Met de camper naar .....

Kant uit Kenmare

Na een dag of vijf de zon gemist te hebben werden we vanmorgen wakker met een blauwe lucht en zonneschijn. Het ziet er dan toch allemaal net iets anders en mooier uit, maar we mogen niet klagen want de temperatuur is steeds goed geweest en qua regen valt het ook reuze mee.

We rijden weer een stuk dezelfde prachtige route van de Ring of Kerry terug naar Kenmare. In deze plaats stoppen we om het mini kleine kantmuseumpje te bezoeken. Van Dublin, Londen, Parijs, Rome, Washington, in musea over de hele wereld vind je werken van Kenmare kant, Limerick kant, Carrickmacrosse kant, Iers gehaakt kant en gekantklost kant. Al voor 1800 beoefende de zusters van het Poor St.Clare’s Convent deze fijne naaldkunst die vooral bestemd was voor liturgische zaken (o.a altaarkleden) en Royal’s. Tijdens de aardappelnood begonnen de zusters vrouwen en meisjes in Kilmare te onderwijzen in deze speciale naaldkunsttechniek. Op deze manier konden ze wat bijverdienen. Heden ten dage worden nog de originele patronen van de zusters gebruikt. Er was een jonge griet bezig met het beoefenen van deze fijne naaldkunst. Helaas mochten er binnen geen foto’s gemaakt worden. (wel een gemaakt van een kantwerk in de toegangshal)


Vanaf hier was het zo’n 500 meter lopen naar de Kenmare Stone Circle. Dit is de grootste steencirkel in zuid-west Ierland en in tegenstelling tot andere ringen is deze eivormig. Hij stamt uit de bronstijd (2200-500 v. Chr) De Kenmare cirkel bestaat uit 15 zware rotsblokken, met in het midden een indrukwekkend kei-dolmen met een gigantische deksteen. (2m x 1,8 m.) Dolmen’s markeerden vaak de begraafplaats van een belangrijk persoon.



Omdat we vlakbij een supermarkt waren hebben we meteen boodschappen gedaan en in het voorbij gaan een kerk bezocht. De Holy Cross church is een mooie neogotische kerk met indrukwekkende houten balken die het dak schragen met opvallende beelden van biddende engelen. Hij werd gebouwd in 1800 door een deken die de kerk uit eigen middelen betaalde. In het interieur zijn sindsdien geen wijzingen aangebracht om de kerk moderner te maken. De prachtige retabel, standbeelden en altaar zijn prachtig gebeeldhouwd en er is een gevoel van sereniteit en vrede omdat het gewoon klopt. De glas-in-loodramen zijn prachtig met rijke kleuren en veel detail.



Na dit bezoek zijn we vertrokken uit Kenmare om een kilometer of 40 verder een wandeling te gaan maken in het Glengarriff National Park.

De naam is afgeleid van de Ierse Gleann Gairbh wat ruige vallei betekent. Het beslaat zo’n 300 ha met oude eikenbossen die genesteld zijn in de beschutte vallei die uitmondt in Glengariff Harbour. Boven het bos stijgen de Caha-bergen op, met hun dramatische laqen pure rotsen. Wat ons opviel was dat er nergens ook maar iets van afval te vinden was, er veel bankjes stonden en geen vuilnisbakken aanwezig waren. (waarom kan dat bij ons in Nederland niet??)


We hebben een heerlijke wandeling gemaakt om daarna het laatste stuk over een mooie route naar Bantry te rijden, waar we aan de jachthaven overnachten.

Bantry ligt in het hart van West Cork in een regio met weelderige vegetatie, palmbomen en semi-tropische bloemen. Het plaatsje zelf is niet echt bijzonder maar om te overnachten een prima plek.

We keken wel even op toen we ’s avonds een moeder met haar twee jonge kinderen gewapend met een vuilniszak en twee grijpers papiertjes, peuken e.d rond het centrale plein op zagen ruimen. Jong geleerd
..



Om 9.00 waren we vandaag weer onderweg zodat we rond 10.00 bij Mizen Head zouden zijn. De weg wordt de laatste kilometers weer smaller dus is het weer opletten geblazen, maar het viel gelukkig mee. (dankzij een ervaren chauffeur)

Mizen Head is de meest zuidwestelijke punt van Ierland en de thuisbasis van een signaalstation dat is gebouwd om levens te redden langs de rotsachtige kust. Het werd voltooid in 1910 en werd in 1931 het huis van Ierland’s eerste radiobaken. Het bezoekerscentrum vertelt het verhaal over de geologie van de regio en het verhaal van Marconi in Crookhaven en het leven van de vuurtorenwachters.

Daarna liepen we naar buiten en volg je het pad langs de beroemde 99 treden richting de boogbrug die neerkijkt op de kloof. Roland had last van de hoogte en is voor de brug blijven zitten terwijl Janny de brug over liep richting het signaalstation. Via een aantal trappen kom je steeds op diverse plateau’s met uitkijkpunten. Het uitzicht op de kloof en de kliffen is werkelijk fenomenaal. Het is beslist een “must see” als je in Ierland bent.



en.........????????

Na de koffie moesten we weer een stukje terug rijden om onze weg te vervolgen naar Kinsale Town, maar dat is geen straf want ook nu is de omgeving weer prachtig, veel bloemen, wisselende landschappen, baaien met parelwitte stranden etc.


We hebben een stop gemaakt bij Altar Wedge Tomb omdat deze op de route lag en tevens een parkeerplaats heeft voor een prachtig uitzicht.

Ook dit hunnebed dateert uit 2500-2000 voor Chr. maar is ook gebruikt als altaar tijdens de mis nadat Hendrik VIII het in het openbaar belijden van het katholieke geloof verbood.



Rond 15.00 arriveerden we in Kinsale Town. Nadat we de camper geparkeerd hadden zijn we op verkenning gegaan in dit levendige maar heel toeristische stadje.

De slag bij Kinsale in 1601 waarbij de Ieren een nederlaag leden veranderde de loop van de geschiedenis voorgoed met de Flight of the Earls (de oude Ierse stamhoofden) en de komst van de Britse planters. Maar ver voor die tijd was het een belangrijke handelshaven op de route naar de nieuwe wereld. Typisch Ierse bars en als contrast het gerechtsgebouw in Nederlandse stijl, waar het onderzoek naar het zinken van de Luistania in WOI werd gehouden, het middeleeuwse Desmond Castle net als de kleurige karakterhuizen in en rond het smalle doolhof van straten die gelukkig niet gesloopt zijn in naam van vooruitgang of hebzucht hebben aldus de tand des tijds overleefd en vormen tesamen een gezellige middeleeuwse binnenstad.

In een van die kleine straatjes zat een groep jonge kinderen muziek te maken, als voorbereiding op een muziekconcert a.s zondag.

Kinsdale is door zijn locatie aan het water, waar ooit de galjoenen de haven aandeden en nu vervangen zijn door de plezierboten een geliefde plek.

Morgen rijden we richting Cork waar we een paar dagen blijven.

De aanvullende foto's ....... ach dat weten jullie inmiddels.



Verrukkelijke Vergezichten

Vanuit Dingle zijn we vertrokken naar Minard Castle, gebouwd door de ridder van Kerry en is het grootste fort op het schiereiland Dingle. Het is een van de locaties die worden gebruikt in de film “Ryans daughter” De weg er naar toe was al smal, maar de weg vanaf het kasteel weer terug naar de “grote(re)” weg zo mogelijk nog smaller. Regelmatig moesten wij of de tegenligger terug naar uitwijkstroken om elkaar te laten passeren; diegene die het dichtst bij zo’n uitwijkstrook denkt te zijn, is ook degene die terug rijdt. Daar is niets mis mee, de Ieren zijn het zo gewend. Later op de dag zal blijken dat anderen daar soms heel anders over denken!

