Met de camper naar .....

An der schönen blauwen Donau en de Rijn

Sigmaringen was de plaats waar we zijn gestopt om o.a te fietsen langs de Donau. Vanuit de verte zie je het slot Hohenzollern al liggen en de CP plaats lag  aan de voet van het slot met uitzicht op de Donau.  Over het weer hadden we niet te klagen want de zon scheen nog steeds en met 21 graden is het heel aangenaam. ’s Middags zijn we de stad ingelopen en het heeft een gezellige sfeer in het autovrije gedeelte van de oude stad. Veel gezellige terrassen en winkels. 

Het slot ligt in de zuidelijke rand van de Schwäbische Alb. Het werd gebouwd op een langwerpige kalkstenen klif uit de Jura. De rots is 20 meter lang en steekt zo'n 35 meter boven de Donau uit. Het is het grootste slot dat langs de Donau gelegen is. Het eerste kasteel in Sigmaringen verscheen al aan het einde van de vroege middeleeuwen. Het werd voor het eerst vermeld in 1077 na de onsuccesvolle belegering van de burcht door Rudolf van Rheinfelden in zijn strijd tegen Keizer Hendrik IV. De familie Helfenstein renoveerde het kasteel in 1200. Karel II was de stichter van de Hohenzollern-Sigmaringen-lijn van de Hohenzollern-familie. Tussen 1576 en 1606 liet hij het kasteel opnieuw verbouwen. In 1623 werd de familie bevorderd van graven tot rijksvorsten van het Heilige Roomse Rijk.

Eind 1944 veranderde het Zuid-Duitse stadje Sigmaringen op bevel van Hitler in een Franse enclave. Onder dwang streek er de Vichy-regering van Pétain en Laval neer, met in haar kielzog honderden Franse collaborateurs, tot overmaat van ramp verloor Sigmaringen ook nog eens tijdelijk zijn Duitse identiteit. Op bevel van de Führer werd het in september 1944 een Franse enclave, met als douane- en politiekorps de Milice van Laval. Hitler besefte dat hij na de invasie van Normandië  Frankrijk als verloren moest beschouwen. Maar hij wilde de fictie overeind houden dat er nog steeds sprake was van een Frans landsbestuur, ook al bevond zich dat in ballingschap. Dat Pétain, Laval en hun ministers weinig of niets voelden voor Sigmaringen, speelde geen rol. Min of meer als gevangenen van de Duitsers belandden ze via Belfort in het Donaustadje, wiens bevolking behoorlijk anti-nazi en zeer sterk pro-Hohenzollern was, dus als vanzelfsprekend anti-Frans. Hals over kop moest Heinrich von Hohenzollern, de toenmalige bewoner van het slot, met zijn familie elders onderdak zoeken. Dat vond hij bij Franz Schenk von Stauffenberg in het naburige Wilflingen. Na de oorlog keerde de familie terug op het slot.

Nadat we de dag erna eerst een prachtige fietstocht langs de Donau hadden gemaakt zijn we in de namiddag het slot gaan bezichtigen onder leiding van een enthousiaste 18 jarige gids. De rode loper lag al voor ons uit en we werden dan ook vriendelijk verzocht om daar op te blijven lopen. 

Het Slot is de moeite waard om te bezoeken . . . het werk van eeuwen Hohenzollern. . . en in alle stijlen!. . . Barbarossa, renaissance, barok, stijl 1900. . .en ongetwijfeld modern daar waar de familie dagelijks woont met aan het hoofd Karl Friedrich van Hohenzollern

De blauwe salon, de groene salon, de zwarte rookkamer, de rode zaal, de voorvaderengalerij, de Portugese galerij, de Hubertusgalerij (bijna 700 geweien), de wapenhal (met de grootste particuliere wapenverzameling van Europa), de kostbare gobelins, ze zijn voor de hedendaagse bezoeker nog even fascinerend. In een van de kamers was een schildering te zien van Huize Bergh uit ’s Heerenberg.

Na de rondwandeling zijn we op een van de terrassen neergestreken voor een lekker biertje en een coupe overheerlijke yoghurtijs. 

Onze laatste vakantiestop was in Andernach aan de Rijn. Tot onze verbazing was er nog net één vrije plek op deze drukke camperplaats aan de Rijn waar ook de cruiseschepen aanmeren voor een bezoek aan deze stad. ’s Middags hebben we vanaf onze stoel in de zon zitten genieten van alle levendigheid op de Rijn. Het komen en gaan van boten met op de achtergrond het spoorwegverkeer. Duitsers zijn ook nooit te beroerd om even een praatje te komen maken.

In 1988 vierde de stad haar 2000-jarig bestaan. Daarmee behoort ze tot de oudste steden van Duitsland. Waarschijnlijk is Andernach ontstaan uit een keltische vestiging. De Romeinen hebben op die plaats later het castellum Antunnacum gesticht. De stad ligt nabij het begin van de Rechts-Rijnlandse Limes.

In 613 werd te Andernach een verdrag gesloten waarin de autonomie van Austrasië en de leidende rol van de Austrasische adel werden vastgelegd, na de aristocratische opstand onder leiding van Arnulf van Metz, Pepijn van Landen en hofmeier Warchenar van Bourgondië tegen de nieuwe minderjarige koning van Austrasië en Bourgondië, Sigebert II, en diens regentes, de koningin-overgrootmoeder Brunhilde van Austrasië.

In de vroege middeleeuwen was Andernach een vrije rijksstad, die later aan de keurvorst van Keulen kwam. Kerkelijk gezien bleef de stad onder het bewind van de bisschop en keurvorst van Trier. Onder Napoleon was de stad van 1794 tot 1815 een deel van Frankrijk. Bij het Congres van Wenen werd Andernach toegewezen aan Pruisen, en werd het ingedeeld bij de provincie Rijn (Rheinprovinz).

In 1955 heeft Konrad Adenauer de eerste Bundeswehrcompagnie van het jonge Duitsland na de Tweede Wereldoorlog opgericht in Andernach.

Bij het opstaan was de lucht grijs en nevelig en er stond een stevige wind. Wat later begon het te regenen dus onze geplande fietstocht langs de Rijn ging de ijskast in. We hebben ons vermaakt met het kijken naar een film en toen het nademiddag droog werd zijn we de stad ingewandeld.

Tot de bezienswaardigheden van Andernach behoren de volgende bouwwerken. De ronde toren of Wehrturm uit ±1440 als blikvanger van de stad, de Maria Hemelvaartbasikiek met vier torens, de “Alter Krahnen” een laad- en loskraan uit 1561, de huidige Christuskerk die tot 1802 de voormalige Sint Nicolaaskerk van het Minorietenklooster was, dat in 1240 gesticht is. Verder de Rheintor of korenpoort waarvan het fundament uit 1200 stamt. De huidige opbouw is van 1899. Naast deze bezienswaardigheden is er nog veel meer bijzonders te bezichtigen in Andernach, zoals de restanten van de middeleeuwse vestingwerken en de ruïne van de stad.. Een bijzonder kenmerk van Andernach is de zogenoemde “eetbare stad”; alle groenvoorziening in Andernach zijn eetbare planten aangeplant, zoals amandelen, perziken, mispels en groenten zoals boerenkool, aubergines etc  die door de bevolking vrij geoogst mogen worden. Heel bijzonder vinden wij. 

Natuurlijk zijn er ook een aantal musea te bezoeken en niet te vergeten de koud water geiser.

Geiser (Geysir) Andernach is de hoogste koudwatergeiser ter wereld. Andernach ligt aan de rand van de Vulkaaneifel in het oosten van het Eifelgebied begrenst door de Rijn. Als onderdeel van het Vulkaanpark, bevindt zich hier het infocentrum van Geiser Andernach. De koudwatergeiser zelf is te vinden op een schiereiland in de Rijn. Hier bevindt zich het natuurreservaat Namedyer Werth. Begin 1900 werden in het gebied boringen gedaan voor de winning van koolzuur. In de jaren vijftig werden de boorgaten weer gesloten. Begin 2000 werd er weer een boring gedaan waardoor de huidige geiser ontstond. Daarna werd het gat weer gesloten. Doordat het een natuur beschermd gebied was / is, kwam er een juridische strijd om het gebied te openen voor toerisme. In 2006 kwam uiteindelijk groen licht hiervoor. Een koudwatergeiser, zoals Geysir Andernach, ontstaat door een onderaardse koolstofdioxidebron. Hierdoor wordt, op gezette tijden, het water met veel kracht door het gat in de bodem omhoog gespoten. Geysir Andernach bereikt een hoogte van 40 tot 60 meter! De hoogste ter wereld.

