naar Alhama de Granada. Alhama betekent warm water in het arabisch en het dorpje is genoemd naar de warmwaterbronnen die daar vlakbij liggen. Het dorpje moet je niet verwarren met het Alhambra in Granada, dat is iets heel anders. In Alhama de Granada was de markt net afgelopen en na een uurtje wachten totdat de marktkooplieden hun handel hadden opgeruimd konden we de camperplaats op.
Als je op zoek bent naar een rustig weekendje weg of naar een traditioneel plekje om te bezoeken, dan is Alhama de Granada een geschikte keuze. Alhama de Granada is een plek die dichters en reizigers door de eeuwen heen heeft geinspireerd. De romantische reiziger Teofilo Gautier beschreef het stadje als ‘een arendsnest, hangend vanaf een enorme rots of piek’. Gelegen boven een bergkloof, waarbij de huizen lijken te balanceren boven de afgrond, is Alhama de Granada, omringd door vruchtbare velden en een heuvelachtig landschap van amandel- en olijfgaarden, een streling voor het oog. Door de rijke geschiedenis en de prachtige, bijna onneembare ligging werd Alhama de Granada beschouwd als een van de parels in de kroon van de Nasriden, een islamitische dynastie die over het gebied van Granada en Malaga regeerde. Nadat de Moren uit de stad waren verdreven, uitte Abu Al-Hasan - de Moorse regeerder van die tijd - de woorden 'Ay de mi Alhama'. Vandaag de dag wordt dat nog steeds gebruikt in het Spaans om uit te drukken dat je ergens spijt van hebt.

Het beste uitzicht van Alhama is het indrukwekkende ravijn Tajo, die je kunt vinden achter de Iglesia del Carmen. Om dat punt te bereiken moesten we wel eerst een klim omhoog maken; dat kon met een omweg over de rijbaan, maar ook rechtstreeks via trappen die de inwoners ook gebruiken om bij hun huis te komen, zelfs met in allebei de handen een grote boodschappentas vol met kruidenierswaren. Bovenaangekomen ligtachter ons de Iglesia del Carmen, een simpele bakstenen kerk, en aan onze voeten de kloof. Prachtig hoe je hier op een natuurlijk balkon boven de diepte zit, al krijg ik toch ook een beetje weeïge gevoelens als ik Janny over het afscheidingsmuurtje zie hangen om wat plantjes te fotograferen, want dan beginnen mijn hoogtevrees sensoren ineens zeer heftig te piepen. Beneden zie je de rivier lopen, de Rio Alhama, met langs de oevers een aantal gebouwen, tamelijk vervallen. Aan deze kant en aan de overkant wanden die een dikke 100 meter loodrecht omhoog lopen. Van die brokkelige gele wanden, met hier en daar gaten of grotten.

Wanneer je de kloof binnen gaat, vind je duidelijk gemarkeerde wandelpaden die je langs de ruines van oude boerderijen, woningen, graanmolens, eeuwenoude was-stenen (waar de huisvrouwen hun was deden) en verschillende lokale bezienswaardigheden leiden. De meeste zijn duidelijk aangegeven en voorzien van een bord met toelichting (deze keer niet alleen in het Spaans, maar ook in het Engels). In de kloof, die op haar diepste punt 150 meter onder Alhama de Granada ligt, is het heerlijk koel. Er stroomt een klein beekje door met ijskoud water, dat in de zomermaanden een fantastische plek biedt om er te verkoelen. Wij hebben ruim twee uur door de kloof gewandeld, eerst steil naar beneden vanaf de kerk van Carmen en vervolgens via een andere weg weer langzaam omhoog, om te eindigen op een terras op het centrale plein in de oude dorpskern.

Eerst dachten we nog dat wij zo ongeveer de enige toeristen waren die er rondliepen, maar op het plein kwamen we Engelsen, Fransen, Duitsers en tja, ook Nederlanders tegen; het dorpje was dus veel bekender dan wij in eerste instantie dachten.
Vanmorgen (22 oktober) waren we al weer vroeg op pad omdat we vroeg in Granada op de camping wilden zijn. We hebben nog geen kaartjes van het Alhambra en een paar dagen geleden hebben we geprobeerd die via internet te bestellen, maar de eerst mogelijke vrije datum was eind november! We moeten het nu anderszins proberen. Toen mijn TomTom in Granada aangaf dat we rechtsaf de camping op moesten draaien zouden we voor een gesloten hek komen; de camping was of gesloten of opgeheven. Even op internet een alternatief gezocht en gevonden: camping La Reina Isabel, op 3 km van het Alhambra. Er bleken nog een paar plaatsen vrij te zijn, de eigenaar was zeer vriendelijk en sprak meerdere vreemde talen (engels, frans, italiaans). Hij namalle tijd voor je, zelfs al stondener meerdere personen achter je te wachten op hun beurt. Hij kon bovendien tegen een kleine vergoeding voor kaartjes voor het Alhambra zorgen. Nou daar zeiden we geen nee tegen; morgen kunnen we met de door hem geregelde kaartjes daar naar toe; komt de droom van Janny toch nog uit, want ze zag het donker in toen bleek dat we veel te laat waren met hetop internet bestellen van de kaartjes.
De laatste foto's staan op Flickr in album 2017-11.
Van de regen in de drup
De omgeving van de Sierra de Grazalema waar wij doorheen reden telt een behoorlijk aantal “Pueblos blancos” (witte dorpjes) waaronder dus ook Casares. Hier reiken de bergen tot zo’n 1500 m. In dit rustige en oude landschap zijn de wegen smal en bochtig en soms spectaculair door de hoogte en de prachtige vergezichten. Tijd speelt hier nauwelijks een rol en omdat de wegen rustig zijn kun je hier ontspannend toeren door het steeds veranderde heuvellandschap. Sinds 1984 is dit gebied beschermd natuurpark en is dit gebied ook het meest regenrijke deel van Spanje. Onze bedoeling was om Ronda te bezoeken met als herkenningspunt de Tajo, een diepe kloof met de Rio Guadalevin die de stad in tweeën deelt. De Puente Nuevo, een bijna 100 m hoge brug (1793) verbindt met nog twee lagere bruggen de beide stadsdelen.

Een camperstandplaats is er niet, wel een camping, maar die is behoorlijk aan de prijs, alle plekken zijn heel ongelijk. Het sanitair wordt nauwelijks schoongemaakt, je moet vooraf betalen en de campingeigenaar schijnt een hoogst onvriendelijke bij het onbeschofte af persoon te zijn. Deze verhalen hadden we inmiddels van andere camperaars gehoord dus daar hadden wij geen zin in. Parkeren is met 75.000 toeristen per dag ook niet te doen dus moesten we genoegen nemen met hetgeen we vanuit de camper zagen toen we door het stadje reden. Onze volgende stop was het witte dorpje Olvera waar we wilden gaan fietsen.

