Het Dak van Portugal
Nationaal Park Serra da Estrela


De volgende dag waren we al vroeg op pad voor een wandeling van zo'n 10 kilometer; dat lijkt niet zo veel maar in totaal zaten er wel zo'n 1000 hoogtemeters in. Het was eigenlijk constant klimmen en dalen en dus hadden we vaak prachtige vergezichten. Onderweg konden we rusten bij een oude kapel met waterfonteintje en even verderop zagen we een wat ouder lijkend vrouwtje (leeftijd kun je hier moeilijk inschatten vanwege de ouderlijke kleding en de zon getaande huid) de was doen in een middeleeuwse wasplaats midden in een dorpje.

We sloten af met een kop cappuccino in een lokale herberg en tot slot liepen we ook nog tegen een vervallen klooster aan.
De laatste dag was een autoritje van 90 km door het nationaal park. We klommen van 600 meter hoogte naar uiteindelijk 1990 meter, de top van de berg Torre, op het vasteland van Portugal de hoogste berg en daarmee het dak van Portugal vormend. Net daarvoor kom je door het hoogste dorp van Portugal: Sabugueiro. De hoofdstraat van dit dorpje is volledig geënt op de (winter)toerist en je vindt er dan ook volop toeristische winkeltjes en talloze restaurants en dergelijke. Wij zijn er vlot door heen gereden; stoppen doen we liever op plekken die ons juist aantrekkelijk lijken.


Naast de natuurlijke beeldhouwwerken kwamen we ook een meer dan levensgroot Mariabeeld tegen, uitgehakt in de granieten bergwand. Een prachtig gezicht en het werd nog goed onderhouden ook want er lagen bloemen bij en er stonden kaarsen. Boven op Torre hebben we wat gedronken; bij helder weer schijn je hier zelfs de atlantische oceaan, zo'n 150 km verderop, te kunnen zien, maar dat geluk hadden wij niet. Door de warmte was het een beetje heiïg, zodat het zicht maar maximaal 25 km bedroeg. In het winkeltje daar boven (ja, ja, aan de toerist wordt gedacht!) hebben we een paar aandenken gekocht, waaronder die beroemde, befaamde Queijo de Serra da Estrela; de verkoper liet hem ons eerst proeven en hij smaakt heerlijk kunnen we zeggen.
Na de berg Torre reden we nog een tijdje over de hoogvlakte, maar uiteindelijk gingen we dan toch met een hellingspercentage van 10% naar beneden. Eenmaal beneden ging de tocht verder het dal in en gedurende 20 km werd de weg smaller en slechter en de dorpjes kleiner en meer vervallen. Wij gingen naar Benguenca naar een camperplaats met alle voorzieningen (zelfs douche en toilet is aanwezig en schoon) en vroegen ons gaandeweg af of we daar niet alleen zouden staan. Maar nee hoor, in 'the middle of nowhere' brengen we tesamen met 2 portugese, 2 franse en 4 engelse campers hier de nacht door. 's Avonds hebben we nog gezellig gekeuveld met een gepensioneerde Engelsman, diens Schotse vrouw en een Welshman. Zij stonden hier al een paar maanden, voerden de vissen in het riviertje als tijdverdrijf en waren aan het wachten op de komst van de waterschildpadden, die hier elke avond langs kwamen. Terug naar het Grote Britse eiland hoefde van hen niet meer; normaal gingen ze in het najaar/winter naar de Algarve maar het begint daar overvol te raken met overwinteraars en is het niet leuk meer.
Monsanto
De volgende dag, dinsdag 26 september, verlieten we onze standplaats om ongeveer 40 kilometer zuidelijker op het marktplein van Relva ons kwartier voor deze nacht te maken. Deze plek is een uitstekende uitvalsbasis voor een bezoek (te voet) aan Monsanto, een wandeling van een half uur bergop. Met de camper zelf kun je er niet komen, de straatjes daar halen met moeite een breedte van 1,95 meter.
In 1938 werd Monsanto benoemd tot "het meest portugese dorpje van Portugal". Sindsdien heeft de tijd in dit dorpje (verplicht) stil gestaan. Op het eerste gezicht lijkt de aanduiding "het meest portugese dorpje" niet te kloppen, vooral omdat hier, in Monsanto, de huizen temidden van enorme granieten rotsblokken zijn gebouwd; zozeer zelfs dat soms het dak van de kamer door zo'n rots wordt gevormd.

Monsanto lijkt tegen de bergwand aan te zijn geplakt en je hebt van hieruit prachtige vergezichten. Zoals gezegd is Monsanto in honderd jaren nauwelijks veranderd en geniet het nu de status van nationaal beschermd erfgoed, als was het een openlucht museum. Mede door deze status zal het ook de aankomende decennia niet veranderen en zal het zijn dorpse charme behouden.

Haar smalle straatjes die steil omhoog kronkelen met daar aan gelegen huizen met rode daken die tegen enorme granieten rotsen aan gevleid liggen. Soms zie je zelfs een deur half in zo'n rots uitgehouwen en lijkt ook de rest van het huis uit rotsblokken te bestaan. En hoewel het bergdorpje een beetje on-orthodox lijkt, zie je hier toch dat de portugese architectuur, weliswaar met een flinke draai, de boventoon voert. Je vindt er af en toe zelfs herenhuizen naast een piepklein woninkje.

Gaandeweg, al wandelend over de straatjes met keien als plaveisel, wordt het je duidelijk: dit is inderdaad Portugal in micro-formaat. Maar wat overal in het dorp de boventoon voert, of je nu voor een woonhuis staat of voor een kapel: die perfecte synergie tussen menselijk vernuft in het bouwen en het natuurlijk ongemak van bijna ondoordringbaar graniet. Monsanto is inderdaad het meest (vreemde), maar zeer bijzondere portugese dorpje.
We hebben er ruim twee uren door heen gewandeld en kunnen vast stellen dat er goud-eerlijke mensen wonen. In de plaatselijke kroeg hebben we wat gedronken en omdat de kroeg geen wc had (die was er wel in het straatje terug) zijn we een klein stukje terug gelopen. Na de kleine boodschap weer verder omhoog en dat ging wat makkelijker; we hadden minder gewicht bij ons. De filmcamera!!! Die had ik in de kroeg laten liggen. Snel terug en de barkeepster lachte me al tegemoet: Wat kom je doen?, vroeg ze met pretoogjes nadat ze al had gezien dat ik de tafel waar we gezeten hadden nauwkeurig had geinspecteerd maar geen filmcamera zag liggen. Ze graaide onder de bar en haalde daar triomfantelijk onze filmcamera te voorschijn. Obrigado!