Omdat we al gereserveerd hadden in een restaurant voor ’s avonds konden we helaas ‘s middags niet meer met de boot mee om deze geiser te gaan bezichtingen. (boot vaart 4 keer per dag en je moet er drie uur voor uit trekken) Zetten we dit op ons lijstje voor een volgende keer.


Dwars door Zwitserland en Liechtenstein

Na een kort overleg besloten we om net over de grens in Zwitserland een vignet voor de autoweg te kopen (35 euro) omdat we het niet zagen zitten om meer dan 50 haarspeldbochten te moeten rijden én 50 km meer én 4 uur rijden i.p.v. 2 uur naar het Zwitserse Chur waar we zouden stoppen. 

We hebben er geen spijt van gehad, het was relaxt rijden en een prachtige omgeving met veel besneeuwde bergtoppen, vooral via de autoweg over de Sint Bernhard-pas, steile rotswanden, kabbelende beekjes, watervalletjes die vanuit grote hoogte uit de rotsen kwamen, dennenbossen en dan tussendoor de pittoreske dorpjes waar de koeien, schapen en geiten aan het grazen zijn. Dat is echt genieten na alle steden en dorpjes in Italië.

We hebben de camper buiten de camping geparkeerd op de CP plaats, maar mogen op de camping gebruik maken van de faciliteiten. (scheelt 25 euro per dag)

Chur is de hoofdstad van het Zwitserse kanton Graubünden. Chur heeft ruim 37.000 inwoners en ligt op een hoogte van 593 meter boven NAP. Chur was waarschijnlijk al 9000 jaar voor Christus door boeren bewoond. Daarmee is het de oudste nederzetting van Zwitserland

Kelten, Romeinen, Ostrogoten, Franken: al deze volkeren heersten ooit over Chur, de toegangspoort tot belangrijke handelsroutes en alpenpassen. Van de meer dan 9.000 jaar oude geschiedenis blijven de vondsten over uit het neolithicum, de bronstijd en de oudheid, alsook kostbare gebouwen uit recentere tijden, zoals de kathedraal van de 800 jaar oude bisschoppelijke zetel.

’s Middags zijn we op de fiets gestapt om naar het centrum van Chur te gaan. Daar hebben we rondgewandeld en op grote hoogte de kathedraal bezocht. We moesten overigens wel even langs een pinautomaat want hier kun je niet betalen met euro’s. Dat was dus weer even wennen. Einde van de middag weer op de fiets terug. Het is jammer dat de camping in een industriegebied ligt en niet echt uitnodigt om langer te blijven, dus morgen trekken we verder en gaan we naar het kleine deelstaatje Liechtenstein.

Ingeklemd tussen Zwitserland en Oostenrijk ligt het kleine vorstendom Liechtenstein. In 1699 kocht de Boheemse vorst Johan Adam Andreas van Liechtenstein de heerlijkheid Schellenberg en in 1712 het graafschap Vaduz van de graven van Hohenems. Ook kreeg hij voor een lening van 250.000 gulden in 1707 een zetel op de vorstenbank van de Zwabische Kreits. 

Op 23 januari 1719 verenigde keizer Karel VI de heerlijkheden Vaduz en Schellenberg tot een vorstendom, genaamd Liechtenstein. Ten slotte kreeg het nieuwe vorstendom in 1723 een zetel en een stem in de Rijksdag. Op 12 juli 1806 was Liechtenstein een van de ondertekenaars van de Rijnbondakte, waardoor het vorstendom zich losmaakte van het Heilige Roomse Rijk en soeverein werd. Het staatshoofd van Liechtenstein is op dit moment vorst Hans-Adam II, hoewel deze op 15 augustus 2004 de macht overdroeg aan zijn zoon, Alois  bleef hij het staatshoofd. Dat zal zo blijven tot zijn dood.

Het land kenmerkt zich met hoge bergen, een mild klimaat en een hoge levenskwaliteit. De dwergstaat Liechtenstein is niet groter dan 160 km²; de gemeente Venray, onze woonplaats bijvoorbeeld, is 165  km² en dus net iets groter dan heel Liechtenstein. Door de jaren heen heeft het land zich uitstekend ontwikkeld waardoor kwaliteit hoog bovenaan staat. Zeker voor toeristen is het een bijzondere bestemming. De cultuur is overal voelbaar en gedurende het jaar zijn er diverse festivals. Voor veel Nederlanders is Liechtenstein nog onbekend gebied. Dat komt omdat de dwergstaat niet op een doorgaande route richting de populaire vakantiebestemmingen in Italië, Oostenrijk of Zwitserland ligt. Voor ons dus een reden om er wél even naar toe te gaan.

We waren rond 9.15 al in Vaduz en nadat we de camper op de parkeerplaats hadden geparkeerd zijn we naar de stad gelopen en je ziet meteen hoog boven de stad het slot liggen van de regerende vorst. Bedrijven hoeven bijna geen belasting te betalen en je ziet hier dan ook diverse grote banken. Een van de eerste dingen die ons op vielen waren de auto’s, Bugatti, Jaguar  en meer van die grote klasbakken.

De stad is modern met klassieke gebouwen en je kunt zien dat er over nagedacht is want het is niet storend, en overal in de straten staan prachtige kunstwerken. Je ziet ook nergens ook maar iets van vuil liggen. Na een paar uur rond wandelen  én een stempel in ons paspoort rijker (leuke bijkomstigheid overigens) zijn we terug gewandeld naar de camper om onze weg te vervolgen.

Inmiddels hadden we al kunnen constateren dat er de nodige bussen met Japanners (hoe kan het ook anders) gearriveerd waren want er werden weer bij alle kunstwerken, bloembakken en gebouwen selfie’s gemaakt. Wij vonden het de moeite waard om dit mini-staatje te bezoeken.

Voor meer foto's wijzen we naar flickr, album Puglia-05.

Arriverderci Bella Italia

Rond half 10 zijn we vertrokken uit Rome en omdat het zondag was, was het lekker rustig op de weg. De zon was nog steeds volop aanwezig en met zo’n 26 graden was het aangenaam weer. De Apenijnen hebben we achter ons gelaten en al snel reden we door het mooie Toscane met zijn lange en ranke cipressen en glooiende heuvels. 

Net na de middag kwamen we aan op de CP in Barberino di Mugello, gelegen aan het meer van Bilancino. We hebben ’s middags dan ook de fiets gepakt om rond het meer te fietsen. Een verademing na alle drukte van de afgelopen dagen in Rome.

De dag erna was er geen zon meer te bekennen, de lucht was grauw en grijs en het regende. Dat was dus even wennen. Onderweg hebben we geen regen gehad wel de eerste 50 km zo’n 25 kilometer aan tunnels waarvan de langste 7,5 km was. Rond de middag arriveerden we op de CP plaats in Parma.

Parma

Parma ís lekker eten: de beroemde hammen en kazen, de nog duurdere ‘culatello’s’ (bijzondere salami’s), decennialang gerijpte balsamico’s op grootmoeders wijze. In het historische stadscentrum kan je door al dat lekkers verdwalen langs winkeltjes waar geproefd en gekeurd mag worden.


Winkeliers zijn hier geen verkopers, maar experts. Ze kijken je even in de ogen en kennen al jouw smaak. De rekken torsen er zoveel kaas - ja, uitsluitend Parmezaanse - dat men zich nog nauwelijks durft te bewegen. Plafonds buigen nog wat dieper door de vleeswaren die er hangen te wachten op publiek. En natuurlijk zijn wij aan dit lekkers niet voorbij gelopen.