De trein, die nooit kwam.
Hardnekkig blijft het verhaal rondzingen in de omgeving van Olvera, een dorpje zo’n honderd kilometer zuidoostelijk van Sevilla. Een spoorwegbeambte zou veertig jaar lang, iedere dag opnieuw, klaar hebben gestaan met zijn pet en fluitje om de trein te laten passeren. De trein die niet kwam, want het spoor was nooit in gebruik genomen. En toch ontving de beste man, vergeten geraakt in een Spaanse salarisadministratie, veertig jaar lang loon. Of het verhaal op ware feiten berust? Wat wel waar is, is dat Spanje negenduizend kilometers in onbruik geraakte spoorwegen kent. Sinds begin jaren negentig zijn daar zo’n 1.500 kilometers van getransformeerd in goed toegankelijke paden waar alleen wandelaars, fietsers, paard- of desnoods ezelrijders welkom zijn: de Vías Verdes, oftewel groene wegen. De rails werden er verwijderd, de overgebleven spoordijken waar nodig geasfalteerd of van grind voorzien en voor een deel uitgerust met bewegwijzering.

De omgeving van de Vía Verde de la Sierra maakt het succesrecept van de groene wegen direct duidelijk. Flinke heuvels, tot zo’n 600 meter hoogte, domineren het landschap. Op de toppen rusten stadjes en dorpen, opgetrokken uit witte huizen en veelal voorzien van oude burchten vanaf welke de Andalusiërs elkaar waarschuwden voor de Arabieren. In de verte zijn de minstens 1.1000 meter hoge uitlopers van grotere bergen zichtbaar. Graanvelden en olijfboomgaarden zetten de toon. De gaarden, met hun rechte rijen bomen als stipjes op de gele tot rode grond, liggen als een patchwork-deken over de toppen en dalen uitgevleid. Het is een landschap waar het normaal zwoegen zou zijn voor wandelaars en fietsers. Heuvel op en af, in de brandende Andalusische zon waar dertig graden Celsius als beschaafde temperatuur wordt beschouwd. Maar de Vía Verde loopt daar zonder noemenswaardige hoogteverschillen, omdat een trein nu eenmaal niet de hele tijd kan stijgen en dalen.

Op de heenweg ging het fietspad geleidelijk bergafwaarts, op de terugweg (geleidelijk aan klimmen) hadden we flinke tegenwind en was het inmiddels ook behoorlijk warm maar het was een mooie en heerlijke fietstocht.
Omdat we een eigen waterpunt hebben op deze standplaats is de rest van de middag besteed aan de handwas doen en de camper wassen want we vielen al behoorlijk uit de toon bij al die blinkende huizen op wielen. (niet dat we ons daar écht druk om maken!)
Antequera
Er stond een stevige wind toen we deze morgen Olvera achter ons lieten om naar Antequera te rijden waar we in het El Torcal natuurreservaat wilden gaan wandelen. Het El Torcal natuurreservaat, el Paraje Natural de El Torcal, is één van de mooiste en indrukwekkendste geologische natuurparken van Andalusië. Vanwege de unieke kalksteenformatie geeft het haast een surrealistisch gevoel. Dit natuurlijke uitstapje mag dan ook zeker niet missen tijdens je verblijf in deze regio. Ongeveer 150 miljoen jaar geleden lag het grootste deel van het park onder de Tethys oceaan. De onrustige aardkost zorgde ervoor dat de zeebodem tot in de bergen steeg, waardoor de zeebodem tot een hoogte kwam van 1300 meter. Miljoenen jaren van regen en wind zorgden ervoor dat er verschillende spectaculaire kalksteenformaties ontstonden in heel Europa. Het reservaat staat bekend om de meest opvallende karstformaties in Europa. El Torcal heeft haar unieke uitstraling te danken aan de gelijktijdige werking van verschillende factoren, met als belangrijkste factor de aard van de kalksteen zelf. De steensoort waaruit El Torcal is opgebouwd behoort tot een reeks van sedimentair gesteente dat stamt uit het Mesozoïcum tijdperk en bestaat voornamelijk uit carbonaat. De carbonaatrijke kalksteenrots lost gemakkelijk op in het unieke microklimaat van El Torcal. Het hoger gelegen gebergte Sierra de Torcal, vangt meer regenval dan de omliggende gebieden. In combinatie met de poreuze aard van de omliggende kalksteen, vormt de regio een perfect reservoir van ondergrondse rivieren en een hoge waterspiegel. De bron van een van de belangrijkste rivieren van Antequera - Rio La Villa ligt net aan de voet van de Sierra de la Torcal.
Sinds 5500 v. Chr. wonen mensen in dit gebied, van de Homo Neandertalers tot de Homo Sapiens. De eerste bewijzen van menselijke bewoning zijn te vinden in en rond de Cueva del Toro: de verschillende grotschilderingen, de resten bij de Cancha de la Gotera en menselijke resten die zijn gevonden. Alle wijzen op een permanente nederzetting in de Kopertijd - de periode waarin metaal voor het eerst verscheen. Dit bijzondere deel van het megalithische tijdperk is van specifiek belang voor Antequera, dat samenviel met de bouw van de Dolmen.

Helaas voor ons waren we genoodzaakt om op 2 km van de top (1300m) vanwege de laaghangende donkergrijze bewolking om te draaien, we wilden geen risico lopen om toch door te rijden op deze enigszins steile klim en in de mist, bovendien heeft een wandeling in de mist ook geen zin. Wel jammer maar niets aan te doen. Maar de weg naar boven was prachtig. Als alternatief kozen we voor een gigantisch grote hunnenbed (Dolmen) dat onder aan de berg nog net in de stad zou moeten liggen en dus de tomtom geprogrameerd.

Helaas liepen we tegen wegwerkzaamheden in de stad aan en dan komt er een moment dat je zou willen dat je met een grote boog om Antequera heen gereden zou zijn; een omleiding door een wirwar van steile smalle wegen, achteruit moeten rijden omdat er een vrachtauto aan komt; en dan sta je ineens in een doodlopende straat waarbij je met een hellingspercentage van 10 % achteruit moet rijden mét af en toe een ingeklapte spiegel.

Nou dan moet je stalen zenuwen hebben wil je hier zonder kleerscheuren heelhuids uitkomen. Dus petje af voor Roland!! En dan zie je ook nog dat op een hoger gelegen punt toeristen je verrichtingen staan te filmen, die hebben thuis wat te vertellen over die “Hollanders” Maar door dit gedoe kon dat hunnenbed ons ook gestolen worden en besloten we richting camperstandplaats te rijden waar we met een diepe zucht opgelucht adem konden halen. Zo blijft het wel spannend!

’s Middags hebben we een stadswandeling gemaakt en Antequera is beslist een sfeervolle stad met veel Moorse invloeden die nog overal zichtbaar zijn.
Morgen gaan we naar Córdoba, want de komende dagen blijft de bewolking met kans op flinke buien en dan mag je boven toch niet wandelen.
Solid as a Rock?
Cádiz
Waar in Nederland Nijmegen en Maastricht twisten om de eer van oudste stad (gesticht zo rond het geboortejaar van Christus), bestaat er in Spanje daar over geen twijfel. Cádiz werd, als oudste stad, in 1104 v.Chr. gesticht door kolonisten uit het Fenicische Tyrus, onder de naam Gadir, wat ommuurde stad betekent. Later werd de stad onderdeel van het Romeinse Rijk en kreeg het de naam Gades (209 v.Chr.). Door de Visigoten verwoest, werd Cádiz vanaf 711 opnieuw een grote uitvoerhaven onder de Moren, maar verviel in 1262 nadat de Castiliaanse vorsten het beheersten. Groot was de bloei, toen na 1492 Cádiz lange tijd het monopolie van de vaart op Midden-Amerika had. In september 1493 vertrok Christoffel Columbus vanuit Cádiz voor de tweede keer naar Amerika. Als thuisbasis van de Zilvervloot werd het vele malen door de Engelsen en Nederlanders aangevallen (o.a. ingenomen en geplunderd in 1596).