Even verderop verkocht een vrouwtje, gezeten op een stoepje, zelf gemaakte poppetjes: als ondersteuning hebben we er maar één gekocht. Daar was ze zeer verguld mee en als dank mochten we haar op de foto zetten. Aan de mensen die hier wonen kun je zien dat het leven hard is en dat ze het niet gemakkelijk hebben. Wat zijn wij dan gezegend vergeleken met hen.
Vanaf morgen keren we terug naar het rijkere Portugal, het westen, en gaan we richting Coimbra, Nazaré en Fatima en beginnen we aan week 8 van onze toer. De rest van de foto's staan op Flickr in het album 2017-7.
Fietsen over het spoor
Via de Trás-os-Montes ging onze route vanuit Bragança weer over grote hoogtes met prachtige uitzichten. Onderweg zagen we veel olijfboomgaarden, wijngaarden, amandel- en kastanjebomen staan. Heel grappig zijn sommige verkeersborden hier. Zo zagen we telkens als we een klein bergdorpje inreden onderstaand verkeersbord.

Hoog op een heuvel, uitkijkend over een klein stadje Torre de Moncovo was een prachtige camperplaats met gratis voorzieningen incl. douche en toilet. Stonden we de dag ervoor in Bragança naast een Nederlands echtpaar, ook hier werden we weer buren. Wij hebben deze dag geen dingen ondernomen maar heerlijk onder een grote olijfboom zitten genieten van het uitzicht en een leesboek.

De volgende dag stond de zon al weer vroeg aan de hemel en via de toeristische route waar het onderweg weer genieten was van de mooie natuur gingen we richting Almeida. Onderweg zagen we herders met hun schapen, roofvogels en hardwerkende mensen op het land. Het leven moet niet gemakkelijk zijn in deze bergdorpjes.

Almeida wordt door veel toeristen bezocht vanwege zijn gordel van bastions met in het midden een dorp omringd door een versterkte omwalling. Door verwerving van rechten in 1296, verleend door koning Dinis, werd Almeida bij Portugal ingelijfd. Langs de oostzijde ligt de Spaanse grens. Meteen dé reden om dáár een verdedigingslinie op te trekken tegenover de ‘lastige’ Spaanse buren.
Noordelijk liggen de uitlopers van de Serra de Marofa. In Nederland hebben we ook nog twee vestingsteden die er op lijken: Naarden en Bourtange. Het huidige burchtcomplex is gebouwd in een stervorm met bastions zowel in de binnen als buiten de ommuring. De bouw vergde meer dan 100 jaar. Rond het fort ligt een wal van meer dan 60 meter breed en ruim 10 meter diepte. Het dorp is vrijwel ongeschonden. De witte huizen steken schril af bij de grijze ommuring en je kunt er maar op twee plaatsen naar binnen.

Op ons dooie gemak hebben we rondgelopen in het dorpje waar de mensen erg hartelijk zijn. (over het algemeen zijn alle Portugezen zeer vriendelijk en gastvrij). Curieus vonden we het oude kerkhof met vervallen graven en een grafhuisje uit 1926 waarin twee kisten stonden en een klein kistje van een kind.


De route naar Viseu was deels weer erg mooi maar wat ons vooral trof was het grote bosrijke gebied verwoest door de vlammenzee die begon op 17 juni dit jaar door blikseminslag, hittegolf en een aanwakkerende wind en waarbij 63 slachtoffers vielen en de dodelijkste brand in Portugal was sinds tijden.
Na de nodige boodschappen te hebben gedaan was het even zoeken naar de camperstandplaats in de stad maar er was nog een plekje vrij tussen twee Nederlandse campers. (en dat was dus een bekende camper)
’s Middags hebben we deze levendige stad bezocht met zijn historische binnenstad en het was weer klimmen en dalen maar onze conditie houden we zo wel op peil.

De reden van ons bezoek aan Viseu was niet de stad maar de fietsroute Ecopista do Dão. Deze Ecopista do Dão is een prachtige fietsroute door Midden-Portugal. Je fietst op een bijna vlakke, voormalige spoorlijn door een mooi, afwisselend landschap. Genietend van het uitzicht op bergen, dalen, wijnvelden, dorpjes en rivieren. Vandaag hebben we deze route samen met Jeft en Mijnie gefietst.

Van de andere Nederlanders hoorden we dat je na 18 km heerlijk kon eten. Dus wij zijn daar ook gestopt. Een ontzettende vriendelijke uitbater die ons wat “typische” gerechten bracht zoals gegrilde cantharellen, sardientjes in het zuur (de vier poezen onder de tafel hebben er heerlijk van gesmuld) olijven en brood. Wij hadden kabeljauw met salade en aardappelen besteld. De man heeft ongetwijfeld goed zijn best gedaan maar lekker was het niet. De kabeljauw wordt gezouten en dan gekookt. De salade, bestaande uit warme koolbladeren, was niet echt iets waar we van hielden en de aardappelen in schil waren ook niet je van het. De vis was niet echt warm en ging dus weer de keuken in, maar kwam helaas wel warmer, maar ook zouter terug. Ik weet niet wat die andere Nederlanders gegeten hebben maar beslist niet dit. De uitbater bood tig keer excuus aan maar het dessert hebben we maar overgeslagen, we hebben betaald ( 18.80 euro voor twee personen incl. drank ) en zijn weer vrolijk op de fiets gestapt. Lol hebben we wel gehad. En de fietstocht (40 km) was prachtig.

Morgen nemen we afscheid van onze buurtjes en gaan we allebei een andere richting op; zij naar de kust en wij naar het Nationaal Park da Sierra da Estrela waar we een paar dagen op een natuurcamping gaan staan. De aanvullende foto's komen op Flickr; we zijn al in Album 2017-7 aangekomen.
Acqui nasceu Portugal

Hier is Portugal geboren. De wieg van Portugal stond letterlijk en figuurlijk in Guimarães, want daar is de bekende Alfonso Henriques, de latere koning, geboren. Wij wilden deze stad met een overvloed aan middeleeuwse gebouwen bezoeken, maar helaas heeft die stad ook een schreeuwend tekort aan parkeerplaatsen. Zozeer zelfs, dat de portugezen hun auto vaak daar neerzetten waar het net niet meer kan; dubbel geparkeerd achter anderen of op een parkeervak dat al in gebruik is en bijgevolg half in het vak en half op de weg. Tegen dat laatste liepen (of liever gezegd, reden) wij aan, toen we van een groot parkeerterrein zonder vrij plekje af wilden rijden. Die auto stond zover op de rijbaan (een éénrichtingsweg) dat een Renault Twingo of een Austin Mini er nog wel langs kon, maar een camper van 2,15 m breed, nee hoor. En achter ons tuterende portugezen omdat wij niet door reden, terwijl de eigenaar van blokkerende auto in geen velden of wegen was te bekennen. De doorgang was zo smal mede omdat er aan de andere kant van de doorgang twee bloembakken stonden. Gelukkig konden we die wat opschuiven en zo konden we er toch nog langs. Maar ja, wij hadden door het vergeefse gezoek naar een vrije parkeerplaats inmiddels onze buik vol van Guimarães en hebben de stad dan ook verder niet meer met een bezoek vereerd; elders in Portugal zijn immers ook oude gebouwen in overvloed. Wij zijn door gereden naar Vila Real.
Vila Real
Vila Real (koninklijke stad) is een oude stad aan de samenloop van de rivieren Corgo en Cabril. De Corgo heeft een diepe ravijn uitgesleten, dat bijgevolg midden door de stad zelf loopt. Het is een eigenaardig gezicht om een brede stadslaan langs de rand van een ravijn te zien lopen met in het ravijn, tegen de steile bergwanden aan, nog woonhuizen, moestuinen en wijngaarden; en dat, terwijl je midden in de stad zelf bent!