Stijl en charme

Eigenlijk is Parma een provinciestad van 170.000 inwoners, maar wat een allure! Dat komt door de Farneses die met grandeur regeerden en er onder meer een schitterend paleis en de Pilotta (met het beroemde Farnese Theater) lieten bouwen. Hier wil men zien en gezien worden.
Later zou ook Marie Louise, dochter van de Oostenrijkse keizer en tweede vrouw van Napoleon, de stad verfraaien. Zelfs toen Bonaparte al naar Elba was verbannen, bleef de ex-keizerin van Frankrijk, tevens groothertogin van Parma, de stad besturen - tot haar dood in 1847. In het Museo Glauco Lombardo kom je meer over haar te weten.


Fietsparadijs


Parma rijdt moeilijk voor automobilisten die niet met de verkeerslussen vertrouwd zijn, maar voor fietsers en voetgangers is het zeer aangenaam. De binnenstad is autoluw met aandacht - en vooral plaats - voor fietsers. (al gaan de fietspaden slingerend langs paaltjes, over parkeervakken, gewoon heel on-hollands, dus uitkijken!!   Maar… alle auto’s stoppen als ze zien dat je over wilt steken.)

Bezienswaardigheden liggen op loopafstand. Ten oosten van de gelijknamige rivier ligt het oudste stadsdeel met kerken en kloosters, de citadel en musea in vroegere paleizen.

De westkant pronkt met het Palazzo Ducale in een groot park en het was heerlijk om hier te wandelen en de herfstkleuren te zien.

Piazza Garibaldi met gebouwen uit 17de en 18de eeuw is het middelpunt van de stad, maar het hart klopt pas echt rond de Piazza del Duomo - in de zijstraten terrasjes, restaurantjes, pizzatenten en gelateria’s net achter de Duomo.

De 12de-eeuwse kathedraal behoort tot de belangrijkste Romaanse monumenten van Noord-Italië, maar het ware symbool van Parma is het Battistero, even verderop. Deze romaans-gotische doopkapel is wereldberoemd door het achthoekige grondplan en de spectaculaire opbouw. Het interieur met een doopvont in het midden, vier galerijen, de beschilderde koepel, fresco’s en beelden is uniek..

Parma is ook de stad van Verdi, de bekende componist is hier geboren en getogen. De Parmezanen laten hem nooit los. In het klassieke Teatro Regio wordt zijn werk - de opera Aïda duurt vier uur! - bijna doorlopend opgevoerd. Voor de fans: het Verdi Festival loopt dit jaar van 1 tot 28 oktober. Op de terugweg begon het zachtjes te regenen en zoals de Goden ons meestal gezind zijn waren we net op tijd terug bij de camper voor het flink begon te hozen en dat heeft het de rest van de avond gedaan. Parma zal ik niet snel vergeten als was het alleen maar omdat een overvliegende duif het nodig vond om zijn behoefte te doen op mijn hoofd, bril, jas en tas!!

Como.

Vanmorgen scheen de zon weer bij het wakker worden en nadat we even bij buurman Lidl onze boodschappen hadden gehaald zijn we rond half 10 vertrokken. Ook deze route ging via de tolweg en na een paar uur zagen we de bergen voor ons opdoemen met enkele besneeuwde toppen. Onze laatste stop in Italië is dus in Como. Na de lunch hebben we onze wandelschoenen aan gedaan en hebben we een wandeling gemaakt langs het Comomeer. 

Met een prachtig uitzicht op de bergen nemen we afscheid van 4 weken reizen door Italië.

Wat ons opgevallen is aan en in Italië:

  • Hele slechte provinciale wegen

    Heel veel zwerfkatten en honden

    complete vuilnisbergen bij inhammen langs de wegen terwijl de steden vaak heel schoon zijn.

    Als je door de smalle straatjes loopt ruik je overal de geur van waspoeder als er was hangt te wapperen.

    Iedereen is met zijn gsm in de weer, in de auto, op straat, in de metro zelfs in de kerk tijdens een dienst.

    Op heel veel bruggen van twee banen is er één afgezet waardoor ze nu een-baans zijn geworden, en het kwam op ons over dat het te maken heeft met het ongeluk in Genua.

    De mannen hebben nagenoeg allemaal blinkend gepoetste schoenen.

    Er wordt erg veel gerookt.

    Juli en augustus kun je het zuiden van Italië beter vermijden want dan trekken de Italianen massaal naar de kust en vanaf de derde week in september sluiten heel veel campings en CP plaatsen in het zuiden ondanks de hoge temperaturen.

    Italianen zijn erg vriendelijk.

    Na een regenbui sprongen er allemaal kikkers over het strand en het gras.

De overige aanvullende foto's staan rond 23.00 uur (2 oktober 2018) op Flickr onder het album Puglia-05.








Rome, stad van tastbare geschiedenis en zoveel meer.....

Er is een uitdrukking “Eerst Rome zien en dan sterven”; eigenlijk is het afkomstig uit het Italiaans, maar dan als “Vedi Napoli e poi muori” (eerst Napels zien en dan sterven), bekend geworden door Goethe in zijn boek “Italienische Reise”. En taalkundigen zouden zelfs kunnen inbrengen dat er in het Italiaans een woordspeling wordt gebruikt: Muori zelf is een plaats in Italië, dus er zou ook kunnen staan “eerst Napels zien en dan Muori”. Indachtig een andere Duitser, genaamd Reinhard Mey, die in zijn liedje “Mein Testament” zegt dat hij weliswaar zijn testament opschrijft maar dat hij hoopt dat het nog niet zijn laatste wil is, gaan we er vanuit dat het nog wel een paar decennia zal duren vooraleer die voorspelling uitkomt.

Goed, we kozen er na Sulmona voor om ook deze keer de Apenijnen te doorkruisen over een snelweg en dus geen “binnendoor” weggetjes. We kwamen daarom na 2 uur rijden en nog net vóór de middag aan op de camperplaats in één van de buitenwijken van Rome, waar de trein, annex tram naar het Centraal Station voor de deur stopt. Inmiddels zijn we al aardig gewend geraakt aan het chaotisch verkeersgedrag van de Italianen en op de keper beschouwt valt het ook nog wel mee. Oké, ze parkeren dubbel, zelfs drievoudig, maken met het grootste gemak op de weg er een gefingeerde rijstrook bij, maar zijn daar en tegen heel galant (zodra je als voetganger wilt oversteken bij een zebrapad en een voet op de straat zet stoppen ze voor je), letten voortdurend op wat de andere weggebruikers doen en anticiperen daar op. En oh ja, als je als automobilist op een kruispunt wilt oversteken of rechts wilt invoegen, wapper je gewoon even met je handje uit het raam, en hupsakee, er komt ruimte. Het kostte dan ook weinig moeite om de circa 5 kilometer door de buitenwijken van Rome naar de camperplaats te rijden, maar je moet wel ook op wapperende handjes van de Romeinen letten.

Vooraf hadden we al besloten om een zogenaamde Roma Pass aan te schaffen, waarmee je 72 uur lang gebruik kunt maken van het openbaar vervoer (tram, trein, metro en bus), gratis toegang en voorrang hebt tot twee musea of archeologische sites naar keuze en bij de overige korting krijgt. Vandaag moet we echter zonder doen, want we blijven hier na vandaag nog drie dagen. 

Maar een middag is tijd genoeg om de Trevi-Fontein aan te doen. Helaas troffen we het niet: hij werd schoongemaakt en was dus niet in werking. Ondanks dat zag het er zwart van de toeristen. Een paar dagen later hebben we de fontein nog een keer bezocht omdat we hoorden dat hij inmiddels was schoongemaakt en weer in werking was. Nu dus wel een foto van een werkende Trevi Fontein.

Op onze omzwervingen kwamen we ook langs het voormalige paleis van Paus Paulus VI, nu in gebruik als Presidentieel Paleis. Het is nu het grootste onderkomen van een president (de Italiaanse dus) ter wereld. Zelfs het Witte Huis in de VS is kleiner!