De Ring of Kerry is een rondrit over het schiereiland Inveragh en is niet alleen razend populair onder toeristen, maar ook onder de Ieren zelf. Vanuit alle windstreken rijden, fietsen of zelfs lopen ze deze prachtige route. Hij begint en eindigt in Killarney. Ruige eilanden, witte stranden, indrukwekkende bergpassen, aantrekkelijke dorpjes en levendige stadjes, dat alles heeft de rit te bieden.

Op het eerste stuk van de Ring of Kerry trekken de Mac Gillycuddy’s bergen en Ierlands hoogste berg, Carrauntoohil jouw aandacht en rijd je door lieflijke landschappen. We rijden langs de kustlijn met prachtige vergezichten, passeren het eiland Valentia (tussen welk eiland en het vasteland de veerboot “God zij met ons IV” vaart, jawel, die boot die vroeger tussen Cuijk en Malden voer) en slaan in Portamagee links af met als doel onze camperplaats voor de nacht. De weg wordt langzaam aan hoe langer hoe bochtiger en smaller, zo smal zelfs dat links en rechts de struiken de zijkanten van onze camper aan het poetsen zijn. En plotseling staan we oog in oog met een Grote Brit die van geen wijken wilt weten, bang dat ie zijn splinternieuwe BMW beschadigt (denk ik). Vooruit dan maar, wij een dikke 500 meter in de achteruit over het bochtige weggetje totdat we bij een gesloten inrit naar een weiland met heel veel pijn en moeite konden keren. Ondertussen hadden we al besloten om de camperplaats maar voor gezien te houden en een nieuwe overnachtingsplaats in Portamagee te zoeken. Na heel veel vijven en zessen kwamen we uiteindelijk terecht op de parkeerplaats van de kerk.

Na het avondmaal het vissersdorpje ingelopen en daar hebben we genoten van het schouwspel dat het zee-gevogelte ons bood bij het lossen van vangst van de vissersboten. De vissers werken daar aan mee door het afval van hun al op de boot uitgevoerde fileer-werkzaamheden op de kade te kieperen als avondmaal voor de vogels.

Binnen een mum van tijd stonden wij te midden van een zwerm vogels, wel honderd in getal, die al ruziënd om een stuk vis streden.

Na dit spektakel probeerde een uitgemergeld katje op de kade zich te voeden met de achtergebleven geur van kabeljauw en zeebaars, zo heeft Bart Dirks van de Volkskrant het ooit omschreven. Wij hebben vervolgens de nacht rustig en ongestoord doorgebracht naast de kerk.

De volgende dag rijden we het laatste stuk van de Ring of Kerry, Onmiddellijk nadat we weggereden waren van Portamagee zagen we midden in de baai op een klein eilandje een stel zeehondjes liggen. Natuurlijk zijn we onmiddellijk gestopt en hebben we ze op de gevoelige plaat vast kunnen leggen.

Verderop besluiten we om Staigue Fort, een stenen fort uit het Neolithicum, zo’n 2500 jaar oud over te slaan: geen zin meer in een weg waar de camper maar net op past en daarom geen nieuwe poetsbeurt voor de zijwanden. In Sneem, dat in het Iers “De Knoop” betekent, stoppen we voor een bakje heerlijke cappuccino. Het is een typisch klein, kneuterig Iers dorpje, volop gekleurde huizen in alle varianten van de regenboog en de lokale voetballer die het tot het Ierse Nationale Elftal heeft geschopt wordt geĂ«erd met een standbeeld. Wel heeft het een bijzonder mooi gelegen camperplaats voor een camper of 10 met alle voorzieningen. Vervolgens rijden we naar Moll’s Gap, een pas die het ene dal met het andere verbindt. Wij kiezen niet de officiĂ«le route over Kenmare (die doen we toch nog over een paar dagen als we naar Bantry gaan), maar de route die de grote bussen niet nemen, gewoon omdat die bussen te groot zijn, maar wij kunnen er wel over. Volgens de reisgids en de Ierse toeristensite heb je daar een indrukwekkend uitzicht op beide dalen. Helaas, dit uitzicht valt in het niet bij de vele mooie vergezichten die we vandaag al elders op de Ring of Kerry hebben gezien. Wel heel mooi was het panorama op Ladies View in het hart van het Killarney National Park, volgend op 5 km van Moll’s Gap en waar je over heen rijdt als je op de N71 naar Killarney rijdt. Het punt is genoemd naar het plezier dat de hofdames van Koningin Victoria hier hebben beleefd aan dat vergezicht tijdens hun verblijf in 1861.

Rond het middaguur komen we na iets meer dan 100 km gereden te hebben aan op onze camperplaats: de parkeerplaats bij Kate Kearney’s Cottage. Kate Kearney was een bekende schoonheid die hier woonde voor de Grote Hongersnood. Heel braaf was ze niet, want ze stookte haar eigen “Poteen”, illegale whiskey dus, die ze Mountain Dew noemde.

Deze cottage markeert het begin van de weg naar de Gap of Dunloe; vanaf dit punt mogen auto’s en bussen niet verder, alleen als je aanwonend bent. Het staat met borden aangegeven en op de weg staat in koeienletters “No Entry” Een fransman die komt aanrijden met zijn camperbusje volgt dat bevel heel netjes op en wij allicht ook; ons plan is om die 8 km licht stijgende weg (van 60 naar 240 meter hoogte) met de fiets te doen. Je kunt er ook voor kiezen om de tocht met paard en wagen te maken; deze zogenaamde “jaunting cars” staan in slagorde opgesteld om de toeristen te verleiden.
Al heel snel op ons fietstochtje komen we er achter dat er of heel veel aanwonenden zijn (hoewel we maar een paar huizen passeren) of er zijn hordes bestuurders die zich niets van het gebod aantrekken. Dat laatste dus, terwijl de weg amper breed genoeg is voor een kar en paard!

Wij hebben onze klim (van zo’n 6 km) in zo’n drie kwartier volbracht en ondertussen regelmatig gestopt om van het natuurschoon te genieten. De afdaling terug is natuurlijk nog meer genieten: geen inspanning meer en al het schoons glijdt aan jou voorbij: het beekje dat door de Gap loopt stuitert soms over grote rotsblokken, een spoor van watervallen achter zich latend en mondt af en toe uit in prachtige meertjes, omzoomd met een grote bloemenpracht.

Ook van de omzomende heuvels zie je voortdurend kleinere en grotere watervallen in de beekjes die de heuvels af stromen. Schapen grazen hier en daar (de tekenen van de dekkende ram nog dragend en vreemd genoeg zagen wij schapen in drie kleuren, rood, groen en paars, dus 

.) en als je wilt kun je werkelijk als een steen afdalen, gelijk de renners in de Ronde van Frankrijk. We deden het niet, gelet op het “grote aantal aanwonenden”. De laatste kilometer kregen we nog even een miezerig buitje cadeau en wat smaakt er dan, bij 16 graden buitentemperatuur, beter dan een beker warme chocolademelk.