Cádiz wordt ook wel Habanita (Klein Havana) genoemd vanwege de historische relatie en gelijkenis met de Cubaanse hoofdstad. In de Spaanse koloniale tijd bestond er een belangrijke zeeverbinding tussen de twee havensteden en als gevolg daarvan lijken Cádiz en Havana veel op elkaar. Zoveel zelfs dat Cádiz ongemerkt stand-in was voor Havana in de Bondfilm Die Another Day. De beroemde scène waarin Halle Berry in haar oranje bikini uit de zee komt en met Pierce Brosnan een mojito drinkt, is opgenomen aan het La Caleta strand van Cádiz.

Waar in het binnenland in de zomer de temperaturen kunnen oplopen tot ver in de dertig, soms zelfs 40 graden, wordt het in Cádiz, dankzij het relatief koude zeewater in de zomer maximaal 32 gr warm; in de winter daalt het kwik niet tot beneden de 18 graden. Misschien zijn de mensen daarom in Cádiz zo hartelijk, waar dat elders in de grote steden in Spanje wel eens het tegenovergestelde wil zijn. Wij hebben onze camper in Santa Maria gestald, een klein stadje aan de overkant van de Baai van Cadiz en we moesten dus met een veerboot om Cadiz te bezoeken. De overtocht duurt een half uurtje en je stapt zo van de veerboot het oude historische centrum binnen. Het toeristenbureau heeft een aantal stadswandelingen uitgezet en die voorzien van een passend kleurtje op de straatstenen. Wij hebben ons van die lijnen niets aangetrokken en zijn kris-kras door Cádiz gezworven met zijn vele nauwe, maar heerlijk koele straatjes die bijna allemaal wel op een pleintje uitkomen. Op één van die pleintjes hebben ze in 1836 een overdekte markt gebouwd en die markt is nog steeds dagelijks in bedrijf. In het midden staan allemaal vishandelaren die hun, al dan niet in moten gehakte, vis verkopen en daar tegenover staan de stalletjes met Frutas y Verduras (leuk dat ze in het Spaans Fruit en Groenten zeggen). Tot slot staan in de buitenring allemaal eetkraampjes, af en toe afgewisseld met een dranktentje. Na een hele middag in het stadje rond gezworven te hebben vonden we het aan het eind van de middag welletjes en keerden we terug naar ons mobiel huis.

Van Cádiz naar Gibraltar is een ritje van iets meer dan 100 km en hoe meer je naar het Oosten rijdt, hoe heuvelachtiger het wordt. Kom je in het bekken van de Guadalquivir-rivier tussen Sevilla en Cádiz heel veel katoenplantages tegen, op de groene/gele heuvels na Cádiz grazen ontelbare stieren en soms zie je een herder wiens schapen en/of geiten de heuvels afgrazen.

Het landschap is erg afwisselend en je komt ogen tekort. Je ziet de eerste witte dorpjes (Pueblos Blancos) tegen een heuvel aan gebouwd die daarbij schril afsteken tegen het groen-gele van de natuur. Uiteindelijk komen we in La Linea aan waar we onze plek in de jachthaven vinden. We staan nu aan de voet van één van Zuilen van Hercules, zoals Gibraltar, aan de Europese kant, en Monte Hacho aan Afrikaanse kant als sinds meer dan duizend jaren worden genoemd.

Gibraltar.
Waarom Gibraltar? Eigenlijk is er maar één reden voor: omdat het nog kan. De soevereiniteit van Gibraltar is een belangrijk twistpunt van de Brits-Spaanse relatie omdat Spanje aanspraak maakt op Gibraltar. Gibraltar werd in 1704 tijdens de Spaanse Successieoorlog door een Engels-Nederlandse troepenmacht op Spanje veroverd. Het gebied werd vervolgens in 1713 onder de Vrede van Utrecht “voor altijd” overgedragen aan het Koninkrijk Groot-Brittannië waarna het een belangrijke basis voor de Royal Navy is geweest. Voor 1704 waren de Nederlanders echter ook al aanwezig toen in 1607 een Nederlandse vloot onder leiding van Jacob van Heemskerck in de Baai van Gibraltar bij verrassing een aldaar aangemeerde Spaanse vloot overviel. De Spaanse schepen werden volledig vernietigd tijdens de “Slag bij Gibraltar".

Het feit dat Gibraltar niet bij Spanje hoort, zorgde en zorgt voor spanningen tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Spanje heeft zich in het verleden soms vijandig opgesteld in dit geschil. Medio 1966 sloot Spanje voor korte tijd het grensverkeer naar en van Gibraltar en beperkte zowel de scheepvaart als de luchtvaart daarheen. In 1969 werd de grens volledig gesloten, wat grote problemen opleverde voor het wederzijdse woon-werkverkeer. Gibraltar moest in die tijd ook voor de eigen drinkwatervoorziening zorgen. Na de dood van Franco verbeterden de betrekkingen en in 1982 werd de grens weer geopend. De Spanjaarden bleven vasthouden aan lastige grenscontroles, terwijl die aan de andere grenzen al lang waren afgeschaft, en ook nu nog moet je jouw paspoort twee keer laten zien als je deze (binnen europese) grens oversteekt! Tot overmaat van de engelse ramp mag bij een eventuele Brexit, althans volgens de EU, Spanje als eerste bepalen wat er met de Britse enclave Gibraltar gaat gebeuren. Daar hebben de populisten in GB met hun stemmingmakerij over een Brexit zeker geen rekening mee gehouden. Daarom dus gaan we nu, zolang het nog kan, naar de Britse enclave Gibraltar.

Eigenlijk is Gibraltar niet veel meer dan een rotspunt in de Middellandse Zee, waar de officiële voertaal engels is en waar Britten op Engels grondgebied rechts rijden. Het zou voor te veel verwarring zorgen als vanuit Spanje komend, op het amper 7 km2 grote Gibraltar in een keer links moet gaan rijden. Wat bij ons voor verwarring zorgde: een gelijkvloerse kruising van de enige toegangsweg op Gibraltar met de start- en landingsbaan van het enige vliegveld aldaar; gelukkig was die wel geregeld met verkeerslichten, want anders zou je je kunnen afvragen wie er voorrang heeft!