Vervolgens kwamen we door een wirwar van kleine straatjes in het historisch centrum bij het Panthéon. Het huidige Panthéon werd gebouwd tussen 118 en 128 n. Chr. En verving een eerdere tempel die door brand was verwoest. In de 7e eeuw werd de Tempel voor alle goden (de betekenis van Panthéon), omgevormd tot kerk. De perfect ronde koepel van gegoten cement is na tweeduizend jaar nog steeds ongeschonden! De muren zijn onderaan de koepel maar liefst 6 meter dik. De enige lichtinval komt van boven, van het “open oog”, de ronde opening in de top van de koepel. De vloer heeft een ingenieus Romeins afwateringssysteem, dat nog steeds in tact is. In deze kerk zijn de koningen van Italië begraven. 

Opvallend is dat overal daar waar veel toeristen komen ook de beveiliging door gewapende carabinieri zichtbaar aanwezig is. We hebben ze ondertussen heel vaak gezien, altijd met zijn tweeën en vol bewapend met karabijn en pistool. 

De volgende dag waren we al vroeg uit de veren. Want vandaag staat het Vaticaan op ons programma en, als we de berichten mogen geloven, samen met nog zo’n 25.000 anderen. Met de trein en metro naar de Sint Pieter en op zo’n 500 m daar vandaan werden we aangehouden door een vriendelijke jongeman die ons wilde overhalen om met een gids het Vaticaan en zijn Musea te bezoeken. Normaal doen we dat niet en gaan we liever op eigen houtje, maar hij wees ons op de mogelijkheid om daarmee de rijen te ontwijken. Inmiddels konden we de rij voor de Sint-Pieter al waarnemen en hij vertelde ons op basis van de huidige rij dat we al minstens drie uur in de rij zouden staan. Voor € 35,- per persoon kregen we een engelstalige gids en een rondleiding van 3,5 uur.   We hebben het aanbod aangenomen want om drie uur in de rij staan wachten bij meer dan 30 graden in de volle zon (je moet nog het hele Sint-Pieter-plein over) is niet echt een uitdagend vooruitzicht. En inderdaad waren we na zo’n 20 min. binnen.

Vaticaans Museum

Ja, het rijke roomse leven! Het Vaticaans Museum is het rijkste, grootste en meest indrukwekkendste museum ter wereld. Er zijn ruim 1.400 zalen vol schilderijen, Griekse en Romeinse beeldhouwwerken en Egyptische en Etruskische kunst. Alleen al in dit museum hebben we twee uren rondgelopen. 


Sixtijnse kapel.


Op de plaats van de Sixtijnse Kapel stond eerder al een oudere kapel. Deze Capella Maggiore (Grote Kapel) werd waarschijnlijk in 1368 gebouwd, maar was onder het bewind van paus Sixtus IV (1471-1484) vervallen tot een ruïne. Sixtus liet daarom een nieuwe pauselijke hofkapel bouwen voor hem en zijn gevolg van tweehonderd personen.De bouw van de Sixtijnse Kapel, vernoemd naar paus Sixtus IV, begon in 1473 en werd voltooid in 1481. De bekende Renaissancearchitect Baccio Pontelli ontwierp de kapel en het werd gebouwd onder toezicht van Giovannino de Dolci. Tijdens de bouw werden de maten van de oudere Capalla Maggiore aangehouden, die in 1473 was gesloopt. De eerste mis in de Sixtijnse Kapel vond plaats op 9 augustus 1483 ter ere van de Tenhemelopneming van Maria.

Beroemde Renaissancekunstenaars als Botticelli, Ghirlandaio en Perugino decoreerden de kapel al tijdens de bouw met schilderijen. In 1508 kreeg Michelangelo (1475-1564) de opdracht van paus Julius II (1503-1513) om het plafond van de Sixtijnse Kapel te decoreren. Michelangelo begon op 10 mei 1508 aan de enorme klus van het beschilderen van het plafond van vijfhonderd vierkante meter. Op 31 oktober 1512 werden de wereldberoemde fresco’s ingewijd door Julius II met de vespers, het katholieke avondgebied.


Sinds de voltooiing van de bouw fungeert de Sixtijnse Kapel als pauselijke hofkapel. Het is ook de plaats waar het conclaaf van het College van Kardinalen om een nieuwe paus te kiezen wordt gehouden. Het linker deurtje in de westwand van de kapel leidt naar de pauselijke sacristie, die ook wel de Kamer der Tranen (=Stanza delle lacrime) genoemd wordt. Het is de ruimte waar een nieuw gekozen paus zijn nieuwe witte gewaad aangemeten krijgt. Achter deze sacristie bevindt zich een trap waarmee de pausen onopvallend de Sint-Pieter konden bereiken.Tegenwoordig trekt de kapel zo’n vijf miljoen bezoekers per jaar, soms wel 30.000 per dag. Het condens van al deze toeristen heeft een grote invloed op de staat van de fresco’s, die snel aftakelen. Volgens museumdirecteur Antonio Paolucci zal er in de toekomst misschien een limiet aan het aantal bezoekers gesteld moeten worden.

De kapel is kleiner dan je zou verwachten, maar het schilderwerk is indrukwekkend.  En wie kent niet de foto’s en posters van de twee handen  welke een fragment zijn uit het schilderij van Michelangelo. 

Sint-Pieter

De Basilica de San Petro, zoals de kerk officieel heet, is gebouwd op de graftombe van de apostel Petrus en is de grootste kerk ter wereld. Vanaf de vloer tot de top van de koepel is hij 138 meter hoog en daarmee driemaal zo hoog als het Collosseum. Hij is wel veel jonger want pas in 1506 werd de opdracht tot de bouw van de basiliek gegeven door Paus Julius II; aan de bouw van deze basiliek werkten ook vele kunstenaars mee, onder andere wederom Michelangelo. Heel opmerkelijk is dat zijn beeld, de Pietà in de eerste kapel rechts, het enige beelhouwwerk is dat door Michelangelo is gesigneerd. Hij deed dat omdat niemand wilde geloven dat zoiets meesterlijks mooi door een zo jonge kunstenaar was gemaakt; Michelangelo was 23 jaar oud toen hij het beeld in opdracht van kardinaal Jean Biheres de Lagraulas in 1498 maakte voor diens graftombe.

In de crypte van de basiliek kun je dus de graftombe van Petrus zien en daar liggen ook de voorgaande pausen begraven. Ook de crypte hebben we bezocht.

Vanaf het Sint Pieterplein zijn we wandelend door het middeleeuwse Rome weer naar het Centraal Station gewandeld. Te voet merk je echt dat Rome op zeven heuvels is gebouwd: je blijft voortdurende klimmen en dalen. 

Het Oude Rome.

De tweede dag stond volledig in het teken van het oude Rome. Als eerste stapten we het Colosseum binnen, de arena die werd gebouwd tussen 72 en 80 n. Chr. en het grootste amfitheater van de Romeinen was. Er konden 55.000 toeschouwers in. Waarschijnlijk ontleent het zijn huidige naam aan het ruim 35 meter hoge beeld, de Colossus van Nero, dat naast het amfitheater stond en niet op de afmetingen van het gebouw, wat men ook vaak beweert. Het elliptische grondvlak meet (over de assen gemeten) 188 bij 156 meter, heeft een omtrek van 527 m. De hoogte van de gevel is 48,50 meter. De buitenmuur heeft drie rijen van 80 bogen, die telkens gescheiden worden door halfzuilen, beneden met Dorische, in het midden met Ionische en boven met Korinthische kapitelen. Ook de bovenverdieping (die merendeels gesloten is) heeft Korinthische pilasters. Er waren 76 ingangen die genummerd waren met Romeinse cijfers (boven de ingangen XXIII-LIV zijn de nummers nog zichtbaar). Boven één van de ingangen is een plattegrond zichtbaar van de stad Jerusalem, aangebracht rond 1700. 

In het Colosseum vonden Gladiator-gevechten plaats. Soms ook werden in de arena doodvonnissen voltrokken waarbij mensen (altijd niet-romeinen) door wilde dieren werden verscheurd . De laatste gladiator-gevechten vonden plaats in 404 nadat het Christendom als staatsgodsdienst was ingevoerd door keizer Honorius. De laatste voorstelling vond in 523 plaats. Historici schatten het aantal mensen dat in het Colosseum ter dood is gebracht tussen de 300.000 en 500.000.