Op de laatste dag van juli vertrekken we op de fiets voor een tocht van bijna 50 km, die vrij vlak is: 60 meter naar beneden de eerste 3 km, vervolgens een beetje op en neer golvend terrein dwars door het Killarney Nationale Park en later op de dag diezelfde stijging terug. De eerste verrassing krijgen we al te zien als we na 7 km de bocht naar rechts het National Park in draaien en een ree ons recht in ogen kijkt. Nu zijn reeën kudde-dieren en jawel hoor, een kilometer verder zien we troep waar zij waarschijnlijk deel van uitmaakte. Ze stonden rustig te grazen of lagen te herkauwen; bovendien deden ze net of wij er niet stonden. Prachtig.

We fietsten over een golf-terrein – golfers en golfkarretjes hebben voorrang en oppassen voor golfballetjes, en ook hier liepen de herten gewoon over het terrein alsof het de normaalste zaak ter wereld is. (wat het hier blijkbaar ook is) en uiteindelijk bereikten we Ross Castle.

Ross Castle werd gebouwd in de 15e eeuw door de Donoghue-clan, maar ging al snel daarna over naar de Brownes, de Earls of Kenmare. Toen halverwege de 17e eeuw de Engelse Oliver Cromwell bloedig huishield in Ierland, was Ross Castle één van de laatste vestingen die nog niet ingenomen was.

Tijdens de bouw van Ross Castle werd er een voorspelling uitgesproken dat Ross Castle ooit zou worden ingenomen door een vijand die over het water kwam. De bijgelovige Ieren waren dit niet vergeten en toen de mannen van Cromwell per boot het kasteel naderden, gaven ze Ross Castle zonder slag of stoot over. Verslagen door een legende dus!
Daarna de fiets weer op om via de buitenwijken van Killarney naar het landhuis Muckrose House te fietsen. Dit is een buitenverblijf van de Ierse landadel en is gebouwd in Victoriaanse Tudor stijl.

Muckross House werd gebouwd in 1843 in opdracht van het echtpaar Henry Arthur en Mary Balfour Herbert en hun vier kinderen. In 1899 werd Muckross House verkocht aan Arthur Guinness, achterkleinzoon van de beroemde Dublinse bierbrouwer. Arthur Guinness woonde zelf niet op Muckross, maar probeerde het als een soort jachtslot te verhuren. Muckross House ging nog een paar keer in andere handen over, maar werd uiteindelijk in 1932 overgedaan aan de Ierse staat. Tegenwoordig doet het dienst als museum. Je kunt hier het typische “Upstairs – Downstairs” onder begeleiding van een gids bewonderen: de inrichting van de landadel boven en in de kelders krijg je het beeld van de levensomstandigheden van de bedienden en het werkvolk. Nu hebben we dat al talloze malen mogen aanschouwen, een een Iers Hertogelijk Bed en idem eetkamer wijkt niet op wezenlijke punten af van een Engelse, Franse of Nederlandse, dus deze beker hebben we aan ons voorbij laten gaan.

Het laatste deel van onze fietstocht ging naar de Torc Waterval. Je fietst door eeuwenoude bossen met bomen die dikke lagen mos bevatten. Vanaf de parkeerplaats voor de fietsen is het een korte wandeling door het dichte bos van Friar’s Glen.

De waterval wordt gevoed door de Owengarriff en duikt 66 voet (ruim 20 meter) in een reeks van gepolijste rotsstappen uiteindelijk in het Muckrose Lake. De waterval is het uitbundigst na een lange periode van regenval; nu dus is minder uitbundig maar toch is hij nog wel het noemen waard.

Op de terugweg doen we Killarney zelf aan, een stadje van 10.000 inwoners. We wandelen door Main Street en verbazen ons erover dat er in dat smalle straatje – ondanks de naam – zowel links als rechts geparkeerd mag worden en er daardoor nog maar ruimte over blijft voor één rijstrook. Verder wordt je om de oren geslagen met Gift Shops van het – in Nederland gebruikelijke – molens- en klompentype, Craft en Knitting Shops waar de peperdure wollen truien, sjaals, sokken e.d metershoog liggen opgestapeld en Bars die je het Guinness aanprijzen. Op en top toeristisch dus eigenlijk voor ons een stuk minder interessant.

We fietsten door het National Park terug naar de camper en krijgen als extra toegift een roedel herten te zien, waar een drietal mannelijke exemplaren en zo’n 10 vrouwtjes deel van uit maken. Onze dag kan in elk geval niet meer stuk.

Vanavond vereren we Kate Kearney’s Cottage, een bar, met een bezoek, tenminste als er live muziek is. Morgen gaan we weer verder, nu de Beara Ring tot aan Bantry.

Zoals gebruikelijk staan aan het eind van vanavond 31 juli de aanvullende foto's op Flickr (Album Ierland 04)

Wielrenners, Willem van Oranje en Whiskey

Vergeleken met gisteren was de lucht vanmorgen blauw met wat bewolking en de zon scheen al vroeg en dat zou de rest van de dag zo blijven.
Na afscheid genomen te hebben van onze gezellige brabantse buren vertrokken we richting Glin, onze bestemming van vandaag. Eerst weer even de boodschappen gedaan, we waren een beetje te vroeg (10.00 uur) want in Ierland kun je pas vanaf 10.30 in de supermarkt alcohol kopen dus geen bier voor Roland want we hadden ook geen zin om een half uur te wachten.
Onze eerste tussenstop was de badplaats Kilkee die meer dan 200 jaar oud is en gelegen aan de Loop Head Peninsula.

Vlak voor deze badplaats zagen we ineens twee grote Amerikaanse vlaggen wapperen die bleken te horen bij de toegangspoort van het Trump International Golfterrein dat in 2002 werd aangelegd en in 2014 door Donald Trump werd gekocht voor het luttele bedrag van 15 miljoen. Voor het kleine bedrag van 300 dollar per nacht kun je in het hotel logeren. Een ander leuk feitje is dat, om overstroming van zijn golfterrein door de opwarming van de aarde en de daarmee gepaard gaande stijging van de zeespiegel te voorkomen, hij een dijk aan liet leggen van bijna 3 km rond zijn golfterrein. (ondanks zijn bewering dat de opwarming van de aarde niet bestaat) Het is maar dat jullie het weten!

In Kilkee hebben we de camper geparkeerd en wat rond gelopen. Weggestopt in een beschutte baai is Kilkee een populair vakantieoord met een kilometer lang wit strand waar bekende aristocratische en literaire figuren verbleven zoals o.a Charlotte Bronte die hier in 1854 op huwelijksreis ging. Andere bezoekers waren o.a Che Guevara, Richard Harris en Russel Crowe. De badplaats wordt beschouwd als de veiligste van Ierland omdat het beschermd wordt een rif, de ‘Duggerna Rock’ die de baai beschermen tegen het Atlantisch geweld.
Volgens wijlen Jacques Cousteau werd het uitgeroepen tot beste duiklocatie in Europa en behoort hij tot de top vijf van de wereld!
Eerlijk gezegd waren wij niet onder de indruk van deze badplaats.

Een aantal kilometers voor Kilkee kwamen we terecht in een amateur wielertoertocht en dat hebben we de rest van de morgen geweten. Telkens achter een paar fietsers, inhalen , wachten etc etc. We waren blij dat we op een gegeven moment een andere richting op moesten.