Buiten de Rots, de Berberapen op de top van de rots en het tax-free inkopen van drank en sigaretten valt er in (of op) Gibraltar niet veel te beleven. Wij hebben Main Street afgelopen, even toegekeken bij het wisselen van de wacht voor het gouvernement (een echt en niet een namaak zoals in Maastricht) en zijn daarna de botanische tuin in gelopen, welke zeer de moeite waard is. Vervolgens ongeveer dezelfde weg terug en we hebben op die manier toch nog meer dan 5 uren in deze Engelse enclave doorgebracht, waar je om de haverklap geconfronteerd wordt met typische britse fish and chips (maar niet gewikkeld in de Daily Mirror van gisteren), real ale en english breakfast.
Casares
Als je zegt dat Casares een mooi wit stadje is dan is dat een onderschatting van zijn schoonheid. De meeste witte stadjes (pueblos blancos) zijn mooi, maar aan Casares kleeft iets speciaals. Zijn aanblik is zo bijzonder dat menige bezoeker met verbazing vanaf een afstand staat te kijken. Onze camperplaats was op de top van een heuvel, zo'n 2 km van Casares verwijderd, op een parkeerplaats bij de toeristeninformatie. Vanaf deze plek had je een prachtig overzicht over het stadje. Je ziet de bekende huisjes als waren het suikerklontjes opgestapeld tegen de bergwand reikend tot aan het vertrouwde Moors kasteel op de top van de heuvel. Je kunt haast niet geloven dat dit typische Andalusisch stadje maar 15 km van de lawaaierige kust af ligt waar de toeristen heen en weer razen; verbazingwekkend is ook dat de touringcars vol met dagjesmensen het stadje nog niet hebben ontdekt. Om in het stadje te komen konden we kiezen tussen een redelijke vlakke wandeltocht van bijna 40 minuten over de geasfalteerd weg of het voetpad bergaf en weer bergop dat ongeveer een kwartier zou vergen. Wij kozen voor het laatste en hebben daar geen spijt van gehad.

De wegen in het stadje zelf zijn tamelijk steil; her en der zagen we auto's geparkeerd staan op onmogelijk steile opritten. Ook hier waren de straatjes erg nauw en sommige huizen zijn alleen via trappen te bereiken. Uiteindelijk kwamen ook wij boven bij de ruïnes van het Moors kasteel aan, vanaf welke plek je een adembenemend uitzicht hebt. We zagen de rots van Gibraltar (zo'n 20 km verder), maar ook Monte Hacho in Afrika, aan de overkant van de Straat van Gibraltar, die daar ter plekke 18 km breed is.

Boven ons cirkelden de vale gieren, vogels met een spanwijdte van 2,5 meter. We hebben er tientallen gespot en ook dat is een prachtig gezicht. Na al dat moois rustten we even uit op een terras onder het genot van een drankje tegen een spotprijsje. Buiten de gekende toeristenplaatsen is het toeven een zegen voor jouw geldbuidel.

Morgen gaan we verder richting Cordoba, de vleespot van Spanje, en maken we een tussenstop in Olviera om daar over een Via Verde een dag te gaan fietsen.
De aanvullende foto's staan vanaf 21.00 uur (14 okt)op Album 2017-10 op Flickr
Bienvenidos in Sevilla
Drie volle dagen hebben we (ondanks de hitte van gemiddeld 34 gr.) met veel plezier gefietst en gewandeld door Sevilla. Natuurlijk kunnen we niet alles beschrijven van wat we gezien hebben dus beperken we ons tot een kleine selectie. Geen stad in Spanje heeft zolang aaneengesloten in rijkdom geleefd als Sevilla (700.000 inw.) Over de rivier Guadalquivir waren de wereldzeeën bereikbaar. Vooral na de ontdekkingsreis van Columbus (wiens graf te zien is in de kathedraal) in 1492 deed de koopvaardij goede zaken in Amerika. Feniciërs en Romeinen hadden daarvóór de stad al in bezit gehad. En in 1248 kwam de stad na honderden jaren islamitische heerschappij in handen van de ‘katholieke’ koningen.
De Noord-Afrikaanse Almoraviden en Almohaden hadden van Sevilla al een prachtige stad en sterke stad gemaakt. In het twee-continentenrijk waren Sevilla en, aan de andere kant van de Straat van Gibraltar, Marrakech de hoofdsteden en cultuurcentra. Voorbeelden van de Moorse bevolking en kunst zijn nog overal in de stad te zien en in het bijzonder in het Real Alcázar. Dit ‘koninklijk’ paleis van Sevilla is een meesterwerk van mudéjarstijl en hoort tot Spanjes mooiste gebouwen.
Real Alcázar.
Om 9.00 ’s morgens stonden wij dan ook al in de rij om naar binnen te kunnen en om 9.45 konden we aan onze wandeling van een paar uur beginnen door dit prachtige complex op een steenworp afstand van de Kathedraal.

Het paleis is gebouwd in de tiende eeuw na Christus, waardoor het hoogstwaarschijnlijk het oudste Koninklijke paleis binnen Europa is dat nog als Koninklijk paleis dient doet. Het complex is grotendeels in Moorse stijlen gebouwd. Na het Moorse tijdperk hebben verschillende vorsten aanpassingen en uitbreidingen gedaan aan Real Alcázar de Sevilla, waardoor er ook andere stijlen te zien zijn binnen het complex.
We hebben kunnen genieten van de prachtig betegelde ruimtes, de patio’s, de vele bogen en zuilengalerijen die zorgen voor een prachtig geheel. De azulejos zorgen ervoor dat het paleis uniek is in vormgeving. In de tuinen bloeide nog de heerlijk geurende jasmijn.

In Sevilla zie je veel paardenkoetsen. Deze staan vooral opgesteld bij de kathedraal en in het Maria Luisapark. Een stadsrondrit per koets duurt een half uur tot drie kwartier. Hoewel het een erg toeristisch rondritje is die relatief duur is,(45 euro) zijn er voldoende toeristen die er gebruik van maken, maar wij hebben het gedaan met onze benenwagen en tweewieler.
Sevilla is een stad waar je op de meeste plekken uitstekend kunt fietsen. Op veel plekken zie je brede fietspaden, die meestal geasfalteerd zijn. In totaal telt Sevilla ruim 120 kilometer aan verharde fietspaden.
Kathedraal/Giralda
In Sevilla staat de grootste kathedraal van Spanje: Catedral de Santa María de la Sede. De kathedraal is gebouwd in de vorm van een vijfbeukige kruiskerk met kapellen en is van binnen 127 meter lang, 83 meter breed en 43 meter hoog. Daarmee is het na de Sint-Pietersbasiliek in Rome en de St Paul's Cathedral in Londen het grootste kerkgebouw van Europa en tevens het grootste gotische kerkgebouw ter wereld.. Het gebedshuis staat vooral bekend onder de simpele benaming ‘Kathedraal van Sevilla’. Oorspronkelijk stond op die plek een moskee, maar nadat de Moren uit de stad wren verjaagd besloot het stadsbestuur om op die plek een kerk te bouwen. Het besluit van 6 maart 1401 werd op schrift gesteld, waarbij werd opgemerkt: “Laten we zo’n grote kerk bouwen dat onze nakomelingen zullen zeggen dat onze bouwmeestersgek waren.” De gotische kathedraal werd daarop gebouwd tussen 1402 en 1506.

Imposante zuilen tot 50 m hoog scheiden de vijf schepen van elkaar. Indrukwekkend is vooral het centraal geplaatste koor, dat door middel van hekken afgesloten is. Ook bevindt zich hier het grootse retabel van de wereld. Met het retabel werd in 1481 begonnen door de Vlaamse houtsnijder Peter Dancart en na zijn dood voltooid in 1526; later in de zestiende eeuw werd het nog uitgebreid. In het midden bevindt zich het dertiende-eeuwse beeld van de Virgin de la Sede.