Eigenlijk is dat meteen de enkele bezienswaardigheid van de stad en waar deze stad haar naam koninklijk vandaan haalt is ons een raadsel. De toeristengids maakt ook nog wel melding van een bijzondere straat waaraan goed bewaarde aristocratische gebouwen, met wapenschilden versierde huizen, manuelijnse ramen en traditioneel smeedijzeren balcons zouden moeten liggen en een kathedraal die een bezoekje waard zou moeten zijn; volgens ons is die gids dringend aan vervanging toe. We hebben er uiteindelijk wel twee dagen doorgebracht, want we stonden op een camping met een wasmachine en onze waszak was bij aankomst nagenoeg vol. Elke morgen werden we gewekt door luide knallen van vuurpijlen; volgens ons waren het lawinepijlen, zo hard ging het. Ze doen dit in Portugal bij elke feestelijke gelegenheid, maar wij zijn er niet achter gekomen welke gelegenheid dat deze keer was. Vervolgens ging onze reis verder door Trás-os-Montes naar Chaves.
Trás-os-Montes
Trás-os-Montes ('achter de bergen') is de meest afgelegen regio van Portugal. Een bergachtige streek in het uiterste noordoosten van het land. Het gebied wordt gedomineerd door granieten berghellingen met struikgewas. Her en der verspreid in de dalen liggen vele kleine dorpjes en de grotere steden Chaves en Bragança.
Trás-os-Montes kent koude winters en hete zomers. Tijdens die hete zomers breken vaak natuurbranden uit; op weg van Vila Real naar Chaves hebben we enkele grote stukken verbrande natuur gezien.

De Portugezen in dit gebied leven voornamelijk van de landbouw. In het meest noordelijke deel zijn de kastanjegaarden belangrijk. Meer naar het zuiden verbouwt men ook olijven, wijndruiven, amandelen en citrus. De ezel, burro mirandês, speelt hier nog een belangrijke rol als lastdier. Maar ook hier, in het nog traditionele Portugal van Trás-os-Montes, staan de ontwikkelingen niet stil. De welvaart neemt toe, en vooral in de grotere steden zie je steeds meer nieuwbouw naast de traditionele, granieten huisjes.
Chaves
Chaves is een oude stad aan de rivier de Tâmega en de gemeente telt ruim 40.000 inwoners, verdeeld over 51(!) verschillende dorpjes. De naam Chaves (letterlijk “sleutel”) is ontleend aan de ligging, een historische ‘toegangspoort’ tot Portugal, op 10 km van de Spaanse grens. Door de strategische ligging en de vruchtbare omgeving wordt de geschiedenis van Chaves gekenmerkt door veldslagen met de Romeinen, Visigoten, Moren, Fransen en Spanjaarden. Dientengevolge zijn de belangrijkste trekpleisters terug te vinden in de imposante vestingwerken en de historische monumenten van de stad. De meest duurzame historische locatie in Chaves is echter de Romeinse brug die de rivier de Tâmega overspant en die rond 100 n. Chr. werd gebouwd. Opmerkelijk genoeg is de brug nog steeds in gebruik en vervoert dagelijks het lokale verkeer over de 16 stenen bogen.

Vlakbij ligt de Middeleeuwse wijk. Een beschermd erfgoed met smalle huisjes en rustieke balkons die de straten sieren. Wij hebben er een paar uurtjes door gewandeld. Vandaag de dag ligt de aantrekkingskracht van Chaves in de beroemde thermische spa’s. De calda’s (warmwaterbronnen) zijn al beroemd sinds de Romeinse tijd en er worden genezende eigenschappen aan toegeschreven. Het thermische water (73 graden) is een zeldzaam geologisch verschijnsel omdat er geen bewijs is van enige vulkanische activiteit in dit gebied. Na de recente renovatie zijn de bronnen omgebouwd tot een modern thermisch complex, met een weelderig groen park in de buurt, evenals veel populaire bars in de zomer.

Wij waren er op een zondag, tijdens het Festival de Nostra Senhora das Graças, een feest van alle beschermheiligen van de plaatselijke verenigingen. Afbeeldingen van deze beschermheiligen werden op een baar rijkelijk voorzien van bloemen meegetorst. Wij hebben het in het park vanaf een terras onder het genot van een drankje kunnen volgen. Er werd een Heilige Mis in het park opgedragen en daarna volgde de processie door de stad.

Bragança
Maandag, 18 september. Wij reden over de N103 van Chaves naar Bragança over een afstand van 99 km; onze navigatie gaf aan dat we daar ruim 2 uur over zouden gaan doen. Dat lijkt veel maar achteraf klopte het wel; een zeer bochtig weggetje, veel klimmen en dalen en heel vaak door een dorpje waar de snelheid zowiezo erg beperkt wordt. Maar het was wel een schitterende rit; veel afwisseling in het landschap en prachtige vergezichten.

De Portugese districtshoofdstad Bragança ligt in het uiterste noordoosten van de provincie Trás-os-Montes en telt ca. 40 duizend inwoners. Dit weinig welvarende landbouwstadje is de bakermat van het gelijknamige koningshuis dat Portugal vanaf 1640 tot de val van de monarchie in 1910 regeerde.
Het is allemaal begonnen in de 12e eeuw op de top van de Serra da Nogueira met de bouw van een kasteel. Uit die tijd dateert ook de stadsnaam. Toen de vesting in 1187 klaar was, kreeg Bragança uit handen van koning Sancho I de vrijbrief overhandigd die de stadsrechten garandeerde – in augustus 1987 vierde de stad dan ook zijn achtste eeuwfeest.
Het hoog boven de Rio Fervença gelegen ommuurde stadsdeel kreeg in de 16e eeuw op de westelijke helling van de heuvel een ‘moderne’ tegenpool – dit deel van de stad is tegenwoordig het centrum. De huidige stadsuitbreiding beweegt zich ook in westelijke richting, nu in de vorm van aarzelende hoogbouw.