Onze volgende stop was Loop Head (schiereiland) die aan de ene kant de rivier de Shannon begrensd en de andere kant de Atlantische oceaan. Wij zijn naar het uiterste puntje gereden waar al 300 jaar een vuurtoren staat, maar de huidige dateert uit 1854. Je kunt de 23 meter hoge trap naar boven nemen voor het uitzicht op de kliffen, maar na het klimmen van gisteren hebben wij dat achterwege gelaten. Op diverse plaatsen langs de Wild Atlantic zie je met grote witte letters E-I-R-E in het gras op de kliffen geschreven staan, een overblijfsel uit WO II om de piloten te laten weten dat ze het neutrale Ierse luchtruimte binnenvlogen.

Het enige kleine nadeel van het rijden van de Wild Atlantic Way is dat je vaak dezelfde route weer terug moet rijden en in dit geval kwamen we dus weer tussen de toerrenners terecht die een ronde maken. Op een gegeven moment hebben we ons verbaasd over hoe het verkeer geregeld wordt. Stel je voor: een kruising, de fietsers komen van rechts en moeten rechts af , dus naar de linkerweghelft. (politie regelt het verkeer) Autoverkeer moet stoppen en af en toe als er geen fietsen aan komen mogen de auto’s die ook het fietsparcours op moeten door rijden, terwijl de auto’s vanuit de tegenoverliggende kant, die dus het parcours verlaten moeten blijven wachten (we hebben 225 wachtende auto’s geteld). Vraag ons niet welke logica hier achter zit.
Voor het laatste stukje moesten we met het veer de overtocht maken van Killimer en Tarbert over de Shannon ( 21 euro voor 15 min. Het openbaar vervoer is niet goedkoop hier).
We zijn gestopt in het plaatsje Glin en kijken uit op de Shannon. We konden nog net de laatste kilometers van de Tour de France zien.

De lucht was grijs toen we de dag erna vertrokken en al snel begon het te regenen maar het zijn steeds maar korte buien. Onze eerste stop was Bromore Cliffs, maar helaas de toegangspoortwas nog gesloten dus door naar de volgende bezienswaardigheid en die was beslist de moeite waard.

Nunn Beach (nonnenstrand) met in het water de Virgin Rock. Voor een adembenemend uitzicht loop je 500 meter langs de klif. Waarom dit het nonnenstrand met de maagdenrots heet hebben we niet kunnen achterhalen.

Onderweg in Tralee gestopt om boodschappen te doen en omdat het zondag was konden we nu pas vanaf half 1 alcoholische drank kopen, dus maar even gewacht op de parkeerplaats en ondertussen wat gegeten en gedronken. We passeerden onderweg ook nog de grootste nog werkende authentieke Blennerville molen uit 1800 in Ierland

De Conorpas is de hoogste bergpas in Ierland en schijnt adembenemende uitzichten te hebben op het gletsjerlandschap met klif-hangende en scherpe rotswanden. Helaas vanwege de aard van de weg niet geschikt voor campers, caravans en vrachtverkeer, maar de weg naar Dingle, onze bestemming was niet minder mooi. Soms lijken de bergwanden wel een lappendeken met allemaal vlakken.

National Geographic noemde Dingle ooit de ”mooiste plek op aarde”. Het heeft aanvallen van de Vikingen doorstaan. Hollywoodsterren verwelkomd en zijn beroemdste inwoner is een dolfijn. Daarover later meer. Sommige inwoners spreken nog Gaelic

Omdat het Zondag is en Dingle bij uitstek dé toeristische trekpleister in de County Kerry is, is het enorm druk in Dingle. Géén plekje te vinden om te parkeren en we vinden uiteindelijk een plekje, nÚt buiten het stadje. Blijken voor de Dingle Whiskey Distillery te staan en over 10 minuten begint een rondleiding door deze ambachtelijke whiskey stokerij. Daar maken we dankbaar gebruik van. We zijn met zijn vijftienen, geen enkele Ier, wel een paar Schotten, Engelsen, Fransen en een handvol Amerikanen.

Onze gids is een vrolijke gast van begin dertig die vol humor over zijn stokerij vertelt. Zij handhaven hun ambachtelijke werk, er is helemaal niets geautomatiseerd en zij produceren niet meer dan 12.000 flessen whiskey per jaar! Op dit moment liggen er 3000 vaten te rijpen waarmee per vat 300 flessen gevuld kunnen worden. Ze hebben geen aandeelhouders, maar zogenaamde “founding fathers” die allemaal bij de opstart een vat whiskey hebben gekocht (die pas minimaal drie jaar later geleverd kon worden). Hoewel een flesje van 0,75 liter ongeveer € 80,- kost is dat niet genoeg om de stokerij in leven te houden. Ze produceren daarnaast dan ook Wodka en Gin, hun grote geldmaker sinds hun Gin dit jaar als ’s werelds beste is uitgeroepen tijdens de verkiezing waaraan meer dan 200 stokerijen uit 50 landen hebben meegedaan. Dat deze drank ooit door Willem van Oranje naar Engeland is gebracht (wij kennen het onder de naam Jenever) verbaasde de aanwezigen; zij dachten dat het een Engelse drank was. Wij verlieten voldaan met een glas Whiskey (echt lekker!) en een glas Gin achter de kiezen de stokerij. We zijn het visserstadje weer ingereden en vonden nu een plek waar we kunnen overnachten.

Het pittoreske Dingle Town

Kern van het schiereiland Dingle is het plaatsje Dingle, een absolute must-see als je reist door Ierland. Dingle heeft precies alles wat je van een Iers plaatsje verwacht; een kleine haven, kleurrijke woningen, schattige winkeltjes, de perfecte fish’n’chips en natuurlijk – je bent immers in Ierland – een bijzondere inwoner met een mooi verhaal. Deze beroemdste inwoner van Dingle is een dolfijn, genaamd Fungi, die van jongs af aan door de lokale vissers is gevoerd omdat de moeder verdwenen was. Nu dartelt Fungi sinds 1983 vrolijk door de baai van Dingle en zodra je met een bootje het water op gaat, zal je gegarandeerd een glimp van deze olijke inwoner opvangen!

Dingle Town ligt prachtig aan een baai en de haven ligt daardoor mooi in de luwte.

Dus na een goede nachtrust togen wij tegen 10.30 naar de kade waar we met de boot een uur over het water hebben gevaren en meerdere malen zagen we Fungi met de boot mee zwemmen. Tijdens de boottocht zagen we ook weer prachtige kliffen en vergezichten.

Nu nog even de aanvullende foto's op Flickr zetten (in Album Ierland 04) en morgen rijden we de Ring of Kerry.


Ierse Humor en een Clifwalk

De officiĂ«le camperplaats in Clifden is gesloten en daarom stonden we “illegaal” op een parkeerplaats voor bussen, middenin het centrum; we werden door de Garda (de politie in Ierland) uitstekend in de gaten gehouden want die kwam netjes langsrijden en maakte geen enkele opmerking.

Voor we vertrokken hadden we even tijd om via face-time contact te leggen met Sietske, Gijs  en Juna die op rondreis zijn in Australië. Gijs was deze dag alleen op pad omdat het uitstapje niet geschikt was voor Juna. Sietske had de dag ervoor dit uitstapje al gemaakt. Leuk om even met ze te kletsen en naar Juna te zwaaien.