In de zuidelijke dwarsbeuk, bij de Puerta de San Cristóbal, bevindt zich het praalgraf van Christoffel Columbus door Arturo Mélida, dat in 1892 in de kathedraal van Havana gebouwd werd, en na de onafhankelijkheidsverklaring van Cuba in 1898 hiernaartoe werd overgebracht. In het midden bevindt zich het dertiende-eeuwse beeld van de Virgin de la Sede. Van de oorspronkelijke moskee bleven enkele onderdelen grotendeels gespaard, met name de voorhof (Patio de los naranjos ofwel Sinaasappelhof) met de fraai bewerkte Puerta del Perdón, en de minaret (de tegenwoordige Giralda)

Deze sinaasappelbomen staan overigens door heel de stad verspreid. Je ziet ze vooral veel op de pleinen in het centrum. Op sommige momenten lijkt het wel alsof je op een sinaasappelplantage terecht gekomen bent Wie denkt aan gratis sinaasappels eten die moeten we teleurstellen. De sinaasappelsoort die in Sevilla groeit is vernoemd naar de stad (Sevillasinaasappel). De Latijnse benaming is Citrus Aurantium. De sinaasappels die we thuis eten is de Citrus Sinensis. Deze is een stuk zoeter dan wat er in Sevilla in de bomen hangt. De sinaasappels in Sevilla hebben een bittere schil en zure pulp. Hierdoor zijn ze niet geschikt om zo op te eten, maar kunnen ze wel op verschillende manieren verwerkt worden tot allerlei producten. Zo kun je er een prima marmelade van maken, maar is de Sevillasinaasappel ook geschikt als basis voor likeuren en compotes.
De klokkentoren Giralda is ouder dan de kathedraal. Deze toren is tussen 1184 en 1195 gebouwd in opdracht van de Almohaden en was oorspronkelijk de minaret van de voormalige Moorse moskee, Hij is 104,5 meter hoog en het waarmerk van de stad. Destijds was het de hoogste minaret ter wereld. In plaats van trappen is er een hellende gang die naar de top voert en die per paard bereden kon worden. De toren verloor zijn oorspronkelijke bekroning bij een aardbeving in 1356. De huidige bekroning in renaissancestijl dateert uit 1558-1568 en werd ontworpen door Hernán Ruiz de Jonge. Boven op de toren staat een vier meter hoog bronzen beeld dat het Geloof voorstelt, bijgenaamd de Giraldillo. Het draait mee met de wind en heeft de toren zijn bijnaam gegeven (Giralda = windvaan). In de 16e eeuw werd de toren verhoogd tot de huidige 104,5 meter. Terwijl Roland (die zich niet graag op zulke grote hoogtes begeeft) beneden een bank opzocht ben ik naar boven gelopen in gezelschap van een groep Nederlandse scholieren. Boven aangekomen zie je de klokken hangen en kijk je uit over de stad. De weg terug ging gelukkig een stuk sneller. Wil je alles bekijken dan trek er maar gerust een paar uur voor uit.
Barrio de Santa Cruz
In de oude wijk Barrio de Santa Cruz vind je heerlijke tapasbars, sfeervolle patio’s, leuke winkeltjes, smalle straatjes en pleinen waar de tijd lijkt stilgestaan te hebben. Van oorsprong is Barrio de Santa Cruz een joodse wijk. Tijdens de middeleeuwen was dit de plek waar de joden massaal gehuisvest werden, toen Sevilla onder de macht van de moslims uitkwam. Nadat de joden in 1492 de stad uitgezet werden kwam de wijk in verval. Pas in de achttiende eeuw onderging de middeleeuwse wijk een grootschalige renovatie. Hierbij werd de voormalige synagoge omgebouwd tot de Bartolomeüs-kerk.

Barrio de Santa Cruz is eigenlijk een labyrint van smalle straatjes. Dat de straten zo smal zijn heeft een praktische reden. Het zorgt ervoor dat de zon amper de straatstenen kan bereiken. In de hete zomers is dit niet onbelangrijk om de leefbaarheid te waarborgen. Menigmaal hebben we ons tegen de muur aan moeten drukken als er weer een auto door zo’n smal straatje kwam.
Metropol Parasol

Het vroegere 19e eeuwse marktplein was sinds 1972 een troosteloze parkeerplaats. Toen men hier romeinse resten werden ontdekt veranderde het plan in een gewaagd parasolproject (van de Duitser Jürgen Mayer) Beneden kun je de Romeinse overblijfselen bezichtigen en via een roltrap ga je naar het parasoldak met een panoramisch wandelpad en een terras op 21 m hoogte. Vijf paddenstoelen vormen een opengewerkt plafond van gecoat hout. Het is een prachtig gezicht.
Plaza de España
Het halvemaanvormige Plaza de España is een van de bekendste pleinen van Sevilla. Ter ere van de Ibero-Amerikaanse tentoonstelling van 1929 werden er diverse gebouwen opgetrokken in het Maria-Luisapark, waaronder dit ontwerp van Aníbal González Álvarez.

Het plein heeft de vorm van een enorme halve cirkel die volledig wordt omringd door gebouwen. Het merendeel van deze gebouwen wordt vandaag de dag gebruikt door de overheid. Geheel onderaan deze gebouwen bevinden zich 52 tegelmozaïeken, fresco's waarop alle Spaanse provincies zijn afgebeeld in azulejo's (typische Andalusische tegeltjes). Midden op het plein staat een fontein en het middenplein wordt door vijf bruggetjes verbonden met de zijkant. Het fungeerde al diverse malen in films zoals o.a Lawrence of Arabia, Naboo in de film Star Wars e.a. Ook het omliggende park is zeer de moeite waard.
Mercado de Triana
Mercado de Triana is een overdekte markt in de volkswijk Triana in Sevilla. De markt is gevestigd in de overblijfselen van Castillo de San Jorge. Het is een voedselmarkt, waar je verse ingrediënten, delicatessen en kant en klare producten kunt kopen maar ook lekkere tapas kunt eten.

Tussen kraampje 11 en 12 zit ook het kleinste flamenco theater van Spanje. Er kunnen 28 mensen in het zaaltje en 3 keer per dag is er een show van een uur. Overigens kom je door de hele stad muzikanten tegen en proef je de gezellige sfeer.

Dit is een kleine opsomming van wat we hebben gezien in Sevilla. Wij hebben met volle teugen genoten van deze bruisende, levendige stad.
Dan kraakt mijn land, mijn vlakke land (Jacques Brel)
Vanaf Óbidos gingen we oostwaarts richting Spanje. Omdat Portugal ongeveer 250 km breed is - en wij die afstand iets te groot vinden om in één ruk af te leggen -kozen we er voor om halverwege, in Coruche, te overnachten. We stonden daar op een camperplaats met allle voorzieningen op een groot feestterrein dat éénmaal per maand als marktterrein dienst doet. Het plaatsje is kunstzinnig want overal loop je tegen huis-tuin-en keuken kunst aan; bij aankomst zagen we langs de weg grote visnetten met daarin gehandwerkte vissen en later, op onze verkennende wandeling langs de rand van het dorpje zagen we in het park nog veel meer nijvere kunstuitingen.