Een bezoek aan Bragança wordt niet alleen gerechtvaardigd door de cidadela, het ommuurde middeleeuwse gedeelte van de stad. De Cidade Velha, de oude ommuurde bovenstad, wordt gedomineerd door het 12e-eeuwse kasteel (Castelo). Het behoort tot de best bewaard gebleven vestingen van Portugal. Gedurende het grootste deel van de 12e eeuw is er aan gebouwd. De vesting heeft één grote vierkante toren die 33 meter hoog is, de Torre de Menagem. Het geheel is opgetrokken uit reusachtige vierkante granieten blokken; merkwaardig zijn de gotische ramen in dit van oorsprong Romaanse bouwwerk.
Het stadscentrum wordt gevormd door de straten rondom de Praça da Sé, het plein waaraan de kathedraal staat; op het plein staat een 17e-eeuws kruis en het oudste stadhuis van Portugal.
Morgen trekken we verder naar het zuiden langs de grens met Spanje op weg naar de oude vestingstad Almeida.
Naar grote hoogte
Soms heb je wel eens een dag dat het allemaal net iets anders gaat dan je wilt. Voor ons begon dat bij vertrek uit Santiago de Compostella. Bij het weg rijden vanaf de camperplaats hoorde we ineens een krakend geluid. Dus terug zetten en opnieuw wegrijden, weer hetzelfde. Dan maar even uitstappen en kijken wat er loos is. Op de hoek stond een stroompaal maar die hadden we niet geraakt, wel bleek er onder de begroeiing van planten een grote brok cement te liggen.. Lekker handig dus; barst in de bumper. Voor we richting Portugal reden wilden we bij de Carrefour boodschappen doen, helaas geen parkeerplaats. Vervolgens missen we een afslag omdat de tom-tom te laat aangaf dat we rechtsaf moesten. Pas na 12 km konden we van de weg af en terug rijden. Door wegwerkzaamheden gebeurde het nog een paar keer dat we verkeerd reden. Onderweg moesten we ook nog een andere gasfles kopen en de aansluiting daarvan bleek te lekken toen we ’s avonds wilden gaan koken. Dus even een andere aangesloten. Bij het koken vloog de draaidop van de peperkorrels af en belandden de pepers in de wokpan, dus het was een “gepeperde” maaltijd.

Onze camperstandplaats was in Vila Nova de Cerveira in Portugal. Een klein sfeervol dorpje met een vesting, waar we ’s middags gewandeld hebben. ’s Morgens kon het lek van de aansluiting worden verholpen met een nieuwe koppeling die we uit voorzorg in Nederland al hadden gekocht.
De dag erna besloten we onderweg een andere route te nemen en eerst een paar dagen naar Porto te gaan. Dus even van de autoweg af om uit te zoeken hoe en waar we in Porto naar een camping konden. We kwamen in een heel klein dorpje waar de weg net zo breed was als onze camper en op een gegeven moment werden we netjes gesommeerd om terug te gaan. Dus in de achteruit de straat weer uit. Spaans benauwd kreeg ik het en Roland werd er niet warm of koud van. Via de tolweg (meestal vermijden we die omdat er dan onderweg niets te zien is) kwamen we rond de middag aan op de camping in Porto. De camping was erg sober en het sanitair op de camping was nog uit de jaren 60 maar wel schoon dus wat wil je nog meer. Op 200 meter van de camping was de zee, dus hoef je niet na te denken over wat je zult gaan doen. Ondanks dat het 25 graden was, waren er maar weinig mensen op het strand. We beginnen nu te merken dat de vakantie’s overal voorbij zijn.
Onze tweede dag zaten we al vroeg op de fiets omdat we de oude binnenstad van Porto wilden bezoeken. Het was heerlijk om zo’n 10 km langs de kust te fietsen.

Net zoals in Lissabon is ook Porto erg heuvelachtig en zie je Porto van verschillende hoogtes. De kathedraal was gesloten voor toeristen maar het was er een drukte van jewelste want de bisschop van Porto werd deze dag begraven en de bevolking kon het condeolance-register tekenen.

Zoals overal in Portugal zie je veel betegelde gevels in allerlei kleuren en ook hier hele smalle straten. Wij hebben een aantal uren door de stad gewandeld en op het einde van de middag was het heerlijk om weer terug te fietsen.

Terug op de camping nog leuke gesprekken gehad met een Nederlands echtpaar die sinds een jaar of 4 een camper hebben en van alles wilden weten. Zelf sta je er niet zo bij stil dat je op deze manier al meer dan 20 jaar op vakantie gaat maar het is altijd leuk als je andere mensen wegwijs en enthousiast kunt maken (of niet Inge en Niek? ;-)

En ’s avonds weer een wandeling naar de zee om naar de zonsondergang te kijken. Wel jammer is het dat je ’s avonds vanaf een uur of 20.00 niet meer buiten kunt zitten want als de zon onder is koelt het heel snel af en wordt het erg vochtig buiten. Maar je kunt niet alles hebben. Tot nu hebben we mooi weer gehad en is de regenjas nog maar een keer uit de kast geweest.
Vanmorgen (14 sept) hebben we Porto weer achter ons gelaten en zijn we het binnenland van Portugal ingereden. En dan MOET je volgens Portugal kenners in Braga naar de kerk “Bom Jesus de Monte” (‘Goede Jezus op de Berg’) Daarover later meer.

Braga, is een van de oudste steden van Portugal en een bruisende studentenstad. Bracara Augusta werd meer dan 2000 jaar geleden door keizer Augustus gesticht en ligt op een van de belangrijkste Romeinse verbindingswegen van het Iberische schiereiland. Later werd de stad door keizer Carcalla verheven tot hoofdstad van de Romeinse provincie Galécia, het huidige Gallicië.
Nadat we een rondwandeling door de stad hadden gemaakt hebben we de bus genomen naar de 5 km buiten het stadscentrum liggende kerk “Bom Jesus de Monte” Om deze kerk op een heuvel te bereiken beklim je eerst een lange trap , de “Via Sacra” (323 treden) uitgehakt in graniet. Langs deze moeizame escada wordt in een aantal kapellen het lijden van Jezus door levensgrote terracotta figuren uitgebeeld. De bouw van de kerk werd pas aangevat toen de trap enkele decennia later klaar was.

Dan denk je dat je er bent en zie je de kerk op de heuvel liggen met de Trap van de Vijf Zintuigen en de Trap van de Drie Deugden verder naar boven met terracotta beelden die het indrukwekkende retabel vormen langs kapellen met beeldengroepen waarin de belangrijkste scènes uit het Oude Testament zijn uitgebeeld.