Net na Clifden, de onofficiĂ«le "hoofdstad van Connemara", passeren we Joyce`s, "Een van de beste ambachtswinkels in Ierland." Aan de overkant van Joyce`s en aan de achterkant van het parkeerterrein, vinden we het standbeeld van de Connemara-reus, gemaakt door Joyce`s Craft Shop en “The Happening of 1897" genaamd, die naar verluid een beetje Ierse magie over zich heeft. De lokale legende zegt dat als je de hand van de reus aanraakt, je gezegend zult zijn met de kennis van zijn oude stam. Hier kom je in aanraking met typisch Ierse humor: het standbeeld heet dus de "Gebeurtenis van 1897", maar loop je er om heen staat aan de achterkant op de plaquette "On this site in 1897 nothing happened".


We rijden vervolgens door het Connamara National Park. Het park bestaat uit bijna 3000 ha aan schilderachtige bergen, uitgestrekte moerassen, heide, graslanden en bossen. Op veel stukken lopen de schapen die de heide kort houden gewoon los en is het oppassen geblazen want verkeersregels en schapen gaan niet goed samen. Naast schapen herbergt het park  ook de Connamara-pony’s en edelherten. Er schijnen ook slechtvalken te huizen maar die hebben we niet gezien. Verder is het prachtig om op je gemak door dit glooiende landschap naar Galway te rijden. Galway, voor Ierse begrippen een grote (universiteits)stad van 80.000 inwoners, laten we echter rechts liggen, want bijna alle parkeerplaatsen zijn voorzien van een portaal waardoor we er met onze camper niet op kunnen.

Nadat we Galway gepasseerd waren, reden we de Burren in. De Burren lijkt heel sterk op een maanlandschap. Het gebarsten grijze kalksteen zit vol kuilen en pieken en reikt zover het oog kan zien. Van dit gebied zeggen de Ieren zelf "No water enough to drown a man, no tree to hang him, no soil to burry". Het woord "Burren" komt van het Ierse woord `BoĂ­reann` wat een rotsachtige plaats betekent. Dit is een zeer toepasselijke naam als je kijkt naar het gebrek aan bodembedekking en de mate van blootgestelde kalksteenbestrating.


Onze laatste stop deze dag op een rit van 100 km is het Poulnabrone Hunnebed. Poulnabrone Dolmen (Iers: Poll na mBrĂłn, wat mogelijk "hol van de herkauwers" of "hol van de smarten" betekent) is een hunebed in de Burren in County Clare, Ierland. Het graf dateert uit het Neolithicum, ergens tussen 4200 en 2900 voor Christus. De dolmen bestaat uit een ongeveer 4 meter lange, dunne tafelachtige steenplaat ondersteund door slanke staande stenen. Uit de opgravingen is gebleken dat tenminste 26 volwassenen en 6 kinderen in het monument begraven zijn. Ook werden persoonlijke bezittingen aangetroffen zoals een gepolijste steenbijl, een benen hanger, kwartskristallen, wapens en aardewerk.


Nu staan we op een camping in Doolin met alle voorzieningen en komen we zowaar Nederlanders tegen hier. Tot nu toe zijn we onderweg heel weinig buitenlanders tegen gekomen. Je merkt wel dat het hier ook veel toeristischer is.


De volgende ochtend begint grijs met Iers weer: af en toe een felle regenbui. We hebben vandaag de Moher Cliff Walk op het programma staan, een stevige wandeling van ruim 8 kilometer over de kliffen, beginnen op iets boven zeeniveau en stijgend naar ruim 200 meter hoogte. Je kunt er ook voor kiezen om met de auto naar het Bezoekerscentrum te rijden en van daaruit naar het uitkijkpunt te lopen, maar dat vinden wij iets voor watjes. 

Bovendien, zo zal later ook blijken, is het stervens druk bij het uitkijkpunt. Goed, wij dus te voet langs de randen van de kliffen en we genieten van prachtige uitzichten en de golven die onophoudelijk tegen de kliffen aan beuken. Windkracht 5 maar daar boven moet je soms echt oppassen om niet omgeblazen te worden. Het pad is redelijk smal, maar het is ongevaarlijk zolang je maar op het pad zelf blijft. Met bordjes word je daar voortdurend op gewezen: de randen van de klif brokkelen af, dus daar moet je niet komen. 

Het aantal wandelaars op deze route naar de Cliffs of Moher toe was niet groter dan een stuk of 15 en onderweg kwamen we zo’n beetje evenveel wandelaars op de weg terug tegen. Bij het bezoekerscentrum daarentegen waren wel een duizend toeristen die zich stonden te vergapen aan de kliffen. 



Het is niet voor niets Ierlands meest bezochte natuurlijke attractie. Onderweg was het uitzicht spectaculair ook al was het soms flink klimmen, we zouden het zo weer doen.

Volgens het bus-schema zou er om kwart voor drie een bus teruggaan naar Doolin en dus stonden we netjes op tijd op de plek waar, volgens een parkeerwachter, de bus zou aankomen; omdat er geen bordje stond en ook geen enkele andere aanduiding dat daar een bushalte was, hebben we het voor alle zekerheid nog maar een keer bij een andere parkeerwachter gevraagd, toen het inmiddels al drie uur was en een bus nog steeds in geen velden of wegen was te bekennen. Ja, je staat goed, was het stellige antwoord. En inderdaad, om kwart voor vier (!) kwam de bus en wij in Nederland maar klagen dat het openbaar vervoer niet op tijd rijdt.

‘s Avonds hebben we heerlijk gegeten in Gus O’Conner’s Pub en we waren bepaald niet de enigen. Vanaf 21.30 is er live traditionele Ierse muziek. Wij hebben dat niet afgewacht, want wij waren toe aan een rustig avondje na een halve dag klimmen en dalen over de kliffen en het opsnuiven van de zilte oceaanlucht.


Van Bloemen, Bomen en Benedictijnen

Rond half 10 waren we weer gereed om te vertrekken voor een route van zo’n 125 km met een aantal stops onderweg. De zon liet zich al voorzichtig tussen het wolkendek zien dus het beloofde een mooie dag te worden. Onze eerste stop was na zo’n 25 km waar aan de Achill Road naast een stille getijdemonding de ruïne van de Burrishoole Abbey ligt. Ooit gesticht door Sir Richard de Burgo die was toegetreden tot de Dominicaanse orde in 1469, en in zijn klooster intrad, waar hij tot zijn dood vier jaar later monnik bleef. Het was gebouwd zonder toestemming van de paus, en het was pas in 1486 dat paus Innocentius VII de aartsbisschop van Tuam opdroeg de broeders te vergeven. Aangezien de Dominicaanse orde geen abten had, zijn Dominicaanse huizen technisch gezien geen abdijen. Ze werden herhaaldelijk verjaagd vanwege de politieke onrust in het gebied, maar keerden steeds terug. In 1652 werd de abdij aangevallen en geplunderd door de Engelsen en twee nonnen (beide over de 100 jaar) werden “brutaal” behandeld, ze vluchtten naar Oilean na Naoimh (eiland van de Heiligen) Wat later werden ze weer gevangen genomen, naakt uitgekleed (midden februari) hun ribben gebroken en achter gelaten om te sterven. Rondom en in de ruïne is nu een begraafplaats.

We rijden verder en meanderen net als de riviertjes door het wisselende Ierse landschap en stoppen in Westport.
Westport is een Failte Ireland Heritage Town en het staat regelmatig bovenaan de lijst van steden en gemeenten met kleur en bloemrijke winkelpuien die verbonden zijn met pubs en eetgelegenheden. Je ziet nergens rommel op de straten liggen, zelfs geen peuken en we zagen afgelopen zondag dat zelfs in de stromende regen gemeentewerkers langs de weg liepen met een vuilniszak en prikker. Nu staat er op het dumpen van afval een boete van 3000 euro, dus dan laat je het wel. Wij hebben wat gewinkeld en genoten van de mooie gevels en de vele bloemen.