Het grootste deel van landschap tussen Óbidos en Coruche is heuvelachtig en de bevolking bestaat er vooral van de wijngaarden; de streek is daardoor betrekkelijk rijk. Landschappellijk gezien bestaat Portugal grofweg uit twee delen: het gebied boven de Taag (die in Lissabon in de Atlantische Oceaan stroomt) is geaccidenteerd door heuvels en bergen. Het gebied ten zuiden van de Taag is betrekkelijk vlak en alleen in de Algarve komen dan nog heuvels voor. In Santarémreden we de Taag over en gingen wij in de richting van Coruche de regio Alentejo in waarvan de naam een verbastering is van "além do Tejo" hetgeen "over de Taag" betekent. Alentejo wordt de "broodmand" van Portugal genoemd, het is een gebied met open land met golvende velden en vruchtbare grond. Er zijn enkele steden en erg veel heel kleine dorpjes. Wij kwamen door dorpjes waar de armoede van af straalde; onderkomens met golfplaten daken (en dat met deze temperaturen) waaraan je aan de tv-antenne en de was buiten aan de waslijn kon zien dat het bewoond was. Het landschap was minder afwisselend dan we tot dan toe gewend waren: enorme stukken landbouwgrond waarop kurkeiken en steeneiken groeien en waaronder af en toe een kudde koeien in de schaduw lagen te herkauwen. Sinds Portugal lid is van de EU (1986) is de teelt van tarwe sterk afgenomen en vervangen door wijnbouw, welke activiteit winstgevender is; deze overgang zagen we op een aantal plekken. Daarnaast kom je af en toe een marmergroeve tegen; er wordt in Alentejo wit, grijs, zwart en roze marmer gevonden.

Badajoz
Wij kwamen 5 oktober aan het begin van de middag op de camperplaats in Badajoz (Spanje) aan. We stonden bijna tegen de Puente de Palmas aan, een 19e eeuwse brug over de rivier de Guadiana van bijna 1km lang. Met bijna 145 duizend inwoners is de hoofdzakelijk agrarische Spaanse stad Badajoz de grootste van de regio Extremadura.

Het stempel dat de Moren in de Middeleeuwen op de stad drukten, werd door Alfons IX bij de herovering in 1229 grotendeels gewist. De stad heeft ook in de daarop volgende eeuwen een zware tol betaald voor haar strategische ligging op de grens met Portugal. Twee historische veldslagen tijdens de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1808-1814) decimeerden het culturele erfgoed. Wat er uit die tijd is overgebleven, hebben we in niet geringe mate te danken aan Prins Willem II van Oranje. Vechtend aan de kant van de Engelsen tegen de Franse overheersing van Spanje, voorkwam hij met gevaar voor eigen leven verdere plundering en verwoesting van de stad.

Met behulp van Europees geld van de EU vinden er nu grootscheepse restauraties plaats, maar ze hebben nog wel decennia te gaan vooraleer de stad zijn oude luister in ere zal hebben hersteld. Op dit moment kent de stad met name drie bezienswaardigheden: La Alcazaba, Plaza Alta en de kathedraal San Juan Bautista. Om met die laatste te beginnen: hij was gesloten en dus konden we er niet in! Het fort Alcazaba is gebouwd in de 9e eeuw als centraal punt om de Portugees/Spaanse grens te bewaken. In de 12e eeuw is het grondig verbouwd door de Moor kalief Abu Yaqub Yusuf. Het totale fort werd door hem uitgebreid tot zijn huidige ruim 7 ha en is daarmee het grootste fort in Spanje. Het werd onneembaar geacht door zijn liging tussen twee rivieren (Guadiana en Rivillas) boven op een heuvel. Veel van het in 1229 vernietigde fort moet nog worden gerestaureerd en in de delen die inmiddels klaar zijn heeft de Universiteit van Extramadura er haar onderdak gevonden.

Aan de voet van Alcazaba ligt het Plaza Alta, een groot plein dat zijn oorsprong vond in de eerste eeuw. Het is in 1681 grondig op de schop genomen en herschapen in Moorse stijl.

Valverde del Camino
Omdat de temperatuur nogal opliep en vooral 's nachts niet onder de 25 gr. zakte, besloten we om Badajoz na één dag en een nacht voor gezien te houden en verder te trekken naar Valverde del Camino, een plaatsje dat in de heuvels van Andalusië ligt en waar het 's nachts dus aanmerkelijk koeler is. Daartoe moesten we wel ruim 180 km door de woestenij van Extramadura rijden, een landschap dat ik niemand zou aanraden om er zijn vakantie door te brengen. De streek is wel heel geliefd onder ooievaars, want naast enkele vliegende exemplaren kwamen we ook veel nesten tegen; soms zelfs vier nesten op één stroomplaal, een soort ooievaarsflat. Janny zag daarnaast een marter in de berm wegschieten.

Halverwege de middag kwamen we in Valverde del Camino aan en we vonden een schaduwrijk plekje op de camperstandplaats. Na een redelijk goede nachtrust zijn we 's morgens vroeg het dorpje in getrokken. Het is een typisch klein dorpje, maar wel met veel middenstand: in korte tijd passeerden we een supermarkt, 3 slagers, 2 winkeltjes met gerede en ongerede goederen (een Thei Spek winkeltje zeggen we daar tegen in Venray), 2 tabakswinkeltjes en talloze uitspanningen waar je koffie en andere drank kunt krijgen. En verscholen achter de bebouwing lag een arena (of die nog als zodanig in gebruik was konden niet waarnemen).

Vlakbij de parochiale kerk Nuestra Señora del Reposo was het een drukte van belang; er had net een doop plaatsgevonden en de dopeling werd op handen de kerk uitgedragen. Net toen wij de kerk binnen wilden gaan kwam er een rouw-auto aanrijden en werd er een kist uitgeladen: een uitvaartdienst stond op het punt om te beginnen. Binnen één minuut trok aan ons het kerkelijk begin en einde van het leven voorbij. Wij wilden graag de kerk bezoeken, maar waren ook wel benieuwd hoe een uitvaartdienst zou zijn, dus besloten we achter in de kerk plaats te nemen en binnen een half uur was de mis tot onze verbazing uit. Geen gezangen, geen rituelen, geen misdienaars, het deed erg onpersoonlijk aan.

De kerk is echt bijzonder; met de bouw is begonnen in de tweede helft van de 16e eeuw en is begin 17e eeuw voltooid. Het heeft een prachtig hoofdaltaar, waar Onze Lieve Vrouw van Rust een prominente plek heeft gekregen. Na een bezoek aan een terras en de supermarkt hebben we de rest van de dag rustig in de schaduw gezeten bij een temperatuur van 30 gr. en een lekker windje; we moesten wel lijdzaam toezien hoe achter ons een Spaanse bruiloft werd gevierd.
Sinds we in Zuid-Spanje zijn valt ons op dat de mensen 's morgens vroeg en 's avonds laat actief zijn. Vanaf 19.00 uur komt er leven in de brouwerij en tot ver na 22.00 spelen er nog kleine kinderen buiten; vanaf een uur of één 's middags is het echter doodstil op straat. En wat echt opvalt: witte spanjaarden. Een aantal van hen blijft kennelijk altijd uit de zon; ook vandaag hebben we weer een paar melkflesbenen gespot!
Onze volgende stop is Sevilla, iets meer dan 80 km hier vandaan.
De laatste dagen bijzonder Portugal
Nazare
Het strand van Nazaré, met zijn milde klimaat en natuurlijke schoonheid, bewaart een van de oudste vissertradities van Portugal. Het lange sikkelvormige strand met wit zand waar de stad aan zee grenst, is bekend om zijn grootsheid en om de bontgekleurde strandtenten die een contrast vormen met het blauwe water. Dit is het Portugese strand met de kleurrijkste visserstradities. Hier zie je vissersvrouwen die nog geheel volgens traditie gekleed gaan in zeven rokken.