Tegenover het Colosseum staat de Triomfboog van Titus,  ter herinnering van de inname van Jerusalem door de Romeinen in 80 n. Chr. De reliëfs aan de binnenzijde van de boog laten de relikwieën van de Tempel van Jerusalem zien. Buiten op de Triomfboog staat de intocht in Rome waarbij de schatten van de Tempel worden meegevoerd. Jarenlang is deze boog een schande geweest voor het Joodse volk. Nu behoort het tot één van de mooiste ruïnes van het Forum.

Forum Romanum

Het marktplein van Rome was hèt centrum van de oude Republiek vanaf de zesde eeuw vóór Christus; hier vergaderde de senaat en hielden politici hun toespraken. Handelaars deden er zaken, priesters brachten er hun offers, mensen deden er hun inkopen en bespraken actuele zaken. Kortom, een marktplein zoals het hoort. Toen de macht van het Romeinse Rijk afnam en uiteindelijk het wets-romeinse rijk verviel (6e eeuw na chr.), verviel ook het forum. Boeren lieten er nu hun koeien grazen. De schitterende marmeren tempels werden geplunderd en in de middeleeuwen kwamen de metselaars en andere bouwlieden hun materialen hier halen. Kortom, heel het oude Forum Romanum viel ten prooi aan plunderaars, voor zover het al niet bedolven was onder zand en afval. In de 19e eeuw is men met het opgraven van het Forum Romana begonnen. We kunnen nog wel iets van de oude luister terug vinden in de restanten. Vooral de immens grote tempels vallen op.

Als Noord-Europeaan moet je jezelf hier wel heel nietig voelen. Wij sloegen mekaar hier nog de koppen in en toevallig vandaag stond er een vondst in Lent in de krant waarop op een kommetje ter grootte van een vingerhoed de eerste krassen in de vorm van tekens die op letters lijken is gevonden, afkomstig uit de 1e eeuw v. Chr. In Rome zie je dan al hele verhalen op pilaren staan en werd er op scholen schrijven geleerd!

Naast het Forum Romanum ligt de heuvel Palantino. Op deze heuvel heeft Romulus de eerste paalwoning gebouwd en tijdens de Republiek en daarna woonde de elite van Rome op deze heuvel. Er hebben prachtige paleizen gestaan en de restanten daarvan zie ju nu nog.

Na een engelse lunch (fish and chips) in een engelse kroeg met italiaanse cappuccino zijn we de Joodse wijk (het ghetto ebrei) ingelopen; aan de buitenkant zie je het niet maar het valt pas op als je naar de menukaarten van de verschillende trattoria kijkt. Daarop treft je voortdurend het woord “kosher” aan en soms de term Ebrei (hebreeuws). Je bent dan dus duidelijk in de Joodse wijk. Ook opvallend: de wijze waarop gebouwen uit de Republiek, dus meer dan 2000 jaar oud, in de 18 tot 21e eeuwse bebouwing zijn geïntegreerd.

De volgende dag stond (na nog even naar de werkende Trevi-fontein te zijn geweest) een bezoek aan de P.C. Hooftstraat van Rome, de Via dei Condotti, op het programma.  Deze straat is bij uitstek in trek bij mensen die een paar slordige Euro’s hebben te besteden. Heel ingetogen staan de namen van grote modehuizen op de gevels: Hermès, Gucci, Armani, Prada, Burberry, Ferragamo en Valentino. En overal wordt de deur netjes voor je geopend mocht je naar binnen willen. We hebben wat trippelende dames met geschoren hondjes uit een winkel zien komen. Deze straat en de Via del Corso, van een iets mindere grandeur, komt uit op het Piazza del Popolo (het Plein van het Volk) en het grootste plein van Rome, waar je zonder blikken of blozen een rekening van € 15,- voor twee cappuccino wordt gepresenteerd. De elite zit daar onder een luifel op het terrasje, het gewone volk op de trappen van de kerk Santa Maria del Popolo, een kerk die in de 11eeeuw is gebouwd op het graf van Keizer Nero. Voorheen stond op het graf van deze door de Romeinen gehate keizer – hij zou tijdens de grote brand van Rome in juli 64 AD  te  laks hebben gereageerd voor eigen gewin – een walnotenboom waarin volgens de legende kwade geesten huisden in de vorm van kraaien. Wij denken echter dat nog geen 10% van de mensen op de trappen hiervan op de hoogte is. 

Wij hadden net daarvoor in een van de zijstraatjes een lekkere lunch genoten voor een prijs ver onder die van de cappuccino op de Piazza del Popolo.

Van daaruit zijn we weer langzaam naar de metro gelopen langs (en via) de kerk de Trinità del Monti, afdalend over de Spaanse trappen naar het Piazza Barberini en vandaar terug naar de camperplaats. Morgen verlaten we Rome weer en gaan we naar Toscane.

Aanvullende 414 foto’s staan op Flickr in Album Puglia-04.




Parelwitte stranden en kleurrijk snoepgoed

Vanaf Vieste zijn we klimmend en dalend langs de kust naar het visserstadje Peschici gereden. De azuurblauwe Adriatische zee glinstert door de zon en aan de andere kant van de weg de bloeiende oleanders, cactussen en dennenbomen en zo zijn de 40 km snel overbrugd. Aangekomen  bij de CP bleek deze helaas gesloten te zijn, evenals de diverse campings die we passeerden. Uiteindelijk konden we aan de voet van het stadje op de laatste camping nog terecht. En behalve wij stonden er nog een Belgisch stel en twee Duitse stellen op de camping. Omdat we direct aan de zee stonden besloten we om lekker te gaan zwemmen en aan het einde van de middag via het strand naar het oude stadje boven te lopen en daar meteen te eten. 

Toen we tegen 17.30 aan de wandel gingen kwamen we na een poosje bij een geul die vol met water stond en waar we dus niet door konden. Kijkend naar de lucht die inmiddels behoorlijk donker begon te worden en er regen voorspeld was besloten we toch maar om te keren omdat de afstand via de gewone weg te ver was en ook te steil om eventueel met de fiets te gaan. En het duurde ook niet lang voor het ging regen. Jammer voor ons maar niets aan te doen. De bui was erg kort en toen we even richting het strand liepen sprongen er her en der kikkers rond. Erg vreemd want die verwacht je niet op een strand., maar we zijn wel meer vreemde dingen tegen gekomen in Italië en daar komen we later nog op terug.

Peschici is ontstaan uit de rotsachtige bergen op een kleine landtong van de Gargano. De naam duidt op de haar Slavische oorsprong “pésc” betekent zand, refererend aan de zanderige oceaanbodem hier. Arabesk van oorsprong en  ooit een slavenkolonie waar Slavische soldaten over waakten (anno 970)   Recht boven de zee domineert de stad het omringende landschap in het noorden van Gargano, waar zo ver het oog reikt groene Aleppo dennenbossen kunnen worden gezien afgewisseld met brede gouden baaien en de stad heeft een fantastisch uitzicht over de Tremiti eilanden. Peschici is opvallend met zijn smalle straatjes in het oude centrum en de typische witte gebouwen met grijze koepel daken. De stad wordt beschouwd als ‘de parel van de Gargano‘ en is onder Italianen bekend om zijn geweldige parelwitte zandstranden. 

De volgende dag verlaten we het uitgestorven maar mooie Garganogebied en omdat we geen uren onderweg willen zijn, rijden we via de tolweg naar Sulmona een middeleeuws stadje in de Apenijnen. Nadat we bij de Lidl onze boodschappen hadden gedaan arriveerden we bij de CP plaats waar nog een camper stond met een jong engels stel. Na de lunch trokken we de wandelschoenen aan en gingen we op verkenning.

Sulmona, of zoals het in de oudheid heette Sulmo, is een stadje gelegen in het midden van Italië, op 120 kilometer van de hoofdstad Rome. Een deel van het grondgebied van de gemeente ligt binnen de grenzen van het Nationaal Park Majella., een massief met 61 bergtoppen en dichte wouden in de Apenijnen. Sulmona ligt op het punt waar de rivieren Vella en Gizio samenvloeien. Het was een van de belangrijkste steden van de Samnieten die de streek zo'n  2500 jaar geleden bevolkten. Deze gemeenschap is tevens de geboorteplaats van de beroemde klassieke dichter Publius Ovidius Naso (43 v.Chr. - 17 na Chr.).