Na de lunch weer een stukje verder om te stoppen bij Aasleagh Falls, wat net ten noorden van de grens tussen Galway en Mayo ligt. Er is een pad voor een korte wandeling naar de waterval. Wij hebben het pad driekwart afgelopen maar het was veengrond dus alles was behoorlijk drassig en dat werd naarmate we bij de waterval kwamen alleen maar erger, daarom besloten we om onze kiekjes en video wat eerder te maken en terug te lopen naar de camper. Overigens is het zalmvissen op deze locatie in een bepaalde periode erg in trek.

Het mooiste hebben we tot het laatste bewaard en dat was Kylemore Abbey (Iers: Mainistir na Coille MĂłire, Klooster van het grote bos)

Het ligt vlak bij het dorp Letterfrack in Connemara in het Ierse graafschap Galway. Het is gesticht in 1850 door Mitchell Henry – arts, industrieel, magnaat, politicus en pionier. Hij heeft veel voor dit gebied en de bevolking gedaan. Veertien jaar lang vertegenwoordigde hij het graafschap Galway in het House of Commons (Engelse Tweede Kamer). Hij was een sterk voorstander van de Home Rule, een beweging die de onafhankelijkheid van Ierland wilde bewerkstelligen. Hij bood o.a onderwijs aan de kinderen van zijn pachters en personeel. Het landgoed had zijn eigen vrijwillige brandweer dat bestond uit werknemers van het landgoed zelf en dat regelmatig oefende. Volgens de familieverhalen vond de enige echte brand die het korps ooit heeft moeten blussen plaats in hun eigen kazerne. Het korps kreeg het vuur pas onder controle nadat hun eigen uitrusting in vlammen was opgegaan.

Ondanks de vele tegenslagen presteerde Mitchell het om de oorspronkelijke wildernis ( 6.075 hectare groot) rondom Kylemore om te toveren tot een schitterend geheel uit liefde voor zijn vrouw Margaret. Ze kregen negen kinderen en leidden een gelukkig en zorgeloos leven tot Margaret tijdens een vakantie in Egypte op 45 jarige leeftijd overleed aan dysenterie. Ze ligt begraven in een mausoleum (samen met haar man die in 1910 overleed) op het landgoed. Mitchell liet ter nagedachtenis tussen 1877 en 1881 een mooie neogotische kerk bouwen op het landgoed.

Hoe geliefd Margaret was, blijkt uit wat een pachter gezegd heeft: “het is niet de vrouw des huizes die we hebben verloren , maar onze moeder) . Koning Edward VII was ooit te gast en het gerucht ging dat hij het landgoed wilde kopen vanwege de schilderachtige schoonheid voor de ruige westkust. Maar zelfs voor de koning was het te duur!!

In 1903 werd het voor 36.000 pond verkocht en werd het landgoed gemoderniseerd. In 1914 ging het weer naar een andere eigenaar die er zelden kwam en het landgoed overliet aan huismeesters en tuinmannen tot zich een nieuwe koper zou aandienen.

(Op de foto Janny vóór het huis van de hoofdtuinman.)

Sinds 1920 is het, het thuis van de Benedictijnen. De nonnen waren tijdens de Eerste Wereldoorlog gevlucht uit het Belgische Ieper. Het Benedictijnse klooster was in 1665 in Ieper opgericht als een onderwijs- en geloofsgemeenschap voor Ierse vrouwen die dat in eigen land niet konden omdat de rooms katholieke bevolking al vanaf Hendrik VII werden onderdrukt door de Engelsen en de stichting van kloosters niet mogelijk was. Het klooster in Ieper was gedurende 250 jaar de enige Ierse abdij van de Orde van St.Benedictus.

Van 1923-2010 was Kylmore Abbey een Internationaal meisjesinternaat en trok veel studenten uit o.a Amerika en Azië maar ook Europese. De lessen werden vooral in het begin gegeven door de nonnen die een lange onderwijstraditie hebben.

In juni 2010 na het eindexamen van de laatste studenten werd de school gesloten. Het leerlingenaantal daalde, de gebouwen moesten worden gerenoveerd om het onderwijsniveau te behouden en er waren steeds minder nonnen om les te geven.

Het is een indrukwekkende en boeiende geschiedenis van dit prachtige landgoed met zijn prachtige ommuurde Victoriaanse tuinen waar je uren rond kunt dwalen. Het landhuis waar je kunt zien hoe men leefde en de mooie omgeving.

Het is een van de drukste bezienswaardigheden in Ierland en dat was ook wel te zien op de overvolle parkeerplaatsen, maar omdat het zo groot is qua oppervlakte merk je het niet echt. Wij hebben er een aantal genoeglijke uurtjes rond gebracht en vonden het beslist een hoogtepunt.

Tegen 18.00 waren we op onze overnachtingsplek in Clifden.

De aanvullende foto's staan op Flickr in album Ierland 03

Stormy Weather en Stenenstapelaars

Vannacht heeft het redelijk hard gestormd, zodat de regenjas van de fietsen aardig stond te klapperen; er zitten nu kleine scheurtjes in die vanmorgen met het befaamde ducktape provisorisch zijn hersteld.

Onze eerste stop was via zeer smalle weggetjes de Rosserk Frairy. Dit klooster, in 1440 gesticht door een lid van de Joyce familie, was bedoeld voor getrouwde mannen en vrouwen die een stichtelijk leven nastreefden. Zij traden toe tot de Franciscanen van de derde orde zonder een kloostergelofte af te leggen, een verschijnsel dat in de 15e eeuw veel voorkwam, vooral bij begijnen. Het klooster is verlaten sinds de afschaffing van de kloosters door Koning Hendrik VIII rond 1540. In 1590 is het door Richard Bingham, een fervent protestant en de gouverneur van koningin Elizabeth in Connacht in brand gestoken. Als ruĂŻne is het klooster goed bewaard gebleven.

Daarna stond een tweede vervallen klooster op ons programma, Moyne Abbey, maar toen we hem van een afstand zagen hadden we zoiets van...laat deze maar even aan ons voorbij gaan en bovendien daar konden we de camper nergens parkeren.

Vervolgens reden we door naar Ceide Fields, een neolitische opgraving boven op een adembenemende klif en bezochten daar ook het bezoekerscentrum. De Ceide Fields zijn de oudst bekende veldsystemen ter wereld, meer dan vijf duizend jaar oud en beslaan een oppervlakte van 1500 ha. De overblijfselen van de stenen veldmuren, huizen en megalithische graven worden bewaard onder een deken van turf.

Daaronder vandaan kwam ook nog een stam van een Schotse den van ruim 4000 jaar oud. Deze werd in het moeras goed geconserveerd wegens het gebrek aan zuurstof en staat nu, met moderne middelen geconserveerd, te pronken in het midden van het bezoekerscentrum.

In deze streek zie je heden ten dage nog steeds turfstekers actief. We vroegen ons al af waar die talloze plastic zakken die je her en der in grote groepen in het veld ziet liggen toe dienden. Nu weten we het: nadat de turf gestoken is en gedroogd is, worden ze daar in gepakt. De Ierse variant dus op onze turfschepen. Als je door de kleine dorpjes rijdt ruik je soms de gestookte turf, waarop hier dus nog steeds maaltijden worden klaar gemaakt en waarmee huizen worden verwarmd.