Gezien het feit dat het behoorlijk warm was besloten wij om dat laatste gedeelte van de zigzaggende trappen te laten voor wat het was en even te genieten van het panoramische uitzicht over Braga voor we de 323 treden weer naar beneden liepen. Het was beslist de moeite waard. Overigens hoef je die trappen niet te lopen want je kunt ook met een kabelbaantje naar boven (lange wachttijd) maar “bikkels”als we zijn kozen wij voor de trap. (sommige pelgrims doen dit rond Pasen op hun knieën)
Nadat we weer met de bus terug naar de stad zijn gegaan moesten we nog 3 km terug lopen naar de camping dus we vonden het welletjes.
Morgen gaat het richting Vila Real.
De overige foto's saan op Flickr, albums 2017-5 en 2017-6
Zee-architectuur
Praia as Catedrais
Gisteren hadden we besloten dat we even genoeg steden met hun kathedralen, pleinen en overige oude gebouwen hadden gezien zodat we Oviedo, de hoofdstad van Asturië ter grootte van Eindhoven, maar niet hebben aangedaan hoewel dat eerst wel in de planning lag. Vanmorgen, 6 september, reden we León uit op weg naar de Spaanse Noordkust. We moesten door het Cantabrisch Gebergte dat de scheiding vormt tussen de (dorre) Spaanse Hoogvlakte enerzijds en het groene Atlantisch Spanje in het noorden anderzijds; en groen in Zuidelijk Europa kan alleen maar betekenen dat er heel regelmatig regen valt. We vertrokken met de zon vol aan de hemel, maar gaandeweg werd het meer en meer bewolkt, totdat we, schijnbaar ongemerkt, tot 1300 meter hoogte waren geklommen en we volop in de mist (lees: wolken) reden. Na een korte, maar steile afdaling met hellingpercentages tot wel 17%, kwamen we weer veilig en wel beneden aan en scheen de zon weer volop. Ondertussen waren we door een tiental slaperige bergdorpjes gereden waar meer huizen, onderkomens en onderkomen boerderijen te koop stonden dan er bewoond waren; waarschijnlijk kun je ze voor een appel en een ei verwerven, maar ik zou er nog niet begraven willen liggen. Na vervolgens een rit van ruim 100 km over de autosnelweg A8 kwamen we in Reinante in Galicië aan; hier staan we op een gedoogde camperplaats op de kliffen, nèt boven het strand, vlakbij een restaurant met uitzicht over de Atlantische Oceaan, samen met nog 14 andere campers.

Praia as Catedrais, in het dialect van Galicië, betekent het strand van de kathedralen; als bijnaam heeft het ook wel het Strand van het Heilig Water (voor de liefhebber van het Gallicisch: Praia de Augas Santas). Het is een toeristische trekpleister van jewelste: toegang voor dit Nationaal Monument kun je alleen verkrijgen door je tevoren aan te melden op site van Galicië, omdat er ter bescherming van het monument maar 4812 (hoe ze aan die extra 12 komen is mij volkomen een raadsel) per dag het strand op mogen. Het getijdeverschil is hier 4 meter hoog dus als je te laat bent met terugkeren naar de enige toe- en uitgang tussen de kliffen moet je behoorlijk goed kunnen zwemmen! Toen wij er waren was het rond het middaguur eb en bijgevolg rond 6 uur 's avonds vloed, zodat we van ongeveer 9 tot 3 het strand op konden.


Door eb en vloed, storm en wind zijn de in zee reikende rotsformatie's van zo'n 30 meter hoog danig uitgesleten en hebben sommige de vorm gekregen van de befaamde luchtbogen van de gotische kathedralen. Vandaar de naam van dit strand. Deze architectuur door de zee is prachtig om te zien. Door het enorme getijdeverschil zie je nog ver boven je hoofd op de rotsen mosselen en andere weekdieren, die daar hun plek hebben gevonden. Op de rotsen is volop leven aanwezig. We hebben even vol bewondering staan kijken naar een jong krabje dat zich een weg ploeterde over een schare jonge mosselen naar een kleine holte waar hij zich voorlopig veilig kon wanen.

Bij vloed kun je boven langs de kliffen lopen en naar het beuken van de golven tegen de rotsformaties kijken. Voor een zonsondergang moet je echter in het begin van de zomer zijn. Dan zakt de zon schijnbaar in zee; nu, in september, gaat hij eerder onder en verdwijnt hij achter de heuvels. We hebben hier drie dagen doorgebracht. De laatste dag streken er 's nachts een zestal poolse jongeren neer die hun tentjes opzetten op de parkeerplaats zelf en op het omringende gras. de volgende morgen zagen we dat ze mee gedaan hadden aan de Zlombol Charity Rally. Het doel van deze rally is om geld op te halen voor een weeshuis; ze moeten met auto's, gemaakt tijdens het communistisch regiem in een paar dagen de afgesproken route afleggen. Dit jaar ging de route van Katowice naar Baskenland, over 2500 km, en deden meer dan 500 teams mee. Vorig jaar hebben de teams gezamenlijk meer dan € 250.000 bijeengebracht.

Guitiriz
Na drie dagen aan het strand verlaten we de zee voor een paar weken en steken we het binnenland weer in. Onze volgende halteplaats, Guitiriz, is een verlopen kuuroord met warme thermen. Wij stonden op een uitstekende verzorgde camperplaats met gratis stroom en een aparte wc. Helaas begon het tijdens onze wandeling flink te regenen en dus hebben we de tijd voornamenlijk in de camper voor de tv doorgebracht. 's Avonds naar Youp van 't Hek gekeken.
Santiago de Compostela
De volgende dag reden we naar de camping As Cancelas in Santiago de Compostela; de camping ligt boven op een heuvel op 2,5 km van het oude centrum.
Santiago is een oude universiteitsstad (de universiteit behoort tot de oudste van de wereld) en het oude stadscentrum is geheel autovrij; dat kan ook niet anders want de straatjes zijn zo smal dat er nauwelijks auto's kunnen rijden. We zijn te voet naar het centrum gelopen en onderweg vielen we met onze neus in de boter: er was een processie aan de gang waarbij het Mariabeeld, gedragen door zes mannen, werd voorafgegaan door doedelzakspelers en mensen in klederdracht en die werd gevolgd door een grote schare mensen met hele grote kaarsen en tot slot een trompetterkorps. We hebben een heel stuk met de processie meegelopen; daarna moesten we terug omdat de processie voor ons eigenlijk de verkeerde kant op liep.

Als je in Spanje een kerk of kathedraal wilt bezoeken moet je dat niet op zondag doen. We waren gewaarschuwd, maar ondanks dat liepen we vandaag, zondag 10 september, toch naar de St. Jacobs kathedraal; dat hebben we geweten want buiten op het plein stond een hele rij, merendeel Spanjaarden, te wachten tot ze de kerk in konden. Helaas stond de kathedraal aan de voorkant waar alle pelgrims arriveren, ook nog ingepakt in de steigers en we kunnen ons voorstellen dat het voor menige pelgrim een teleurstelling kan zijn. Wij besloten om eerst maar even op een terras een cappuccino te pakken en daar af te wachten tot de rij een stuk geslonken zou zijn.

Een klein uurtje later konden we vrij vlot doorlopen de kathedraal in; helaas moesten we binnen in de kerk weer in de rij aansluiten als we langs het beeld van St. Jacobus wilden en dat hebben we gedaan. Vóór ons stond een belgisch stel dat de Camino had gelopen vanaf Sarria (zoals veel spanjaarden dat doen; de laatste 140 km voor een getuigschrift, compostela) en daarmee hebben we, al voortschrijdend, gezellig gekeuveld totdat we bij het beeld waren.