Als je naar de zee kijkt, zie je aan de rechterkant een indrukwekkende kaap. Dit is Sítio, een 318 meter hoge rots die steil oprijst uit de zee. Hier heb je een van de mooiste uitzichten van de Portugese kust. (De moedigsten onder ons kunnen deze te voet beklimmen, maar je kunt ook met de kabeltrein naar boven aldus de toeristisch informatie)



In Sítio kunt u ook het heiligdom Santuário de Nossa Senhora da Nazaré bezoeken.

Wij hebben twee dagen op een bijna geheel lege camping gestaan in Nazaré; van de meer dan 100 plaatsen waren er maar 9 bezet. Je merkt aan alles dat het toeristenseizoen afgelopen is, al staan de camperstandplaatsen elke avond vol.
Obidos.
Het middeleeuwse stadje Óbidos is een van de meest pittoreske en best bewaarde vestigingsstadjes van Portugal. Óbidos ligt voldoende dicht bij de hoofdstad, boven op een berg vlak bij de Atlantische kust en was ooit van strategisch belang voor de verdediging van het grondgebied. Het werd al bevolkt voordat de Romeinen het Iberisch Schiereiland innamen en kende een nog grotere bloei vanaf het moment dat het werd uitgekozen door de koninklijke familie. Toen koning D. Dinis het stadje in de 13e eeuw aan zijn vrouw, D. Isabel, schonk werd Óbidos de stad van de koninginnen van Portugal, die verschillende dynastieën lang het stadje hebben verfraaid en verrijkt. Dit is ook een van de belangrijkste redenen waarom er zoveel kerken in dit kleine stadje zijn te vinden.

Binnen de stadsmuren bevindt zich een goed bewaard kasteel tussen een labyrint van smalle straatjes en charmante witte huisjes met kleine winkeltjes met plaatselijke producten en souvenirs. Tussen de portieken in Manuelijnse stijl, de met bloemen versierde ramen en de kleine pleintjes, vind je verschillende bezienswaardigheden, goede voorbeelden van de religieuze en civiele architectuur uit de gouden tijden van het stadje. Een andere attractie is de beroemde kersenlikeur, de “Ginjinha de Óbidos”. Je kunt dit drankje op verschillende plaatsen proeven, bij voorkeur in een bekertje van chocolade; wij hebben dit toch maar overgeslagen.

Heel het jaar rond vinden er evenementen plaats die dit kleine stadje opvrolijken. De meest bekende zijn ongetwijfeld het Festival Internacional do Chocolate (chocoladefestival), de Mercado Medieval (middeleeuwse markt) en de Kerstmarkt, waarbij het stadje wordt omgetoverd in een grote kerststal. Andere belangrijke evenementen zijn de Temporada de Música Clássica Barroca (barokmuziek), de Temporada de Cravo (klavecimbel) en het “Festival de Ópera” (operafestival) die een speciale sfeer aan Óbidos geven. Er zijn in de warme zomermaanden ook allerlei openluchtspektakels. Wij hebben een paar "straat"muzikanten gezien: gitaristen die ons vermaakten met ballades. Ondanks dat er elke dag busladingen met toeristen dit stadje bezoeken heerst er een gezellige sfeer.

Obidos is ook 's avonds een heel romantisch en sfeervol stadje als de grootste drukte weg is.


Morgen rijden we terug richting Spanje. De overige foto's staan in Album 2017-8 op Flickr.
Van Kurk tot Kaars

In Monsanto en omgeving zagen we veel kurkbomen staan, Als ze van hun bast ontdaan zijn, zie je oranje/rode stammen, later groeit hier weer gewoon nieuwe bast op. Je ziet dan ook overal veel produkten liggen van kurk o.a stropdassen, waaiers, petten, tassen, portemonnee’s etc.
Omdat het een warme dag zou gaan worden besloten we om wat meer kilometers te rijden dan we normaal doen. Achteraf gezien een goede beslissing want we hebben heel veel door gebieden gereden die in brand hebben gestaan, dus dat nodigt niet echt uit om te stoppen. Rond de middag arriveerden we in de stad Coimbra. En heel toevallig troffen we daar weer een stel Nederlanders die in Viseu ook naast ons stonden. Hoe klein is de wereld. Van hen kregen we toen de tip om te gaan eten tijdens onze fietstocht, dus we hebben ons verhaal over die “heerlijke”maaltijd toch maar even verteld.
Al in de Romeinse periode was er sprake van bewoning in en rond Coimbra, dat is gelegen aan de oevers van de rivier de Mondego. In de late middeleeuwen was Coimbra gedurende meer dan een eeuw de hoofdstad van Portugal. De universiteit werd gesticht in 1290, maar bevindt zich pas sinds 1537 permanent in de stad. Op de plaats van het huidige Coimbra stichtten de Romeinen een nederzetting met de naam Aeminium. Uit de Romeinse periode resten nog een aquaduct en een cryptoporticus, dat ooit het fundament van een forum vormde. Toen de nabijgelegen nederzetting Coímbriga in de vijfde eeuw door de Sueben werd binnengevallen, nam Aeminium zowel de naam als de bisschopszetel over van die plaats. De Westgoten noemden de stad Emínio en verloren deze rond 711 aan de moslims van Al-Andalus. Alfons III van Asturië veroverde de stad (Kul?mriyya) in 871. De stad werd daarmee onderdeel van het Koninkrijk Asturië, en werd een graafschap onder Hermenegildo Mendes. In 987 veroverde Al-Mansur Ibn Abi Aamir de stad. Op 9 juli 1064 wist Ferdinand I van Castilië de stad, na een beleg van zes maanden, opnieuw op de moslims in te nemen. Hij benoemde de Mozarabische Sesnando Davides als bestuurder van de stad. In 1117 viel de stad kortstondig aan emir Ali ibn Yusuf. In 1139 werd Coimbra door Alfons I, Portugals eerste koning, benoemd tot hoofdstad, een positie die de stad tot 1255 zou behouden. De universiteit van Coimbra werd opgericht in 1290 in Lissabon. In 1308 werd de universiteit verplaatst naar Coimbra, om na enkele verhuizingen vanaf 1537 definitief in de stad te blijven.
De gemeente Coimbra behoort met een bevolking van 143.396 inwoners, van wie er ongeveer 100.000 binnen de eigenlijke stadsgrenzen wonen, tot de grootste gemeenten van het land. De fadomuziek van Coimbra is wereldberoemd, en in de oude stad zijn talloze fadohuizen te vinden.