Halverwege de middag kwamen we aan op onze camperplaats bij een Bed en Breakfast op Ierlands grootste eiland (als je Ierland zelf als eiland even buiten beschouwing laat) Achill Island. Hier hebben we de beschikking over toiletten, douches, wasmachine en wasdroger, zodat de nodige was gedaan kan worden.

De volgende dag doen we het rustig aan. Terwijl in Nederland iedereen puft en zucht vanwege de warmte, zijn wij blij met 23 graden en een verfrissende wind. We wandelen naar het dorpje Shraheens om even bij de supermarkt de nodige boodschappen te doen en daarna ergens te lunchen en vervolgens een stukje op de fiets over de Western Greenway, een fietspad dat is aangelegd over de opgebroken rails van de Western Railway van Achill naar Westport. Daardoor zijn er weinig hellingen in het parcours en fietsen we soms lekker beschut, soms dwars over het open veld. Ook hier passeren we stukken waar de turf wordt gewonnen en de pas gestoken turf ligt te drogen. Regelmatig fietsen we voorbij oude vervallen boerderijen waar alleen de muren nog van staan. Hier zie je duidelijk dat de muren bestaan uit gestapelde stenen, zonder cement en het feit dat die muren nu nog steeds, in weer en wind, overeind staan betekent toch dat de bouwers hun kunst verstaan. Je ziet overal in het landschap ter afscheiding muren staan, opgebouwd uit de in het veld gevonden en verwijderde stenen.

We zitten nog vol in het gebied van de Gaeltacht, het gebied waar het Iers de voertaal is. De grote Gaeltacht-gebieden liggen allemaal in het Westen van Ierland; Donegal, Mayo (waar we nu zijn) en Galway zijn de belangrijkste gebieden en daar buiten kom je her en der nog gebiedjes tegen (tot zelfs alleen een enkel dorp) waar het Iers nog wordt gesproken.. Als je ze in het dialect hoort spreken kun je er totaal niets van maken; je komt geen enkel bekende klank, laat staan een bekend woord tegen. Bij belangrijke boodschappen staat de vertaling er in het Engels onder. Gelukkig maar, want zo weet je dat “GĂ©ill Slí” Geef voorrang betekent. En voor de liefhebbers hier een stukje over de regio MhĂșscraĂ­ in het Iers:

TĂĄ ceantar MhĂșscraĂ­ suite i gceann des na hĂĄiteanna is ĂĄille sa tĂ­r. TĂĄ sĂ© in iardheisceart na tĂ­re, i gContae ChorcaĂ­. TĂĄ slĂ©ibhte Seithe (1797) agus Abhainn na Laoi mar theorainn aici sa Deisceart, agus san Iardheisceart tĂĄ loch an GhuagĂĄin agus a slĂ©ibhte (1989), san Iarthar agus sa Tuaisceart tĂĄ SlĂ©ibhte Doire na Sagart, agus mar theorainn san Oirthear tĂĄ an Ghaorthadh, atĂĄ mar chuid de Abhainn na Laoi, in aice le Magh Chromtha. Gaeltacht is ea ceantar MhĂșscraĂ­ agus tÂŽ teanga, cultĂșr agus stair ar leith aici, atÂŽ an thabhachtach agus luachmhar don gcuid is mĂł des na daoine, idir Ăłg agus aosta.

En vertaald is dat: "Het gebied MĂșscrai ligt op een van de mooiste pleeken in het land. Het ligt in het Zuidwesten van het land, in County Cork. Het wordt begrensd door de bergen van Seithe (1797) en de rivier de Lee in het Zuiden, terwijl in het Zuidwesten Gougane Mountain en de bergen (1989) ligt, in het Westen en in het Noorden van de rivier de Lee, in de buurt van Macroom. Het MĂșscrai-gebied is een Gaeltacht met zijn unieke taal, cultuur en geschiedenis, belangrijk en waardevol voor de meesten, jong en oud."

Deze regenboog zagen we onderweg, voor de pot met goud waren we te laat!!

De aanvullende foto's staan op Flickr (Album Ierland 03).

Amazing Grace

Na een regenachtige avond was het bij vertrek vanmorgen gelukkig weer droog. Ondanks dat we naast de kerk stonden hebben de kerkklokken onze nachtrust niet verstoord. Dus voor vertrek nog maar even een paar kaarsjes aangestoken in de kerk voor al onze dierbaren en alle reizigers.

Tegen 10.00 uur zijn we vertrokken richting Slieve League (Sliabh Liag op zijn Iers) en het wordt “saai” maar het was wederom weer een fantastische route van de Wild Atlantic Way om te rijden. De Slieve League kliffen rijzen met zijn 600 meter uit de Atlantische Oceaan omhoog en zijn de hoogste kliffen in Europa die toegankelijk zijn voor het publiek. Hoewel deze kliffen minder bekend zijn dan de kliffen van Mohar in County Clare zijn ze wel drie keer zo hoog.

Ze zijn niet alleen spectaculair omdat ze zo steil zijn maar ook om de verschillende kleuren die vooral als de zon er op schijnt voortdurend veranderen in de tinten rood, geel-bruin, okergeel.

Je kunt tot de parkeerplaats Bunglass, het uiterste puntje rijden waar je met de auto kunt komen maar het leek ons verstandiger (gezien de steile weg) om 2,5 km lager op een parkeerplaats te parkeren en te voet naar boven te gaan. (achteraf een goede beslissing want we hadden daar boven nauwelijks ruimte om te kunnen keren met de camper) Het was een pittige wandeling naar boven, maar ontzettend mooi en het uitzicht als je boven staat maakt alles goed. Je kunt je overigens ook met het toeristische busje naar boven laten rijden. Onderweg zie je overal schapen op de kliffen lopen.

Voor de ervaren wandelaars loopt er verder naar boven het One Man’s Path; en het is werkelijk een, een mans pad, waar je absoluut achter elkaar moet lopen, zo smal is het paadje. Deze richels maken deel uit van een pelgrims-pad dat 16 km lang is. Wij vonden echter dat we hoog genoeg stonden om te genieten van de mooie omgeving. En om te laten zien wat we gemist hebben, hier een foto van dat One Man's Path van internet geplukt.

De afdaling verliep aanmerkelijk soepeler en we waren (zoals altijd) weer net op tijd terug bij de camper voor een korte bui.

Na de koffie moesten we dezelfde weg met haarspeldbochten (maar goed te doen met de camper) terug. Via het drukke vissersstadje Killybegs, met zijn havens waar je de trawlers ziet binnen varen om hun lading te lossen zijn we naar Donegal gereden. Hier hebben we eerst we bij de Aldi (toch fijn een bekende winkel) voor een paar dagen boodschappen gedaan en daarna naar de CP/parkeerplaats met uitzicht op de zee. Hier blijven we overnachten.

Donegal betekent “fort van de vreemdelingen” naar de Vikingen die hier een vesting bouwden. Het waren echter de O’Donnelss die aan de wieg van de stad stonden.

In de 15e eeuw liet de familie Donegal Castle bouwen, helaas werden ze in 1607 verdreven door de Engelsen.

Het centrum van de stad wordt gevormd door de Diamond, een driehoekige markt. Hier herinnert een obelisk aan de vier Gaelische franciscanen die rond 1630 The Annals of the Four Masters schreven. Dit manuscript behandelt de geschiedenis van de Ierse bevolking van 40 dagen voor de zondvloed tot het eind van de 16e eeuw. Een gedeelte werd neergeschreven in de Donegal Abbey. Van deze in 1474 gebouwde abdij zijn nog slechts enkele gotische ramen en kloostergangen over. Tussen de ruĂŻnes van het klooster is nu een begraafplaats.