Toen we, na een uur, weer buiten stonden, vroeg Janny zich af waar onze paraplu was gebleven. Die moeten we wel op het terras achtergelaten hebben; vlug terug en ja hoor, de paraplu was netjes afgegeven en door de bediening veilig opgeborgen. Kortom, eerlijke mensen in Santiago!

En neen hoor, pelgrims zijn niet alleen oud, versleten en grijze bejaarden!
Na vijf uren dwalen door de stad vonden we het genoeg en zijn we met de bus terug gegaan naar de camping. Morgen steken we de grens over naar Portugal en verzetten we de klok een uur.
De overige foto's staan in album 2017-5 op Flickr.
Over de Meseta

De laatste dag in Castrojeriz zijn we ’s morgens op de fiets gestapt en hebben een rondje spaanse hoogvlakte (meseta) gefietst. Onderweg even gestopt bij de ruines van het klooster San Anton gesticht in 1146 en de Camino Santiago gaat hier onder de twee prachtige bogen door van de portico, de ingang van de voormalige kloosterkerk. In vroegere dagen voorzagen de monniken de pelgrims hier van voedsel. Een deel van dit oude klooster is omgebouwd tot een prive overnachtingsoord, een van de meest charmante op de Camino. In de kleine nissen laten pelgrims boodschappen e.d achter. Daar kwamen we ook in gesprek met een oudere Zweedse pelgrim die voor de derde en tevens de laatste keer de camino liep omdat zijn lijf niet meer wilde. Het doet wat met je zei hij. En dat geloof ik meteen want ondanks dat ik hem niet loop doet het met mij ook wat.

Verderop hebben we een koffiestop gemaakt in het plaatsje Hontanas. De uitbater had zijn vrouw (een Bulgaarse) tijdens zijn pelgrimage leren kennen en hebben nu een albergue voor pelgrims. Op het bord voor de deur staat: two pilgrims, two hearts, one love, welcome. Hele warme en enthousiaste mensen waar je vrolijk van werd. Bij de koffie kreeg je een klein opgerold papiertje met een woord erop; Roland kreeg Breath en ik kreeg : Feel. Even een gesprekje met ze aangeknoopt en ze bedankten ons voor onze warme aanwezig. Wat een bijzonder stel! Elke gast werd nagezwaaid met een vrolijke noot. Enjoy your life! Mijn dag hebben ze in elk geval gemaakt!

Op de camping werden we staande gehouden door een vrolijke Engelsman en zijn partner, hij wilde van alles weten over Nederland. Waarom reizen Nederlanders zoveel en over de hele wereld? Waarom spreken ze meerdere talen terwijl zij (de engelsen) gewoon lui zijn. Naar welke stad moeten ze gaan als ze in Nederland zijn etc etc. Fervent fan van ACDC was hij ooit een keer in Amsterdam geweest maar dat was niet voor de stad maar voor de wiet gaf hij eerlijk toe. Het zijn zulke ontmoetingen die het reizen zo leuk maken.

Na twee dagen vonden wij het tijd om weer te vertrekken en onze volgende tussenhalte was Carrion de los Condes, een klein dorpje. We hebben een wandeling gemaakt en boodschappen gedaan en ’s middags hebben we een gedeelte van de pelgrimsroute gefietst. Hetwaren 20 hele saaie kilometers over een grindweg met links en rechts eindeloze gemaaide korenvelden met af en toe een paar bomen; het enige “spectaculaire “van de fietstocht was de lekke band van Roland, maar we hebben ons niet uit het veld laten slaan maar waren blij dat we na een goede nachtrust konden vertrekken.

De weg naar de stad Léon gaf geen ander beeld behalve dan, dat het nu autoweg was. De bedoeling was om hier een paar dagen te blijven maar nadat we een stadswandeling hebben gemaakt met o.a Casa de los Botines , een neogotisch vroeg werk van de Catalaanse architect Anthoni Gaudi vinden we dat we nu wel genoeg spaans hoogland, kathedralen e.d gezien hebben voorlopig.


Morgen (6 sept) gaan we naar Praia Das Catedraïs aan de Atlantische kust. De overige foto's staan zoals gebruikelijk op Flickr (album 2017-4)
In het spoor van de pelgrims
Na een hartelijk afscheid van Annie en Lammert, die alweer een stuk opgeknapt was vertrokken we uit St.Jean Pied de Port. Slingerend met de nodige haarspeldbochten door de Pyreneeën reden we bijna ongemerkt Spanje binnen. Bij de Ibiñeta-pas zijn we even gestopt bij een kapel om te genieten van het uitzicht.

De eerst volgende stop was weer na een paar kilometer in Roncevalles, hier staat een heel groot klooster dat onderdak kan bieden aan 2000 pelgrims. We hebben daar even rond gelopen en koffie gedronken. Natuurlijk moest er even een foto gemaakt worden van Roland bij het kilometerbord naar Santiago omdat hij twee jaar geleden hier ook was tijdens zijn pelgrimage. Voor mij heel bijzonder om al die plaatsen te zien en een beetje het pelgrim gevoel te ervaren.

Menig pelgrim zijn we voorbij gereden en mijn respect voor al deze wandelaars en fietsers is alleen maar toe genomen want het is echt afzien. In Pamplona, waar Roland zijn tocht eindigde hebben we boodschappen gedaan en gegeten om vervolgens naar onze camperstandplaats te gaan in Logroño. Het is inmiddels een stuk minder warm (25 gr.) en we krijgen in de avond meestal ook een regenbui te verduren.
Logroño
We kwamen begin van de middag aan en zijn niet op de camperstandplaats gaan staan maar een paar honderd meter verder op een parkeerplaats onder de bomen; in de campergidsen wordt dat ook aangeraden en zo stonden we met ruim 10 andere campers in de schaduw. We stonden een kilometer van het centrum van de stad af. Nu is Logroño niet echt bijzonder; alleen de centrale kathedraal is een bezoekje waard. Helaas was de kerk gesloten en tot overmaat van ramp begon het ook nog te regenen zodat we maar terug zijn gegaan naar de camper.

De weg van Logroño naar Burgos over de Spaanse hoogvlakte is erg eentonig, kleine dorpjes die onbewoonbaar lijken te zijn, rode aarde, gemaaide korenvelden en het lijkt of er geen einde aan de weg komt. En veel , heel veel zwetende pelgrims die nergens in de schaduw kunnen lopen.

Santo Domingo de la Calzada in La Rioja.
Het plaatsje ligt op de pelgrimsroute, de camino, naar Santiago de Compostela waar de overblijfselen van de apostel Jacob de Meerdere begraven zouden liggen. In de kathedraal van Santo Domingo de la Calzada ligt het graf van een andere heilige, Domingo García, naar wie de plaats is genoemd. Deze vrome man legde in de elfde eeuw aldaar een verharde weg (calzada) aan. Om de pelgrims die op weg waren naar Santiago te faciliteren, construeerde hij bovendien een brug over de rivier de Oja en bouwde hij een hospitaal en een kerk. De gotische kerk met zijn barokke toren is al van ver te zien en beslist de moeite waard, even als het museum dat naast de kerk ligt.