In de 13de eeuw liet Koning Manfred van Sicilië een aquaduct bouwen dat met 21 bogen het Piazza Garibaldi oversteekt. Een groot deel van de stad is na 1706 herbouwd. In dat jaar bracht een zware aardbeving grote verwoestingen toe aan de stad. Sulmona bestaat grotendeels uit oude gebouwen zoals o.a het Palazzo dell’Annunzita uit 1320 en laat een mengeling zien van gotische en renaissance architectuur. In zijn bewogen geschiedenis heeft hij dienst gedaan als ziekenhuis, school, rechtbank en drogist. Waar ooit een Romeinse tempel stond, staat nu de kathedraal San Panfilo en een aquaduct verbindt het plein met de Fontana della Vecchio uit 1474.

Zeemzoete bloemen

Zoetekauwen laten zich ongetwijfeld verleiden in de Corso Ovidio, de hoofdstraat van Sulmona. In deze straat verdwijnen de eeuwenoude grijze gevels naar de achtergrond en voeren de vele kleurrijke uitgestalde bloemen de boventoon. Ze zijn niet alleen een pareltje voor het oog, maar ook een geschenk voor je mond. Het zijn de confetti van Sulmona, het snoepgoed waarvoor het dorp tot ver in het buitenland is gekend. De confetti van Sulmona zijn eigenlijk niets meer dan gesuikerde amandelen, vergelijkbaar met onze doopsuiker. Traditioneel ontving iedere gast op een bruiloft vijf confetti, deze stonden symbool voor gezondheid, welvaart, geluk, vruchtbaarheid en een lang leven.  Maar het zouden wel de beste zijn van heel de wereld. Ze bestaan in verschillende vormen en smaken: soms is de kern van de confetti geen amandel, maar wel een hazelnoot, een pistachenoot of chocolade. Daarnaast worden er vaak aroma’s toegevoegd zoals anijs, drop en allerlei fruitsmaken. 

Van honing tot suiker.

Over de oorsprong van de confetti bestaan verschillende versies, maar zeker is dat de Oude Romeinen al snoepgoed aten bij belangrijke gebeurtenissen zoals geboorten en huwelijken. Natuurlijk leken deze bonbons helemaal niet op de huidige confetti, want suiker was tot voor de jaren 700 een nog onbestaand product. Om de snoepjes hun zoete smaak te geven, gebruikten de Oude Romeinen honing. En ook de suikerlaag was eenvoudigweg een laag verharde honing. Pas aan het einde van de jaren 1400 begon in Sulmona de productie van de ‘moderne’ confetti. In diezelfde periode werd in het klooster van Santa Chiara trouwens ook begonnen met de artistieke bewerking ervan. En daar zijn de kleurrijke bloemen vandaag nog altijd getuige van. Natuurlijk bezochten wij ook een winkel met de beroemde confetti. 

Al met al is het een heel gezellig oud stadje en toch heel anders dan het geen we tot nu toe gezien hebben in Italië.


Morgen vertrekken we naar Rome waar we de komende dagen zullen vertoeven.

De overige foto's staan op Flickr in het album Puglia-04.

Van aartsengelen op grote hoogte

Na Alberobello wilden we Polignano à Mare aandoen, een klein vissersplaatsje aan de Adriatische Zee. Daar aangekomen op de enige camperplek die het stadje rijk is bleek deze gesloten te zijn. Het vakantieseizoen is duidelijk over als de scholen hier weer zijn begonnen. De temperatuur was echter nog wel ruim boven de dertig graden en om dan zonder enige voorziening op een snikhete parkeerplaats te gaan staan leek ons niet zo’n goed idee. Dan maar door naar de volgende stop, ook een vissersstadje: Trani. Gelukkig was daar de camperplaats nog wel open en konden we ons installeren.

Trani is al een oud stadje. In de 7e eeuw werd daar op een rotspunt de eerste kerk gebouwd, maar ‘wereldberoemd’ werd Trani door een pelgrim Nicolaas die in 1094 in Trani stierf. Volgens de legende kon hij alleen maar Kyri eleison zeggen. Toen men in 1097 een nieuwe kerk bouwde en daarin de oude kerk als benedenkerk integreerde, werd als voorbeeld de Nicolaaskerk in Bari gebruikt; al snel wilde men een mooiere Romaanse Kerk bouwen dan zijn voorbeeld en dat is gelukt. Barisano, een plaatselijk kunstenaar heeft de prachtige bronzen deur vervaardigd voor de kathedraal; deze deur staat tegenwoordig binnen om hem tegen de elementen te beschermen. Toen wij de kathedraal binnen wilden bezichtigen, bleek dat er die dag een huwelijksmis zou volgen: hij was volledig versierd met bloemen. Natuurlijk hebben we even op het bruidspaar gewacht, om vervolgens de oude stad in te trekken. 

Het stadje heeft een wirwar van smalle straatjes, een oude joodse wijk met een synagoge uit de 9e eeuw, 16 kerken (!) en elegante koopmanshuizen, palazzi genaamd. Je kunt er heerlijk vertoeven, er waait af en toe een briesje door de altijd beschaduwde straatjes waarin het ook bij 30+ tamelijk koel blijft. 

Op een gegeven moment liepen we een afschuwelijk lelijke barok-kerk binnen en de zeer vriendelijke kerkmeester vroeg ons binnen. Eerst in het Italiaans, maar toen dat weinig effect had in het Frans. Hij vertelde honderduit en was zeer verguld dat we zijn prachtige kerk wilden bekijken. Omdat het vroeger een onderdeel was van een nonnenklooster, die inmiddels weliswaar buiten gebruik was, maar de gebouwen en kloostergangen waren nog aanwezig. Ook daar leidde hij ons door, ondertussen de eigenaardigheden van het kloosterleven vertellend. Zo hadden de contemplatieve nonnen een soort doorgeefluik met de buitenwereld waardoor de zelf gebakken koekjes en dergelijke hun weg naar buiten vonden, maar ook deed dat doorgeefluik dienst als middel om kinderen te vondeling te leggen. De privé rondleiding duurde toch al snel een drie kwartier en uiteindelijk verlieten we met een stevige handdruk de kerk.

De volgende dag, zaterdag 22 september, stond Canne op het programma. Op 2 augustus 216 v. Chr. bracht Hannibal met zijn leger hier de Romeinen een verpletterende nederlaag toe, waarbij naar verluid  in 8 uur 48.000 Romeinse soldaten het leven lieten. Ter nagedachtenis is op die heuvel een herdenkingszuil geplaatst. Maar helaas, nee niet gesloten wegens het einde van het toeristenseizoen, maar onderaan de voet van de heuvel gaat de weg onder de spoorbaan door waarbij het viaduct slechts 3.00 m hoog is. Aangezien wij 3.18 m zijn door de opbouw-airco gaat ook de bandjes leeg laten lopen niet helpen en in een wandeling van 600 meter waarvan 150 meter omhoog hadden we geen zin. Dus maar weer omgedraaid. De foto van de herdenkingszuil hebben we van internet geplukt, zodat we (en jullie ook) in ieder geval kunnen zien wat we gemist hebben.


Monte Sant’angelo

Op weg naar onze volgende bestemming  rijden we door het Noordelijkste deel van Puglia het schiereiland, de Gargano genaamd. Bijna heel het schiereiland is een beschermd nationaal park. We waren dan ook erg verbaasd toen vanuit het niets na een bocht een meer lag met flamingo’s. Helaas was de weg te smal om er even te stoppen. Midden in de Gargano ligt het plaatsje Monte Sant’angelo verscholen, dat van oudsher een bijzondere aantrekkingskracht heeft. Het is een plek van hekserij, mystiek en bijgelovige praktijken. Al duizenden jaren dringen reizigers tot diep in dit gebied door op zoek naar een geheimzinnige berg die omgeven wordt door mysterieuze verhalen. 