Tijdens onze wandeling door de stad was er net een huwelijksmis afgelopen en konden we de Anglicaanse kerk even binnen lopen. We werden daar vriendelijk uitgenodigd door Pater Des nadat hij zich aan ons voorstelde. We hebben een poosje met hem staan te praten en met zijn zegen en een boekje van de huwelijksvoltrekking dat hij ons mee gaf zijn we weer vertrokken. Roland heeft buiten nog even staan praten met de chauffeur van de bruidsauto. Het bruidspaar was in het nabijgelegen café aan het toasten. De Ieren maken graag een praatje met je, dat merk je overal waar je komt.

De avond hebben we doorgebracht bij The Reel Inn pub waar elke avond live muziek te horen is. De piepkleine pub zat al snel vol met een mix aan buitenlanders en aan sfeer ontbrak het ook niet nadat de gitarist/zanger, een jonge accordioniste en een oudere man met accordeon bekende Ierse liederen ten gehore brachten . Wij hebben ervan genoten en toen we later op de avond terug liepen naar de camper hoorden we uit verschillende kroegen live muziek.

De streek Inishowen waar we nu zijn is voor altijd verbonden met het wereldbekende lied “Amazing Grace|”. Het lied is geschreven door een grofgebekte zeeman John Newton die actief was in de slavenhandel, maar wiens schip in 1748 voor de kust van Inishowen dreigde te vergaan in een vliegende storm. Wonder boven wonder wisten ze de zeearm Lough Swilly te bereiken en bleven bemanning en schip behouden. Als dank daarvoor schreef hij dit lied.

Vanmorgen zagen we net voor we vertrokken een paar zeehondjes zwemmen, grappig want dat verwacht je niet in een haven bij een stad. De lucht keek behoorlijk grijs en na een poosje viel de eerste regen. We wilden een paar keer stoppen om iets te bezichtigen en we hadden mazzel dat het toen droog was.

De eerste stop was aan zee bij Fairy Bridges. Door geologische krachten zijn er in de loop van miljoenen jaren zogenaamde “blowholes” ontstaan in het kustgebied, gaten die ervoor zorgen dat het zeewater door getijde-stromen omhoog geblazen wordt. Nu was de zee vrij kalm.

Op onze route hebben we ook even een stop gemaakt bij Creevykeel Court Tomb. Dit monument is een van de mooiste voorbeelden in Ierland van wat bekend staat als een graf van een volledig hof. Het dateert uit de Neolithische periode (4000-2500 voor Chr) Het graf is 15 meter lang en 9 meter breed en de grootste in zijn soort in Ierland. Opgravingen brachten vier crematiebegraafplaatsen, gepolijste stenen bijlen, vuursteenmessen, schrapers en twee kleiballen aan het licht. In de vroeg christelijke tijd werd het hof hergebruikt door ijzersmelters en de overblijven van een oven uit die tijd is nog te zien. Ongelofelijk dat na zoveel jaren dit bewaard is gebleven

Tijdens deze route zien we ook de Benbulben (gedeeltelijk in de wolken) de Tafelberg van Count Sligo die deel uitmaakt van de Dartry Mountains. Benbulben werd gevormd in de ijstijd toen grote delen van de aarde onder gletsers lagen. De berg is gevormd als reactie op erosie van de leisteen en kalksteen waaruit de berg is gevormd.

Voor we naar onze camperstandplaats gaan bezoeken we ook nog Sligo Abbey, een Dominicaanse abdij uit 1252. Behalve bij een brand in 1414 werd hij ook flink beschadigd tijdens de opstand van 1641. Het in de 15e eeuw gebeeldhouwde altaar is nog het enige altaar uit een Ierse kloosterkerk. Ook de kloostergangen zijn goed bewaard gebleven.

Via Dunmoran Beach (waar het te hard waaide en regende om er te blijven ) zijn we doorgereden naar Gortnor Abbey Pier waar we overnachten. Vanaf 14.00 tot nu heeft het continue geregend maar er is beter weer op komst. De Ieren verwachten zelfs eind van de week een hittegolf. We wachten het wel af. Een middag Tour de France kijken is ook geen straf.

Aan het eind van deze zondagavond staan de aanvullende foto's op Flickr in het Album Ierland 03.





Er was eens........een sprookjesachtig omgeving!

Weer voor de stroom toeristen op gang kwam zaten wij op de fiets om het Glenveagh National Park te verkennen. Het park is bijna 10.000 ha groot en omvat niet alleen de mooie vallei mat daarin Lough Veagh, maar ook de Poisoned Glenn, een moerasachtige vallei die omgeven is door spectaculaire rotsen. Het park biedt bescherming aan de grootste kudde edelherten van het land die in de zomermaanden in het hoogst gelegen gedeelte liggen waardoor je ze helaas niet te zien krijgt en in de wintermaanden zakken ze af naar beneden..

Via een prachtige fietsroute die licht heuvelachtig is van zo’n 4,5-5 km ga je via de tuinpoort naar Glenveagh Castle dat op de zuidelijke oever van Lough Veagh staat. Dit granieten bouwwerk met zijn idyllische omgeving werd in 1870 gebouwd door John Adair, die berucht was omdat hij zoveel families na de Grote Hongersnood uit deze streek verdreven heeft. Geen fraai heerschap dus! Graniet was er in overvloed in Donegal, maar moeilijk te bewerken vandaar dat er weinig details aan de buitenkant te zien zijn.

Wij hebben de fietsen bij het kasteel geparkeerd en hebben eerst een wandeling gemaakt door de prachtige tuinen om het vervolgens hogerop te zoeken om een schitterend uitzicht op het kasteel en de omgeving te krijgen. En het was de klim dubbel en dik waard. Wat een prachtige natuur, wat een oase van rust en wat is het overal schoon. En dan hebben we het nog niet over de flora en fauna hier.

Na een poosje van het uitzicht te hebben genoten zijn we weer aan de afdaling begonnen en hadden we wel een koffie verdiend. Er was een bordje met een stukje cake blijven staan op de tafel buiten en diverse vogeltjes kwamen hier even hun maaltje halen. Een prachtig gezicht!

Na de koffie onze fietsen weer opgehaald en hebben we zo’n 30 km door het park gefietst. Ook dit was licht heuvelachtig maar goed te doen al zijn er stukken met wat grotere stenen waar je even op moet letten. Natuurlijk kun je ook alles te voet doen.

Het enige wat niet prettig is zijn de Midges, kleine vliegjes die steken. Zolang je in beweging bent heb je er weinig last van. Dat was voor ons ook de reden om aan het einde van de dag te verkassen naar elders. We hebben weer een prachtige route gereden en staan nu in Ardara voor de kerk. Dit stadje is vooral bekend om de tweedstoffen die hier geweven worden en het is de thuisbasis van de beroemde Cup of Tae Festival. Dit festival viert de traditionele Ierse muziek en werd geïnspireerd op de lokale muzikant John “The Tae Gallargher. (1923-2012) waarvan men zegt dat hij de beste fiddle-speler aller tijden is.

Wij rijden in elk geval morgen verder.

De aanvullende foto's, ook die van gisteren en eergisteren, staan weer op Flickr Album Ierland 02.