De kerk is vooral bekend vanwege het hok waarin een levende haan en kip worden gehouden. Daar zit het volgende verhaal aan vast: In de veertiende eeuw was een echtpaar met hun 18-jarige zoon op pelgrimstocht naar Compostela. Tijdens de overnachting in Santo Domingo probeerde de dochter van de herbergier de zoon te verleiden, maar de jongen ging niet op haar avances in; hij had andere dingen aan zijn hoofd. Afgewezen en diep beledigd zon het meisje op wraak. Zij sloop de kerk binnen, haalde de kelk van het altaar en stopte dat in de knapzak van de jongen. De volgende morgen kwam de pastoor de herberg binnen en riep dat de kelk uit de kerk gestolen was. Alle bagage werd doorzocht en daarbij werd natuurlijk de kelk gevonden. De jongen werd diezelfde dag door de rechter ter dood veroordeeld en buiten de stad opgehangen. De bedroefde ouders vervolgden hun weg naar Santiago. Op de terugreis constateerden ze dat hun zoon nog levend aan de galg hing. Naar zijn zeggen was hij al die tijd door Jacobus ondersteund. De ouders gingen naar de rechter, die op dat moment net aan tafel zat. "“Uw zoon is net zo levend als de kip en de haan op mijn bord”. Meteen daarop kregen de beide vogels hun veren terug en vlogen luid kakelend van de tafel af. De rechter, overtuigd, liet de jongen losmaken en de dochter van de herbergier werd in zijn plaats opgehangen. Sindsdien hebben er steeds een levende haan en kip een plaats gekregen in de kerk.

Buitengewoon Burgos
We vervolgden onze weg om uiteindelijk plaats te nemen op de gemeentelijke camperstandplaats van Burgos met voorzieningen (water en loosplekken voor toilet en afvalwater). Deze ligt tevens tegenover een winkelcentrum met een grote supermarkt en slechts op 25 minuten loopafstand van het centrum van Burgos.

Ook al gaat jouw belangstelling niet uit naar kerken, als je in Burgos bent moet je zeker de kathedraal met een bezoek vereren. Voor 7 Euro mag je daar naar binnen en krijg je een audiofoon mee met een (Nederlandse) rondleiding. Wij hebben ruim twee uren in de kathedraal doorgebracht, van de ene in de andere verbazing vallend.

De Catedral de Santa Maria de Burgos is de op twee na grootste kathedraal van Spanje; alleen die van Sevilla en Toledo zijn groter. De bouw startte in 1221 in opdracht van Ferdinand III van Castiliëwaarna twee lange fases volgden waarbij verscheidene architecten, beeldhouwers en schilders uit verschillende landen betrokken waren. De schepen en portalen van de grotendeels gotische kathedraal werden in de 13e eeuw gebouwd; de gevelspitsen kwamen daar in de 15e eeuw bij. De kathedraal is drieschepig, heeft dwarspanden, veel kapellen en een zware vieringtoren uit de 16de eeuw. Er steken acht rijk versierde torentjes bovenuit. De monumentale westgevel heeft twee klokkentorens met opengewerkte spitsen met zaagvormig profiel.

In de kathedraal bevinden zich 13 kapellen, waarvan een paar zelfs zo groot zijn dat ze als kerk niet zouden hebben misstaan, en één daarvan is de Capilla del Condestable waarin een maarschalk (condestable) en zijn vrouw liggen begraven. Het ontwerp van deze grote kapel is van de hand van architect en beeldhouwer Simón de Colonia afkomstig uit Burgos. Een andere bekende kapel is Capilla de Santa Ana waar een imposant altaarstuk uit 1490 van de beeldhouwer Gil de Siloé(afkomstig uit Antwerpen) bekeken kan worden. Wat je ook zeker niet mag missen is het schilderij van de heilige Maria Magdalena, gemaakt door Leonarda da Vinci. Van de notenhouten stoelen van de koorbanken zijn alle motieven en houtsnijwerk verschillend en ze zijn bovendien voorzien van palmhouten inlegwerk. Tot slot vind je onder de centrale koepel het graf van El Cid en zijn vrouw.
El Cid
Rodrigo Díazde Vivar (Burgos 1040 - Valencia, 10 juli 1099) was een Spaanse ridder, beter bekend onder zijn bijnaam El Cid Campeador (Heer Kampioen) of kortweg El Cid. El Cid is Spanjes nationale held, zoiets als Michiel de Ruyter voor ons. El Cid is de edelstambetovergrootvader van onze kinderen (33 generaties terug). Over El Cid doen veel verhalen de ronde, niet altijd is duidelijk welke waar zijn en welke verzinsel, maar dat de ridder ook al bij leven een figuur was die tot de verbeelding sprak is staat vast. Zo had El Cid op een gegeven moment in zijn strijd tegen de Moren een aantal soldaten om zich heen verzameld en om die te kunnen betalen bezocht hij, met een grote kist, een prominente geldschieter. El Cid stelde zich op een buitengewoon vriendelijke manier voor en vertelde wat hij deed en hoe hij aan zijn zwaard was gekomen (dat was wijd en zijd bekend). De financier kreeg een werkelijk genereus aanbod: hij zou het benodigde geld aan El Cid mogen lenen. Als onderpand bood El Cid de kist, die volgens hem vol zat met goudgeel slijk der aarde, aan. Jammer genoeg was de kist op slot en had hij de sleutel verloren. Buitengewoon spijtig dat dit niet gecontroleerd kon worden. Maar El Cid was immers een man van eer en gaf zijn woord dat hij het geld met rente terug zou betalen. De financier slikte even, bedacht wie hij voor zich had en leende het geld. Toen El Cid weg was zette hij de kist weg en schreef het geld als verloren af. Op de afgesproken dag kwam El Cid weer op bezoek en betaalde het geld met rente terug. Nu werd het de financier te machtig. Hij wilde weten wat zich in de kist bevond. El Cid lachte en opende de kist en zei: “ziehier het goudgeel slijk der aarde: duinzand”. De kist staat nu in de kloostergang van de kathedraal.

Op het Plaza Mayor met kleurrijke gebouwen en een standbeeld van Carlos III, hebben we gelunched om daarna via de Arco de Santa Maríaterug te lopen. Deze wachttoren uit de 14e eeuw maakt deel uit de oude stadsmuur. Het emblematische Arco de Santa Maríawerd gebouwd ter ere van Carlos I, in Nederland beter bekend als keizer Karel V; de man aan wie wij de gulden te danken hebben. Je kunt als voetganger in Burgos uitstekend uit de voeten; door de nauwe straatjes in de oude stad rijdt bijna geen verkeer en langs de oude stadsmuur lopen prachtige esplanade's waar het onder de - veelal - platanen aangenaam vertoeven is. We hebben in ieder geval twee prachtige dagen in Burgos doorgebracht. En Janny is weer een waaier rijker om haar verzameling aan te vullen. (zal de laatste wel niet zijn.)
Castrojeriz
Nu staan we voor een paar dagen op de camping in Castrojeriz aan de Camino Francés om de was te doen, om te genieten van het weer (22 gr. en volop zon) en het uitzicht.