Op ons gemak hebben we twee dagen door Coimbra gelopen, het was ook hier weer veel klimmen, veel kleine smalle straatjes en ja, je moet je af en toe tegen de muur aan drukken omdat er een auto door moet maar het heeft wel wat. Coimbra is één groot doolhof en de kortste weg tussen twee punten gaat via zes straten, twintig verschillende trappen en dan nog zeven haakse bochten. De bovenstad is niet alleen een doolhof, de wegen naar de bovenstad zijn ook allemaal even steil. Het hoogteverschil is amper 150 meter, maar dit gaat via steegjes van enkele honderden meters lang. Daardoor krijg je stijgingen van 20 tot 30% en waar het nog steiler is, helpen de trappen om het hoogteverschil te overbruggen. Deze heuvel is geplaveid met stenen en kasseien maar het is vooral een gezellige sfeervolle stad en overal hoor je wel de klanken van de fadomuziek.
Op het hoogste punt van de stad ligt de Universiteit en we waren dan ook al vroeg op pad om voor de grote drukte boven te zijn. De ‘Universidade de Coimbra’ staat bekend om zijn hoogstaande kwaliteit en diversiteit van kundigheid. De universiteit heeft naast de vijf campussen ook nog een enorme bibliotheek, botanische tuin, theater, musea, bioscoop en heel veel prachtige oude gebouwen. Niet voor niets is de universiteit onlangs toegevoegd op de lijst van Unesco World Heritage Site.

Bij de Universiteit aangekomen besloten wij eerst koffie te gaan drinken in het restaurant en via een glazen gang liepen we de universiteit binnen omdat de kantinejuffrouw, gevraagd naar het toilet, ons die kant op stuurde, waarna wij doorliepen de universiteit binnen. Toeristen en studenten lopen door elkaar heen en wij liepen tegen de stroom in. Nadat een suppoost ons zei dat we de andere kant op moesten lopen (maar daar hadden we alles al gezien) bleek dat wij aan de verkeerde kant binnen gekomen waren. Illegaal dus, want toen we bijna aan het begin waren zagen we dat er toegangskaartjes gecontroleerd werden en die hadden wij dus niet, dan moet je snel improviseren dus toen er weer een groep toeristen een ruimte binnenliepen liepen wij snel achterlangs de andere kant uit. Soms moet je net doen of je gek bent.

Wat ons opviel waren groepen studenten die helemaal in het zwart gekleed waren. We hebben een studente aangesproken en het blijkt dat de leden van de studentenvereniging zo gekleed gaan. (bij gelegenheden, zoals nu bij de opening van het nieuwe studiejaar) Later kwamen we nog een hele groep studenten tegen in het park waar de nieuwelingen werden ontgroend. Roland stond te filmen, ik had wat foto’s gemaakt maar dat mocht blijkbaar niet; na een gesprek met een vijfdejaars student medicijnen en een aantal vragen onzerzijds deed hij er verder niet moeilijk over.
Ook de Botanisch tuin hebben we bezocht maar ook hier laat de herfst zich al zien.
Ook zeer de moeite waard was een bezoek aan Se Velha, de best bewaarde oude Kathedraal uit de Romaanse periode. Met name het schip en het altaar zijn uniek.

Het retabel uit de late 15e eeuw is gemaakt door de Vlamingen Olivier van Gent en Johannes van Ieperen. Dit retabel staat er al meer dan 500 jaar ongeschonden. Via een doorgang kom je in het kloostergangen, opgericht in de 12e eeuw door de eerste koning van Portugal, Alfonso Henriques en tevens een van de eerste gotische bouwprojecten in Portugal uit die tijd.

Door de vele aanpassingen zijn er verschillende bouwstijlen te zien. Het is teveel om op te noemen wat we gezien hebben maar wij zijn gecharmeerd van deze mooie en bruisende studentenstad met gezellige terrassen, hartelijke mensen, mooie winkels en allure.
In de nabije omgeving bevindt zich ook Conimbriga waar al in de 18e eeuw opgravingen werden gedaan van een Romeinse stad en tot de dag van vandaag duren ze voort. Ook hier hebben we een bezoek gebracht. Overblijfselen die je hier ziet zijn grotendeels intact gebleven stadsmuren, gebouwd om een gedeelte van de stad te beschermen tegen de Barbaarse invasies van de 3e eeuw. De fundamenten van openbare baden. De ruïnes van een Romeinse villa uit de eerste helft van de 2e eeuw, extra interessant vanwege de 60 m2 vloermozaïk die bewaard is gebleven. Onvoorstelbaar als je ziet dat het steentje voor steentje ( ongeveer 0,5 bij 0,5 cm) ingelegd moest worden. In het museum zijn heel veel intact gebleven voorwerpen uit die tijd te zien. Voor ons waren het weer een paar indrukwekkende dagen.

Na een overnachting op een camper-standplaats in Condeixa-a-Velha is onze volgende bestemming Fatima.
Voor het eerst sinds we onderweg zijn hebben we deze morgen de wekker gezet omdat we op tijd in Fatima wilden zijn i.v.m een camperplaats dus om 8.15 zijn we vertrokken. Tegenover onze standplaats werd al volop een grote markt opgebouwd dus waren wij weg voor de grote drukte. Nadat we een minuut of 10 onderweg waren zag Roland dat de zijklep van de bagageruimte open was. Meteen gestopt maar ons kleine tafeltje en de kookplank zijn we dus onderweg verloren en we kunnen alleen maar hopen dat niemand daar enige hinder van heeft ondervonden. Zonder verdere kleerscheuren arriveerden we tegen 10 uur in de bedevaartsplaats Fatima.
Fátima is een plaats in Centraal-Portugal in de gemeente Ourém, ten noordoosten van de hoofdstad Lissabon en is vernoemd naar een Moorse prinses. Met Onze-Lieve-Vrouw van Fátima wordt Maria aangeduid die tussen mei en oktober 1917 zes keer verschenen zou zijn aan de drie herderskinderen (Zuster) Lucia, Francisco en Jacinta nabij het Portugese stadje Fátima.
Twee van de drie herderskinderen, de broer en zus Francisco Marto (1908-1919) en Jacinta Marto (1910-1920), werden het slachtoffer van de Spaanse griep. Paus Johannes Paulus II verklaarde hen in 2000 zalig. Het derde herderskind, hun nichtje Lucia dos Santos (1907-2005), trad in 1925 in in een Spaans Karmelietessenklooster. Zij schreef zelf haar herinneringen aan de verschijningen op. Lucia stierf op 13 februari 2005 en werd in mei 2017 door Paus Franciscus heilig verklaard.

Op ons dooie gemak hebben wij alles bekeken, en ’s avonds (21.00) zijn we naar de mis geweest. Deze was in het duits maar erg slecht te verstaan, mede ook omdat andere pelgrims tijdens de dienst een bezoek brachten aan de graven van de herderskinderen die voorin in de Basiliek (een ontwerp van de Nederlandse architect Gerardus van Kriecken) aan de linker en rechterkant begraven liggen. Soms hardop biddend en voor het altaar langs lopend van rechts naar links.

Toen we uit de dienst kwamen begon op het grote plein (welk groter is dan het plein van de St. Pieter) de Pontificale mis in het portugees voorgegaan door een kardinaal en tevens de lichtprocessie. De basiliek en omgeving waren inmiddels in nevelen gehuld en na 15 minuten besloten we terug te gaan naar de camper die achter de Basiliek stond omdat het erg vochtig was buiten.

Morgen gaan we naar een camping in Nazaré want het is weer tijd voor de was. De overige foto's staan op Flickr in het album 2017-8.