Volgens de Griekse historicus Strabo , die rond het begin van de jaartelling leefde, beklommen de mensen deze berg omdat boven in de daar aanwezige grot de helderziende Griekse ziener Clachas zou wonen. In 490 n. Chr. zou in mei van dat jaar volgens de legende de aartsengel Michaël aan de bisschop van Siponto zijn verschenen, waarop de bisschop na die gebeurtenis in de grot een altaar liet bouwen. Toen hij dat altaar, omringd door talloze gelovigen, wilde inwijden, verscheen de aartsengel Michaël wederom met de mededeling dat hijzelf de plek al had ingewijd. Op het altaar stond de voetafdruk van de aartsengel.

De plek werd zo beroemd en het werd een zo groot bedevaartsoord, dat op deze onherbergzame berg uiteindelijk een dorp ontstond waar de pelgrims onderdak en voedsel konden vinden. De weg er naar toe is slingerend omhoog via 20 haarspeldbochten en uiteindelijk bereik je, vanaf zeeniveau als startpositie, een hoogte van bijna 800 meter. Op een grote parkeerplaats konden we de camper kwijt en zijn we naar de twee in het oog springende objecten gelopen: het  kasteel en de grot. Het kasteel was in de 12e eeuw in bezit van een voorvader van Janny, een onvriendelijke heerschap genaamd Frederik Barbarossa, en is gedeeltelijk een ruïne. Je hebt er wel een prachtig uitzicht over de Gargano.

De grot ligt 86 treden dieper, en ook daar liep een ietwat onvriendelijk heerschap rond die ons kwam vertellen dat we geen foto’s mochten maken; ondertussen werd er zowel links als rechts van ons met de smartphone lustig op los gefotografeerd, maar dat terzijde. Stiekem hebben we zijn bevel dus genegeerd. Het altaar was afgeschermd, dus we hebben de voetafdruk van de aartsengel Michaël niet kunnen zien. En ook hier liepen we weer tegen een trouwerij aan.

Na Monte Sant’angelo was het nog een 60 km naar Vieste, gelegen aan de kust van de Gargano. De rit er naar toe was fantastisch; over toch wel vrij smalle wegen maar door eeuwenoude bossen die ons aan de bossen van Brocéliande in Normandië deden denken. Jammer alleen dat er heel weinig parkeerplaatsen waren waar we de camper neer konden zetten, en als ze er al waren werden ze niet tevoren aangekondigd en was je er voorbij voor je er erg in had.

In Vieste staan we op een vakantie-resort, de Baia d’Arancis, compleet met zwembad, campingwinkel, maar ook hotel, vakantiehuisjes en de bekende polsbandjes. Ach, voor een enkele keer mag dat. Het stadje zelf is bij uitstek pittoresk te noemen. Het Centro Storico (historisch centrum) is een gezellige wirwar van steegjes en pleintjes. 

Vieste is een fotogeniek stadje: op veel foto’s van Puglia zie je deze witte krijtrotsen met daarop een kathedraal uitrijzen boven de azuurblauwe Adriatische Zee. Op het geluid van gezang afgaand liepen we een kerk binnen en het was één groot feest van zingende, klappende en dansende mensen. Prachtig om te zien hoe ze op deze manier met de beleving van hun geloof bezig waren. Vanaf een terras hebben we ook  een poos zitten kijken naar een marathon wedstrijd die daar werd gehouden. Het was wel afzien voor de lopers bij een temperatuur van 29 graden.

Morgen reizen we verder naar Peschici, een andere parel aan de kustlijn van de Gargano.

De aanvullende foto's staan op Flickr in het Album Puglia-04

La cittá bianca (de witte stad)

La cittá bianca

Onder die naam is het plaatsje Ostuni tegenwoordig bekend.. Het stadje ligt op drie heuvels zo’n  40 km ten noordwesten van Brindisi en markeert gelijk de grens van de Valle d’ Itria en het trullo gebied. De Adriatische kustlijn bij Ostuni stond eens bekend als de Difesa di Malta, een bijnaam omdat het gebied streng werd bewaakt door de Orde van Malta. Deze hospitaalridders die uit Jerusalem kwamen zwierven jarenlang door het zuiden van Italië voordat ze zich in 1530 op het eiland Malta vestigden. De Turken werden verdreven en aanvallen vanuit Noord-Afrika en Albanië werden afgeslagen. Door deze ridders kon de handel overzee opbloeien. Schepen met olijfolie en wijn konden veilig vanuit Puglia uitvaren. In 1798 werden ze verslagen door Napoleon en werd de kust weer onveilig.

Vanaf de CP plaats was het 9 km met de fiets naar Ostuni. Het was op sommige stukken even flink trappen maar gelukkig is het dan fijn dat je trapondersteuning hebt. Nadat we de fietsen bij een parkeerplaats gestald hadden zijn we naar boven gelopen om vanaf het Piazza della Libertá het historische centrum in te lopen. 

De Via Cattedrale slingert omhoog naar het Piazzetta Cattedrale waar de kathedraal en het Palazzo Vescoville zich bevinden.

Onderweg passeer je witte straatjes, tussen de kalkstenen muren en felgekleurde deuren en ramen met soms ineens aan de horizon de glinsterende zee. In onze reisgids stond dat de mensen verplicht zijn om elk jaar hun huizen wit te schilderen, maar daar hebben wij zo onze twijfels over. Vergeleken bij andere plaatsen is dit echt een toeristische trekpleister want rond een uur of 11.00 waren er al heel wat toeristen aan de wandel.

Rond half 1 vonden wij het welletjes, het was inmiddels 32 graden en zinderend warm. Gelukkig ging de terugweg als een trein en hoefden we nauwelijks te trappen. De CP lag vlak aan zee dus besloten we daar te gaan kijken, waar we eventueel een duik konden nemen. Maar het waren allemaal rotsen en het stonk behoorlijk naar riool. De hele middag bij de camper blijven zitten zonder schaduw en de stroom die regelmatig uitviel was ook geen optie, dus inpakken en wegwezen. Wat is een autorit dan heerlijk, ramen open en de wind door je haren voelen. De afstand naar Alberrobello was slechts 40 km maar door het hoogteverschil van  300 meter was het daar minder benauwd. We reden nu dan ook weer door de Apenijnen. En wat waren we blij toen we op de camping kwamen en een zwembad tot onze beschikking hadden. Ook hadden we hier de mogelijkheid om een wasmachine te gebruiken en drogen doet het met dit weer wel.

Alberobello

Alberobello is zonder twijfel de hoofdstad van de trulli en dit gebied van de Murge dei Trulli, trekt jaarlijks veel toeristen. De naam van het stadje is naar verluid  afgeleid van het Latijnse silva aroboris belli (het bos van de mooie bomen die hier vroeger in de omgeving stonden). In de 15e eeuw werd dit gebied cadeau gedaan aan de graven van Conversano.  Selva zoals dit gebied werd genoemd was nog niet bewoond en onbebouwd en de graven dachten dat het de uitgelezen plek was om de boeren die voor hen het land bewerkten hier onder te brengen. 

Omdat de belastingplichten aan het Koninkrijk Napels zwaar op de schouders van de graven van  Conversano  bleven drukken bedachten ze een sluw plan. Ze verplichtten de boeren om zonder cement te bouwen. Op die manier konden de huisjes vlak voor dat een belastinginner zijn telling kwam doen, snel neergehaald worden. De belasting was zo een stuk lager en de bouwwerken werden daarna weer snel opgebouwd. 

Omdat de boeren zonder cement moesten bouwen en alleen gedroogde steensoorten hadden, weken ze uit naar huisjes met een ronde plattegrond en een zelfdragend, kegelvormig dak dat bestond uit taps toelopende stenen cirkels, een zogenaamde trullo (en in goed Italiaans in het meervoud trulli).

De daken werden van oudsher beschilderd met symbolische of mystieke kalkdecoraties bijvoorbeeld een kruis of een hart om het kwaad buiten de deur te houden. De vroegste trulli waren dan ook heel eenvoudig. Wij bezochten een paar woningen en  de Trullo Sovrano is de enige trullo met een bovenverdieping.