Zoals gebruikelijk staan de overige foto's op Flickr; wij zijn inmiddels met het album 2017-4 bezig.
Puffend Bolwerken
In Duras hebben we een paar dagen vooral uitgerust maar ook omdat het extreem warm was om actief bezig te zijn. (36-38 gr.) Gelukkig konden we dankzij de airco wel goed slapen.

Duras is een gemeente in het Franse departement Lot-et-Garonne (regio Nouvelle-Aquitaine) en heeft een prachtig kasteel. Dit voormalige verblijf (gebouwd tussen de 12e en 18e eeuw) van de hertogen van Duras dat de Droptvallei domineert was een onneembare bolwerkvesting in de middeleeuwen en daarna buitenverblijf tijdens het tijdperk van de Verlichting. Het is de enige bezienswaardigheid in Duras. Wij hebben het kasteel niet bezocht maar konden elke avond genieten van een lichtschouwspel in alle kleuren, maar nog mooier was elke avond de zonsondergang.

Een avond hebben we de jaarlijkse avond/nacht markt bezocht met vooral veel lokale etenswaren en handwerk kraampjes. Uiteindelijk zijn ze, waar je ook komt nagenoeg hetzelfde. Omdat zaterdag de temperatuur op zou lopen naar 39 graden zijn we al vroeg vertrokken naar de volgende camperstandplaats in Labastide-d’Armagnac, een plaatsje dat we beslist wilden bezoeken.

Deze schitterende bastide uit de 13e eeuw, genesteld in het hart van Laag-Armagnac, is een ware reis door de tijd. Het Koninklijk plein (Place Royale), midden in het dorpscentrum met zijn typische oude huizen en bogen, de versterkte klokkentoren en de geplaveide oude straten die autovrij zijn geven je het gevoel terug te zijn in een ver verleden.


Ondanks de hitte hebben we toch de fiets gepakt omdat we ook de nabij gelegen Chapelle Notre-Dame-des-Cyclistes wilden bezoeken. Gelukkig liep de fietsroute over een voormalig oude spoorbaan tussen het groen dus fietsen we grotendeels in de schaduw.

De kapel in romaanse stijl dateert van de 11de eeuw en behoorde tot een versterkt geheel van de orde van de Tempeliers. In de jaren '50 schuilde Abbé Joseph Massie er tijdens een onweer gedurende een fietstocht. Massie richtte ze in als "wielerkapel" en de kapel werd heringewijd door Paus Johannes XXIII.

Enkele bekende wielrenners lieten er hun shirt hangen. Daarnaast trouwde Luis Ocaña er in 1968 en was eveneens zijn begrafenis er in 1994. Op 9 juli 1989 vertrok een etappe van de Tour hier. Daarnaast passeerde de tour hier in de jaren 1984, 1989, 1995, 2000 en 2017.

In de kapel zijn meer dan 600 shirts aanwezig o.a van Jacques Anquetilf, Bernard Hinault, Eddy Merckx, Raymond Poulidor, André Darrigade, Louison Bobet, Roger Lapébie, Tom Simpson, Jean Stablins, Luis Ocaña en natuurlijk onze eigen Jan Raas en Steven Roche

Het is een prachtig gezicht om te zien. Toen we de kerk uit kwamen werden we aangesproken door een fransman die e.e.a wilde weten over onze fietsen. Even later vroeg hij ook nog of we Peter Winnen kenden en ja hoor zelfs die kennen we. (woonden jaren lang een straat verder dan de onze) de fransen vinden het prachtig die verhalen. Na een rondje van 20 km fietsen waren we weer terug bij de camper. Helaas konden we hier onze airco niet gebruiken omdat we geen stroomaansluiting hadden, met als gevolg dat het rond middernacht nog steeds zo’n 28-30 graden was binnen en buiten waren er van die heerlijke steekbeestjes die het op ons gemunt hadden kortom het is niet altijd feest als je op vakantie bent. Wel bijzonder was het geroep van de uilen als het donker was omdat je die thuis nooit hoort. Verder valt het op dat we tot nu toe weinig vogels e.d. hebben gezien, ook niet tijdens het fietsen door de bossen.
Aangezien het de volgende dag nog warmer zou worden besloten we om te vertrekken en rond de middag waren we op de camping in Saint- Jean –Pied- de- Port waar we een dag of drie blijven voor we het Spaanse land gaan ontdekken. Twee jaar eerder was Roland hier ook al op zijn weg naar Santiago en je ziet hier dan ook erg veel pelgrims lopen. Nadat we ons plekkie hadden gevonden begon het al vrij snel te regenen en dat was heerlijk. Het ruikt weer fris buiten.

Saint-Jean-Pied-de-Port (Donibane Garazi in het Baskisch) is de hoofdstad van Basse Navarre, 8 km van de grens in de Pyrenees-Atlantiques. Het middeleeuwse plaatsje wordt omringd door stadsmuren van roze zandsteen. Het straalt een charme uit door zijn klinkerstraatjes met oude huizen, de oude brug over de Nive, het rondepad en de straat van de Citadel die stijgt tussen de huizen uit de 16e en 17e eeuw naar de beroemde citadel gebouwd onder Richelieu, vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over het groene Baskenland.

Saint-Jean-Pied-du-Port is echter vooral bekend door de ongeveer 50.000 pelgrims die hier jaarlijks door heen wandelen of starten naar Santiago de Compostella. Het is dan ook een drukte van jewelste hier omdat er ook veel toeristen deze plaats bezoeken.

Wij besloten daarom ook vroeg in de ochtend op verkenning te gaan toen er nog geen bussen en auto’s met toeristen in het stadje waren zodat we alles op ons gemak konden bekijken.
Tegenover ons staat een ouder echtpaar (begin 80) uit Drachten met hun caravan die richting de Algarve gaan en daar twee maanden blijven. Annie en Lammert, leuke gezellige mensen mét een gezonde dosis humor. Vanmorgen kwam ze naar ons toe want Lammert was gisteravond gevallen en stond vanmorgen op met een hele dikke knie. We hebben ze gelukkig kunnen helpen met Rescue Zalf en een Coldpack. Ze waren erg blij met deze hulp.
De laatste dag hier hebben we een wandeling gemaakt en het museum van de Gevangenis van de bisschoppen met de gewelfde ondergrondse kerker bezocht. We waren net binnen toen er een flinke onweersbui los barstte met hevige regenval. Na het museum hebben we in het tegenover liggende café de bui maar verder afgewacht. Daarna was het in elk geval wat afgekoeld en konden we op de camping heerlijk relaxen. Morgen begint ons avontuur in Spanje.