Het geeft een wat claustrofobisch gevoel als je in zo’n  huisje binnen staat en ze zijn ook niet berekend op lange mensen. Maar het is een wonderlijk gezicht als je daar door de straatjes loopt en al die huisjes ziet staan. Ook de kerk heeft de vorm van een trullo. Er staan meer dan 1000 van deze huisjes hier en tot in de jaren 20 werden ze nog gebouwd. Een van de oudste exemplaren (15e eeuw) is de zogenaamde Siamese trullo, met twee aan elkaar verbonden ruimtes.

We hebben met veel plezier een aantal uren in dit gezellige stadje doorgebracht en in de Cosmo en Damiano kerk werden we verrast door een jonge organist en een meisje dat stond te zingen met een geluid waar je kippenvel van kreeg. 

Het wekt dan ook geen verbazing dat deze stad  op de Unesco werelderfgoed lijst staat. Mocht je ooit in Puglia zijn dan is dit stadje beslist een ‘must’ om te bezoeken. 

De overige foto's vind je op Flickr onder het album Puglia-03 vanaf zaterdag 22 september 2018,

.

Finis Terrae, oftewel het Einde van de Wereld

Na het mooie Gallipoli was Santa Maria Di Leuca  onze volgende stop. Eerst onze voorraad voor een paar dagen aanvullen want de winkels liggen hier niet zoals bij ons dik gezaaid. We reden een prachtige route langs de kust en het is te merken dat de vakantie ook hier afgelopen is want het was in de kustplaatsjes erg rustig. We kwamen dan ook op een nagenoeg lege camperplaats aan in Santa Maria Di Leuca  en tot onze verbazing stond er een Duitse camper, vanaf  Pompeï  hebben we nauwelijks nog buitenlandse campers zien rijden. 

Na de lunch zijn we aan de wandel gegaan. Volgens de legende zette de apostel Petrus ooit in Leuca zijn voet aan wal, op zijn reis vanuit het Joodse land naar Rome. Dat is dan ook de reden dat Santa Maria Di Leuca nu een bedevaartsoord is. Op een heldere dag reikt het zicht vanaf de kust bij Leuca tot aan Griekenland en Albanië. 


Castrignano del Capo, zo heet het uiterste puntje van Italiës hak officieel. Daar waar de rotsen het verst in de zee uitsteken vind je niet alleen een nog werkende vuurtoren  uit  1864 maar ook de basiliek van Santa Maria de Finibus Terrae. De kerk markeert het symbolische  ‘einde van de wereld ‘ en het letterlijke einde van de Italiaanse bodem. Zuidelijker is hier niet mogelijk, of het moet met de boot zijn. 

Via een uit rotsen gehouwen trap (286 treden) – waarmee je een ticket naar het paradijs  kunt verdienen -  kom je bij het hooggelegen plein met de basiliek waarvan de witte stenen oplichten in de zon. 

Vanaf dit punt heb je een prachtig uitzicht op de azuurblauw Ionische zee, die hier ook overgaat in de Adriatische zee, hoewel de meningen hier over verdeeld zijn. Beneden zie je het kleine haventje van de stad liggen. 

De kerk is gebouwd op een plek waar eens de tempel van de Romeinse godin Minerva stond. (godin van de olijfbomen, de storm, de wijsheid, de krijgskunst en de muziek ). De huidige kerk dateert uit de 16e eeuw maar Paus Julius I verzorgde al in 343 de inwijding van het eerste heiligdom hier. Het hele jaar wordt de kerk bezocht door pelgrims. Langs de kust staan nog vele bouwwerken en fortificaties om de vijand op een afstand te houden, niet dat dit hielp want ze zijn meer dan eens veroverd, dan door deze dan door gene, maar vooral in de 15e eeuw belaagden de Turken dit deel van Italië.

Omdat er verder weinig te bezichtigen viel hebben we ons laten verleiden voor een boottocht van 1,5 uur. Er zijn nog grotten te bezichtigen die inscripties bevatten in verschillende talen – Messapisch, Grieks en Latijn. Een duidelijk signaal dat diverse lieden in deze grotten samen kwamen om hun rituelen te vieren. Met nog drie andere mensen hebben we 1,5 uur rondgevaren en een aantal rotsen bekeken, alleen jammer dat we de uitleg niet konden verstaan, het engels dat de kapitein sprak was erg onduidelijk maar we hebben toch genoten van deze verfrissende boottocht.

Het Florence van het zuiden en de stad van de barok. (Lecce)

De zon was bij ons vertrek uit Leuca al behoorlijk warm, maar rijdend langs de prachtige kustlijn met kleine dorpjes was het windje een weldaad. De oleander bloeit nog volop en behalve olijfbomen zagen we ook heel veel cactussen, De afstanden tussen de kustplaatsen zijn redelijk klein en de snelheid op de kustweg ligt laag maar dat is met een prachtig uitzicht beslist geen straf. Omdat de camperplaats in Ostrani volstond met boten besloten we deze plaats niet te bezoeken en gelijk door te rijden naar Lecce waar we een paar dagen wilden verblijven. Helaas bleken de campings en CP plaatsen al gesloten te zijn, dus dan maar een parkeerplaats zoeken in de stad omdat we een bezoek aan deze stad niet voorbij wilden laten gaan. Rond de middagspits arriveerden we daar en na het eten maar meteen de wandelschoenen aan gedaan omdat we aan het einde van de dag  elders een CP plek moeten zien te vinden.

De Romeinen kenden de stad als Lupiae, een bloeiend centrum ten tijde van de regering van Hadrianus die de stad belangrijk genoeg vond om er een amfitheater te laten bouwen waar 20.000 mensen in konden zitten en waar midden in het centrum nog een gedeelte van te bewonderen is. Net als de rest van Puglia had Lecce na de Romeinse tijd vaak te lijden onder verwoestende aanvallen door o.a de Saracenen en de Noormannen. Later waren het adellijke families die lang de dienst uitmaakten. Karel V liet de meest zichtbare sporen achter en bouwde een stadsmuur met vier imposante stadspoorten rondom Lecce om de stad te beschermen tegen aanvallen van buitenaf. De muren zijn er niet meer , wat rest is nog de Porta Napoli. 

Dat Lecce ook wel het Florence van het zuiden wordt genoemd komt door zijn vele zandkleurige monumenten in de barokstijl uit de 16eeeuw. Men maakte bij de bouw van de kerken en paleizen gebruik van een lokale zachte en gemakkelijke te bewerken pietra leccese kalksteensoort en zo ontstond  de Barocco Leccese.

In de 17e en 18e eeuw bloeide Lecce op. Er werd in de omgeving olijfolie, tabak en wijn geproduceerd waardoor er meer mensen naar de stad kwamen en dankzij deze bloeiende welvaart  lieten de gegoede burgerij veel nieuwe paleizen en kerken bouwen.

Op het Piazza Sant ´Oronzo, het kloppend hart van het centrum, zien we uitgevoerd in mozaïk, het stadssymbool van Lecce; een wolvin met een boom. De wolvin verwijst naar Rome.

Enkele belangrijke bezienswaardigheden zijn het Palazzo Vescovile  (Bisschoppelijk paleis) met de Domkerk ernaast, verder de Santa Croce kerk en het 16e eeuwse Castello. Tijdens onze wandeling zien we vele barokke facades en balkons. Sinds een paar jaar komt het toerisme hier op gang, maar de echte Zuid-Italiaanse sfeer proef je hier zeker. De Italianen zijn erg behulpzaam en vriendelijk.

We zien vele kleine ateliers van handwerkslieden die sculpturen maken van pietra leccese (zachte kalksteen) en cartapesta, kleine figuren die gemaakt zijn van een soort papiermaché. De zeer gedetailleerde techniek gaat terug naar een lange traditie die verloren leek te gaan maar in ere is hersteld. Het is een arbeidsintensief werk en het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat ze behoorlijk prijzig zijn.

Na een verfrissende drank op een van de gezellige terrassen zijn we eind van de middag weer uit Lecce vertrokken naar Ostuni, waar we op zo’n 300 meter van de zee staan. Als welkomstgeschenk kregen we een fles lokale rode wijn.